Home » Cultuur » Irritant, kunst die voortdurend iets wil ‘zeggen’

Irritant, kunst die voortdurend iets wil ‘zeggen’

Kunst elitair? Mag best op zijn tijd, vindt Eric Corsius. Hij laat zich graag optillen tot het hogere, zolang de kunst maar niet opdringerig wordt en het alledaagse leven wil bepalen.

Door Eric Corsius

Veel vormen van kunst zijn moeilijk toegankelijk en raadselachtig. De schoonheid is dan als een sfinx, die uit de hoogte op ons neerkijkt – tergend geheimzinnig glimlachend – en ons het gevoel geeft dat we heel klein zijn. Soms doen kunstenaars daarbij nogal neerbuigend en belerend: ze willen ons via de kunst verheffen of – zoals het tegenwoordig heet – uitdagen.

Al met al lijkt kunst daarmee iets elitairs, slechts voor weinigen weggelegd, iets waarin je je slechts met veel moeite kunt laten inwijden. Dit verwijt wordt uiteraard graag breed uitgemeten door hen die zich opwerpen als woordvoerders van de ‘gewone mensen’.

Nederigheid

Zelf heb ik er geen moeite mee als kunst een beetje ambitieus en pretentieus is. Ik wil me graag laten optillen tot een hoger niveau en moeite doen om de schoonheid te puren uit datgene wat ik daar aantref. De moeite wordt immers vrijwel altijd beloond. Als we zijn doorgedrongen in een werk dat zijn geheimen slechts langzaam prijsgeeft valt ons een groot geluk ten deel.

Dankbaarheid jegens de kunstenaar is dan op zijn plaats, geen verwijt van arrogantie. Genieten van ‘moeilijke’ kunst is geen snobisme – zoals helaas vaak hoor – maar een kwestie van discipline en nederigheid.

Ik vind het ook om een andere reden geen probleem als schoonheid ‘hard to get’ is. Kunst is immers slechts een beperkt onderdeel van het leven. Ik ben niet verplicht om de hele dag op mijn tenen te lopen om haar te gerieven. Naast kunst en schoonheid zijn er tal van andere zaken, die mijn aandacht opeisen, toeleg vragen en ontspanning en genot bieden – zonder dat ik me daarvoor moet forceren. Kunst is voor speciale tijden en plaatsen, net zoals bezinning en eredienst.

Opdringerig

Het wordt uiteraard anders als kunstenaars met hun zendings- en verheffingsdrang heel mijn leven willen bepalen. Dan wordt hun werk regelrecht totalitair. Dit betreft dan met name ontwerpers van landschappen en steden, gebouwen en woningen, interieurs en voorwerpen. Hun werk is immers bepalend voor ons leven van a tot z, van vroeg tot laat, van de wieg tot het graf. Het kan dan ook worden ervaren als zeer opdringerig, als een bouwmeester of designer zijn levensfilosofie aan ons oplegt, als zijn ‘statement’ elk moment van de dag uit de muren tot ons spreekt en als zijn geest rondwaart onder ons dak.

Bij een representatief publiek gebouw, een theater of een kerk is dit nog aanvaardbaar. Dit zijn immers juist de plekken waar we slechts zeer bepaalde tijden doorbrengen. Ze mogen daarom best een pregnant karakter hebben – al houd ik persoonlijk meer van sobere, dienstbare gebouwen, dan gebouwen die voortdurend iets willen ‘zeggen’.

Het wordt echter regelrecht benauwend bij kantoren, woonwijken en huizen. Ik was er ooit getuige van hoe de bezoeker van een abdij, waar de uiterst gestileerde en abstracte vormgeving van elk detail was voorgeschreven, zijn ontzetting uitte. De monniken waren in zijn ogen gereduceerd tot museumstukken. Een vergelijkbaar lot was en is ook de bewoners van veel naoorlogse nieuwbouwwijken beschoren, die het object waren en zijn van ‘social engineering’. Dit drong weer eens tot me door toen ik in de vakantie de door Auguste Perret (1874-1954) volmaakt vormgegeven binnenstad van Le Havre bezocht.

Verzet

Gelukkig zijn er kleine vormen van passief en schouderophalend verzet. Mensen kunnen het niet laten om op onderdelen hun omgeving op smaak te brengen. Tot ergernis van ontwerpers plaatsen ze ‘truttige’ of ‘burgerlijke’ deuren in de kozijnen van modelwoningen, hangen ze ‘kitschige’ gordijnen voor de ramen of bezaaien ze de voortuin met volkskunst uit het tuincentrum. De monniken in de abdij, waarop ik eerder doelde, creëerden in hun betonnen woestijn letterlijk en figuurlijk ‘niches’ met aansprekende afbeeldingen.

Als een straatbloem zoekt de behoefte aan toegankelijkheid en herbergzaamheid overal zijn weg. Ik vind het resultaat vaak foeilelijk. Ik gun het echter iedereen om zijn omgeving op de gewenste gevoelstemperatuur te brengen.

En men gunne het mij om – als voorbijganger! – te genieten van utopische nieuwbouwsteden als Le Havre en te dromen van een huis van Dudok.

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*