Home » Essay » Goddelijk moederschap bij Augustinus: voeding voor de zoekende ziel

Goddelijk moederschap bij Augustinus: voeding voor de zoekende ziel

Kerkvader Augustinus was er vertrouwd mee: de traditie waarin wijsheid werd gezien als een vrouwelijke, voedende gestalte én als een aspect van God. In deze traditie figureert Jezus als gezant van moeder Wijsheid, hij vertegenwoordigt haar genadige goedheid. Wat moedermelk is voor baby’s is Jezus voor nieuwkomers in het christelijk geloof. Kitty Bouwman stuitte in haar promotieonderzoek op deze bijna verborgen kant van het christendom.

Door Kitty Bouwman

Moederschap is zo oud als de mensheid. Vanaf het begin heeft iedere mens een relatie tot de vrouw die hem voortgebracht heeft. Iedere mens is afhankelijk van de moeder die hem zoogt en voedt. Moeders spelen een belangrijke rol aan het begin van het bestaan en zijn nodig om te kunnen leven.

Vroegchristelijke schrijvers gebruikten ervaringen uit de moeder-kind relatie om hun omgang met God te verwoorden. Ze schreven over een zwangere God die hen draagt, over een barende God die hen wedergeboren doet worden, over een voedende God die hen zoogt, over een spenende God die hen ontwent van de geestelijke genoegens.

De symboliek van het moederschap vinden we onder meer in het bijbelboek Jesaja. Daarin wordt berghelling Sion, waarop Jeruzalem gebouwd werd, als een barende moeder beschreven en worden de inwoners van Jeruzalem gevoed aan haar borsten. In de Wijsheidsliteratuur van de Bijbel is wijsheid gepersonifieerd als een vrouw en als een moeder. Het boek Jezus Sirach bijvoorbeeld beschrijft vrouwe Wijsheid als volgt:

“Ik ben de moeder van ontzag en ware liefde, van kennis en heilige hoop. Ik werd aan al mijn kinderen voor eeuwig geschonken, aan allen die de Heer heeft uitgekozen.

De joodse wijsheidsliteratuur ontwikkelde zich in Egypte en de personificatie wijsheid werd beïnvloed door de Egyptische godinnen Isis en Ma’at. In deze literatuur was ruimte voor de goddelijke Wijsheid. Zij wordt voorgesteld als een vrouwelijke persoon die naast God troont en die als een goddelijke gestalte bemiddelt tussen God en mens. Karakteristiek zijn de maaltijden die zij bereidt.

Kitty Bouwman tijden de promotieplechtigheid aan de Universiteit Utrecht

Kitty Bouwman tijdens de promotieplechtigheid aan de Universiteit Utrecht.

Deze wijsheidstraditie was nog levend in de tijd van Jezus, en daarin werd hij gezien als een gezant van Wijsheid. Hij was geroepen om het koninkrijk van God te realiseren en had de opdracht de genadige goedheid van God te verkondigen. In de jaren tachtig heeft de theologe Elizabeth Schüssler Fiorenza al op deze traditie gewezen. In mijn onderzoek naar het goddelijke moederschap bij Augustinus (354-430) stuitte ik op deze traditie. Bij Augustinus heeft de relatie tussen Wijsheid en de mens Jezus te maken met een voedend aspect van God dat hij toeschrijft aan Mater Sapientia, moeder Wijsheid.

Inwijding

Augustinus brengt het voedend aspect van God in verband met inwijding in het geheim van God (mystagogie). Het voedende van God stelt hij voor als een door Wijheid bereide maaltijd. Moeder Wijsheid nodigt als een gastvrouw haar gasten uit om bij haar brood te eten en wijn te drinken: “Wie onervaren is, moet hierheen komen”, roept ze. Haar maaltijd is bedoeld voor degenen niet nog niet tot inzicht zijn gekomen. Aan tafel wacht hen het brood dat Wijsheid gebakken heeft en de wijn die zij gemengd heeft (Spreuken 9, 2-5).

Augustinus zet de maaltijden van vrouwe Wijsheid in voor de geloofsvorming in de vroege kerk. De onervarenen waren de volwassen mensen die bezig waren met de christelijke inwijding. Zij hadden nog geen inzicht in het christelijke geloof. Ze hadden al wel aangegeven gedoopt te willen worden met Pasen. Deze voorbereiding brengt Augustinus symbolisch in verband met de moederschoot: “|zoals een embryo zich gedurende veertig weken ontwikkelt in de moederschoot om geboren te worden, zo verblijven de doopleerlingen veertig dagen in de schoot van de kerk om zich te bekeren tot het christelijke geloof van de kerk.” Tijdens deze voorbereiding kwamen ze in contact met de waarden van het christelijke geloof waarbij ze moesten afrekenen met hun oude levensstijl. Daarbij ontvingen ze de geloofsbelijdenis en het Onze Vader die Augustinus als sacramenten beschouwde, omdat ze een ontmoeting kunnen bewerkstelligen met Jezus Christus. Door te luisteren naar de woorden en door deze te overwegen maken de doopleerlingen een verbinding met hun persoonlijke ervaring en werden de woorden opgenomen in hun hart. Daardoor raakten ze vertrouwd met Jezus Christus die hun geloof voedde.

