Home » Columns » Kamergeleerde

Foto Josh Applegate

Kamergeleerde

Wie een publiek wil bereiken moet zich aanpassen aan zijn of haar gehoor. Tegelijk dient een origineel denker een eigen weg te gaan, soms tegen de stroom van de tijdgeest in. Dat beide eisen op gespannen voet staan ondervindt Erik Borgman regelmatig aan den lijve. Een oplossing ziet hij in de oude christelijke aansporing om in de wereld maar niet van de wereld te zijn.

Door Erik Borgman

Het was eruit voordat ik er erg in had. Iemand vroeg mij hoe het mij gelukt was om als theoloog met enige regelmaat in het publieke domein zichtbaar te zijn. “Ik heb er mijn hele leven naar gestreefd een kamergeleerde te worden”, was mijn antwoord. “Maar dat is jammerlijk mislukt.”

Ik geef het toe: het heeft iets kokets. Alsof je zegt: ik hoef niet zo nodig, maar ik word steeds gevraagd. Overigens, koket of niet, het is wel in hoge mate zoals ik het ervaar. Toen ik theoloog van het jaar was, is me wel verweten dat ik er te weinig werk van maakte en het spel te weinig meespeelde. Maar ik had niet naar de titel gestreefd, geen stemmen voor mijzelf geworven. Als men mij gevraagd had waarom men op mij zou moeten stemmen, had ik waarschijnlijk gezegd dat niemand op mij hoefde te stemmen.

Bescheiden

Het is niet dat ik zo bescheiden ben. Integendeel. Maar juist daarom is het optreden in het openbaar voor mij nogal eens een bezoeking. Vind ik dat ik ergens een verstandige mening over heb die je maar weinig hoort (en zeker niet zo onderbouwd -;)), blijkt het daar helemaal niet om te gaan! En dan heb ik het nog niet over de journalisten die zich nauwelijks verdiept hebben in het onderwerp, laat staan in de verhouding van de christelijke traditie tot het onderwerp. ‘Iedereen weet immers dat katholieken… ‘ Neen, dat denkt iedereen te weten, maar het klopt niet. Het is maar zelden dat je de tijd krijgt om rustig uit te leggen hoe het dan wel zit. Chapeau overigens wat dat betreft voor het Theologisch Elftal van het dagblad Trouw!

Voorbeeld: Ik denk iets te zeggen te hebben in de ‘klaar-met-leven’-discussie. Als ik dan gevraagd word er iets over te zeggen, denk ik: dit is een kans, laat ik het maar doen. Maar een gesprek van een kwartiertje vraagt vaak voorbereiding en naast de deur is het zelden. Een optreden, of het nu een lezing of een interview is, kost gemiddeld een dagdeel. Vier uur die dus niet aan schrijven of serieus lezen worden besteed.

Vakantie

In de zomerperiode zijn er geen lezingen en maar weinig interviews. Vergaderingen en andere zaken waarmee de universiteiten hun werknemers van onderzoek afhouden, zijn er in de zomer ook bijna niet. Ik kan vrijwel ongestoord lezen en schrijven en het voelt als vakantie. Tot ik mij realiseerde dat ik ooit hierom naar een academische carrière had gestreefd. Dat leidde, denk ik, tot de opmerking over de mislukking van mijn streven kamergeleerde te worden.

Waarom lukte dat een aantal van mijn leermeesters veel beter dan mij? Zeker, dat waren voor een deel celibataire mannen waarvoor gezorgd werd. Maar als ik eerlijk ben, wordt er op allerlei manieren ook voor mij gezorgd. Edward Schillebeeckx hoefde er geen rekening mee te houden dat zijn dochter met zijn kleinzoon van een maand twee weken kwamen logeren, hetgeen het dagritme danig blijkt te verstoren. Maar ik zou zelf deze ervaring niet graag hebben willen missen en er blijft bovendien genoeg tijd over om te lezen en te schrijven. Je moet slim met je tijd omgaan, dat is alles.

Aanspreken

Veel belangrijker is, denk ik, dat de verschillen tussen wat in verschillende contexten als belangrijk geldt, veel groter zijn geworden en de tolerantie voor die verschillen veel kleiner. Schillebeeckx kon zijn boeken schrijven en vervolgens college geven over wat hij zojuist ontdekt had. Tegenwoordig moeten colleges aantoonbaar deel zijn van een vooraf uitgedacht curriculum en studenten op verantwoorde wijze de kennis en de vaardigheden aanreiken die wij afgesproken hebben dat ze die aan het einde van hun opleiding moeten hebben. Lezingen moeten het publiek in hun situatie aanspreken en passen bij het thema dat de organisatie heeft bedacht. Interviews en kranten- of tijdschriftartikelen moeten op de kijkers, luisteraars of lezers van de betreffende periodiek zijn toegesneden. Op de kennis, de vooronderstellingen en de vragen die zij hebben.