Mater Sapientia

Bij Augustinus vertegenwoordigt moeder Wijsheid, mater Sapientia, de goddelijke voeding, die hij uitdrukt als ‘melk’ en ‘vaste spijs’. Deze beelden heeft hij van de apostel Paulus overgenomen. Als een moeder moest Paulus de gemeenteleden van Korinthe met ‘melk’ voeden, en kon hen nog geen vast voedsel geven (1 Kor. 3, 2). De kerkleraar Augustinus koppelt deze beelden aan moeder Wijsheid. Zij leeft in de werkelijkheid van God, waar zij de engelen voedt met de eeuwige voeding van waarheid (‘vaste spijs’).

Dit engelenbrood is voor de mensen die gebonden zijn aan de aarde niet te bevatten, vanwege het goddelijke karakter ervan. Daarom transformeert Wijsheid als een moeder haar goddelijke gaven om tot ‘melk’ (het voedsel dat moeders eten, wordt getransformeerd in hun lichaam [vlees] tot borstvoeding, waarmee ze hun baby’s kunnen voeden). In Augustinus’ werken verwijst de moedermelk naar genade.

Bij Augustinus presenteert moeder Wijsheid haar bereide genade niet zelf, maar dat doet Jezus. Hij is haar instrument en heeft haar taak als gastvrouw overgenomen door de door haar bereide gaven present te stellen voor haar kinderen. Bij Augustinus wijzen haar kinderen op degenen die bezig zijn met de inwijding in het christelijke geloof. Zij worden gevoed met de genade die zij bereid heeft: geestelijk voedsel dat de ziel voedt.

De verwantschap tussen Wijsheid en genade is gebaseerd op het boek Wijsheid van Jezus Sirach. In de tekst van de Vulgaat (een gezaghebbende Latijnse vertaling van de Bijbel uit 405 na Christus) wordt genade in verband gebracht met moeder Wijsheid: ‘In mij is de genade van heel het leven en de waarheid’ (Sir. 24, 25). Genade en waarheid heeft de evangelist Johannes overgeheveld naar Jezus Christus (Joh. 1, 17). Het boek Jezus Sirach was overigens in de vroege kerk een bijzonder populair boek, wat tot uitdrukking komt in de bijnaam ervan: ecclesiasticus (kerkboek). Het werd gebruikt bij het geloofsonderricht.

Jezus is melk

Moeder Wijsheid bemiddelt haar genade via de mens Jezus naar haar kinderen op aarde. Dat gebeurt bij incarnatie van Woord waarbij zij de eeuwige voeding van waarheid omvormt tot genade. Deze transformatie vindt plaats bij de incarnatie(menswording) en de kenosis (onlediging/zelfgave) van God in Jezus (Joh. 1, 1-14; Filip. 2, 6-8). Bij de menswording van Christus vindt er een transformatie plaats van hemels brood in genade, waarbij God de mensheid tegemoet treedt door haar te voeden. Op deze wijze komt God dichtbij om de mensheid op te nemen in zijn liefde.

De genade van Wijsheid is aanwezig in de mens Jezus. In een verhandeling over het evangelie volgens Johannes drukt Augustinus deze aanwezigheid uit als ‘Jezus is melk’. Deze uitspraak is uniek in de traditie van de christelijke spiritualiteit. Anders dan in het Johannes-evangelie waar Jezus aangeduid is als het brood dat neerdaalt uit de hemel (Joh. 6, 33), blijft bij Augustinus het brood in de hemel opdat daarmee de engelen en de geestelijke mensen verzadigd worden. Dit brood is bedoeld voor degenen die Christus op een innerlijke wijze kunnen ervaren en verstaan en valt niet samen met het brood dat bemiddeld wordt in de dienst van de tafel (eucharistie). Het eucharistisch brood is bij Augustinus een bemiddelde genadegave: ‘melk’. Het brood wordt geschonken in onmiddellijke ontmoeting met Christus, die geheimvol is. Dit brood wijst op de eeuwige voeding van waarheid die Wijsheid vertegenwoordigt.

Goddelijke moederschap van Wijsheid en Maria als de moeder van God

Voor Augustinus is Wijsheid een goddelijke moeder en niet Maria. Hoewel de vroegchristelijke kerk Maria op het Concilie van Efeze (431) benoemd heeft tot moeder van God, theotokos (Godbaarster), vinden we bij hem geen sporen van het goddelijke moederschap van Maria. Dit is opmerkelijk omdat dit Concilie plaatsvond vlak na zijn dood (430).

Bij Augustinus is Maria een geestelijke moeder, verbonden met de aarde. Augustinus noemt haar zelfs de aarde. Telkens benadrukt hij maar weer dat zij Christus als mens gebaard heeft, en niet als God zoals bij het Concilie van Efeze werd afgekondigd. Nergens beschrijft hij haar als een hemelse moeder. De goddelijke moeder is bij hem Wijsheid. Dit roept de vraag op of er bij het uitroepen Maria tot Gods moeder andere gestalten van het moederschap zijn verdwenen. Dit vraagt om een verder onderzoek.

Heilsweg van moeder Wijsheid

Aan de hand van uitdrukkingen van het moederschap (melk, zogen en voeden, brood) is bij Augustinus de heilsweg van moeder Wijsheid zichtbaar geworden. Hij neemt haar op in de werkelijkheid van God waar zij het voedende aspect van God vertegenwoordigt. Als een goddelijke bemiddelaarster treedt zij in contact met de mensheid door hen te voeden. Hoewel zij als goddelijke personificatie onzichtbaar is geworden, zijn haar gaven niet verdwenen. Haar bereide gaven mogen we soms ervaren als troost, warmte, liefde en als genieting. Deze gaven zijn voeding voor de ziel.

Relevantie voor hedendaagse inzichten in de spiritualiteit

Augustinus laat zien dat het goddelijke moederschap een sleutelbegrip is in zijn visie op het proces van inwijding (mystagogie) in het christelijk geloof, waarbij de mens ingevoerd wordt in het geheim van God. Langs die weg wordt zichtbaar hoe belangrijk de wijsheidschristologie voor hem was. Deze theologische benadering is van groot belang voor de studie van spiritualiteit en mystagogie. Het opent vensters naar een actuele herwaardering van bijna vergeten lijnen van spirituele ervaring en geloofsbeleving.

 

Dr. Kitty Bouwman, Mater Sapientia, de mystagogische functie van het moederschap van God en het geestelijke moederschap bij Augustinus, Skandalon Vught 2015.

Print Friendly, PDF & Email

4 reacties

  1. Het is natuurlijk allemaal Beeldspraak in de vorm van Metaforen (vergelijkingen of vervanging van een indruk of voorstelling op basis van zekere overeenkomst of verbinding). Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat men van die metaforen zonder tussenkomst weer realiteit gaat maken en erop verder borduurt, voort fantaseert zoals feministen eind vorige eeuw met graagte deden om hun eigen agenda (zelfbevestiging en die van andere vrouwen, als zijnde van den beginne c.q. van Godswege superieure wezens in eeuwige oppositie tegen vermaledijde mannen!) kracht bij te zetten, zoals we nu ook zien gebeuren in delen van de godinnenbeweging die werkt op basis van fantasieverhalen rond Jacobs dochter Dina (Genesis 30 verdraaiend), die je in sommige romans tegenkomt. Eerbied betrachten t.o. al wat leeft lijkt me reëel en evident noodzakelijk om goed samen te leven én te overleven, maar dat we weer zouden moeten gaan dansen, drummen en krijsen voor onze ‘oermoeder’ de Volle Maan lijkt me toch wat al te decadent. Gelukkig is dat ook niet de insteek van bovengenoemde promovenda.

    • Men leze bijvoorbeeld het artikel “Dank je soulsister – Sisterhood bij volle maan” geschreven door Suzanne Rethans in Trouw d.d. 17 oktober 2015.

  2. Volgens de toenmaals – 4e eeuw na Chr. – geldende mores werd de moeder van Adeodatus – concubine van Aurelius Augustinus – geen goede huwelijkspartner geacht voor de professor in de retorica, want van te lage afkomst. In het zesde boek, paragraaf 13 van zijn Belijdenissen schrijft Augustinus: ‘Men drong op mij aan om zonder talmen te trouwen. Ik had al een aanzoek gedaan en een gunstig antwoord ontvangen. Mijn moeder (Monica) besteedde er de grootste zorg aan’, al was het te huwen kind ‘twee jaar te jong om te trouwen.’ In datzelfde boek zes, paragraaf 15 van de Belijdenissen vertelt Augustinus vervolgens:’De vrouw met wie ik samenleefde, werd als een beletsel voor mijn huwelijk van mijn zijde weggerukt. Mijn hart, waaraan zij hecht verbonden was, werd daardoor opengesneden en verwond en bloedde langdurig. Zij keerde naar Afrika terug en legde U (de christelijke God) de gelofte af nooit meer een andere man te zullen kennen. Mijn natuurlijke zoon liet zij bij mij achter.’

  3. Augustinus had toch een zoon – Deodatus? En die zoon had een moeder, en dus….. vul maar in. Wat is er met die vrouw gebeurd? Gewoon weggestuurd?

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*