Ik vind het de vraag of dat sowieso verstandig is. Zelf lees is het liefst artikelen en boeken die niet vertellen wat de schrijvers denken dat ik wil weten, maar die presenteren wat vanuit het schrijversperspectief belangrijk is. Het levert iets op als je moeite moet doen om te begrijpen wat er tegen je gezegd wordt. Het breekt je eigen bubbel open.

In de wereld, maar niet van de wereld

Het effect van het denken in doelgroepen is dat degenen die kennis of inzichten willen aanbieden, zich steeds in het perspectief van hun lezers of luisteraars moeten verplaatsen. Het is aan hen om duidelijk te maken waarom het de moeite waard is om kennis te nemen van wat zij te zeggen hebben. Dat maakt het moeilijk om een eigen spoor vast te houden. En dat is toch nodig als je iets wilt schrijven van een langere adem, een kamergeleerde waardig.

Als anderen niet laten blijken te geloven in het belang van wat je doet, onafhankelijk van de vraag of zij dat belang ook direct inzien, wordt het ook moeilijk daarin zelf te blijven geloven. Je moet dat belang als het ware ook steeds aan jezelf bewijzen doordat je in staat blijkt te zijn het aan anderen duidelijk te maken. Tegelijkertijd moet je jezelf op het juiste spoor houden door afstand te nemen van wat iedereen denkt en zegt, wat algemeen geloofd wordt dat de vragen zijn en hoe wij in deze tijd problemen behoren aan te pakken.

Het is uiteindelijk het oude liedje van de christelijke spiritualiteit: in de wereld, maar niet van de wereld. Het is dus goed voor mijn ziel dat het mij niet gelukt is een kamergeleerde te worden. Zoals het evenzeer goed is dat ik er nog steeds wel naar verlang.

Print Friendly, PDF & Email

2 reacties

  1. Eric,
    Bedankt voor wederom je stimulans om in de wereld en niet van de wereld te zijn. Bovendien je begrijpelijk schrijven vind ik ‘chapeau’ oftewel hoed af!

  2. Dilemma: iets zeggen tegen de tijdgeest in, en toch rekening houden met je gehoor. Dat publiek deelt de tijdgeest, is de gedachte. Wat houdt die tijdgeest dan in? Het gaat dan niet alleen om moderne gedachten en idealen. Er zit veel oud materiaal niet of verkeerd begrepen in de alledaagse taal. Kort gezegd: Descartes’ dualisme werkt nog in de taal van mensen. De woorden “het lichaam” , “de geest” suggereren hen, dat het om twee dingen (entiteiten) gaat. En bij “geest” denkt men veelal aan “de ziel”. En dat kan duiden op het psychische. Maar hoe enigszins aangeven, dat men geest dient te onderscheiden van psyche?
    Een situatie. Gespreksgroepje. Geen ongeschoolde mensen. Een oude heer, huisarts geweest, vraagt zich bezorgd af, hoe het na de dood gaat. Waar blijft de ziel? Ik probeer een gesprek. Er komt een patiënt op het spreekuur. U én hij letten op de lichaamstaal. Op een moment zegt u: ik zal even naar de longen luisteren. De man is eventjes een lichaam, zij het levend, dat dokter beklopt. Stel, de patiënt belandt in het ziekenhuis. Voor de openhartoperatie worden nogal wat lichaamsfuncties door apparaten overgenomen. Het lichaam is nog geen ding, maar allerminst de bezorgde patiënt die met zijn eerste klachten bij zijn huisarts kwam. De chirurgen konden hem niet redden, zijn lichaam niet herstellen. In de doodskist ligt ie er mooi bij. Nou ja, een euphemisme: hij?, het is een lijf, een lijk. Wat is er weg: een ziel uit het lijf? Maar in leven was er een persoon, een eenheid met lijfelijke en psychische aspecten. De situatie is nog verzwaard. Iemand oppert: “ik ben niet gelovig, ik geloof niet in een hiernamaals. De oude heer zal deze “kwestie” ook bedoeld hebben met zijn “waar blijft de ziel?”.
    Een studeerkamer heb ik, maar ben ik een geleerde? Wel heb ik wat gelezen na een redelijk inleiding in de wijsbegeerte c.a. Lichaam, lichamelijkheid. Ik waag me er niet aan te wijzen op Merleau-Ponty, om maar één auteur van de velen te noemen. Aan een uitgebreide uiteenzetting over mensbeelden durf ik niet te beginnen. Descartes past in een kentheoretische context, ver van mensbeelden en bestaansvragen. Hoever reikt mijn vermogen? Hoever gaat het vermogen van de oude heer om mijn omzichtige woorden te verstaan? Bovendien zitten hij en ik in een groepje. Kortom in zulke situaties moet men zich weer eens gedwongen voelen om maar te zwijgen. Ik zeg maar helemaal niet: ik ben gelovig, ook in religieuze zin. Maar leven na het leven kán niet. Tijd en ruimte kleven aan mijn leven, dat duurde van 1932 tot 20xx, zoals mijn oud geworden huid dat doet.
    Jac van Dam, Nijmegen

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*