Home » Spiritualiteit » “Niets staat definitief vast, zelfs de dood niet” – Paasoverweging
Christus en Maria Magdalena door Lucas Cranach de oude

“Niets staat definitief vast, zelfs de dood niet” – Paasoverweging

Op paasochtend hield Erik Borgman onderstaande overweging in zijn parochiekerk, de Dominicuskerk in Utrecht. Waar kunnen we Jezus, die verrezen is, ontmoeten? Centraal in de overweging staat een ongrijpbare Jezus, die vrij maakt en ruimte schept. Vanuit de overkant van de dood blijkt Hij nog altijd te handelen, ongrijpbaarder dan ooit. Onverwacht gaat hij verbinding met ons aan. En zijn weg, die onmogelijk leek en naar de dood had geleid, manifesteert zich als de weg naar het ware leven.

Door Erik Borgman

 

Gelezen Handelingen 10, 34a.37-43; Psalm 118,1-2.16ab-17.22-23
1 Korintiërs 5,6-8; Kolossenzen 3,1-4; Johannes 20,1-9.11-18

Daar dus niet. Niet in het graf, niet op de plaats waar we onze doden neerleggen, dierbaar, belangrijk als herinnering, van betekenis om wat ze gezegd en gedaan en misschien geschreven hebben, maar vanaf nu onherroepelijk verleden tijd. Daar is Jezus niet. In deze logica die tragisch is, maar ook helder omdat zij duidelijk maakt hoe we ons kunnen en moeten gedragen, wat we nog zinvol kunnen verwachten en wat illusies zijn waar we ons misschien aan vastklampen maar waarvan we los moeten komen, in deze logica is Jezus niet te vangen. Als een vogel ontsnapt aan het net van de vogelaar, zegt de psalm (124,7): Het net is gescheurd en Hij is gevlogen.

Het is een doorlopend thema in het evangelie volgens Johannes: Jezus’ ongrijpbaarheid. Vanaf het begin, gegeven zijn ongekende missie – Hij zal de zonde, het kwaad en de schuld van de wereld wegnemen, zegt Johannes de Doper – lijkt Hij geheel en al van de verkeerde afkomst. ‘Kan er uit Nazaret dan iets goeds komen?’ wordt er gevraagd. Vanaf het begin tot het bittere einde, als Pilatus vraagt waar Jezus vandaan komt en Jezus geen antwoord geeft, en op de vraag of Hij koning is repliceert met ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld’: steeds blijft Jezus ongrijpbaar. En zelfs in de dood gedraagt Hij zich niet zoals het een dode betaamt en is Hij niet van de wereld zoals wij die kennen.

Ons wordt beloofd dat ook wij deel kunnen zijn van de ongekende wereld, die Hij voor ons opent. Wie zich met hem verbindt, schrijft de evangelist Johannes, is niet uit bloed of uit begeerte van het vlees of uit de wil van een man geboren, maar uit God (Joh. 1,13). En God is de ongrijpbare bij uitstek, zoals de wind, waarvan je wel het gesuis hoort, maar niet weet waar hij vandaan komt (Joh. 3,8). De gedode, de toch schijnbaar voorgoed uit het land van de levende verbannen Jezus heeft de zwachtels en de zweetdoek achtergelaten die hem bonden en die zijn gezicht bedekten. En Hij is verdwenen, zijn vrienden voor de zoveelste keer stomverbaasd achterlatend. Wat moesten zij hier nu van denken?

Opnieuw bij elkaar gebracht

Het getuigenis van Petrus in de lezing uit de Handelingen van de Apostelen stamt van een tijd waarop zijn vrienden en volgelingen inmiddels wel hadden begrepen ‘hetgeen er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan’ (Joh. 20,9). Zij die hem toen het moeilijk werd allemaal in de steek gelaten hadden, of zelfs, zoals Petrus, hadden gezegd dat zij nooit iets hadden opgehad met hem, die tot hun ontsteltenis als een gevaarlijke verrader werd weggevoerd, gemarteld en gedood, zij waren opnieuw bij elkaar gebracht. Wat Jezus in woord en daad verkondigd had ging door, zo hadden zij begrepen en zij moesten spreken en handelen in zijn spoor, in zijn naam.

Degene die gewogen was en te licht bevonden door de wereld, door zowel de godsdienst als door de politiek, die als onbetekenende lastpak nonchalant terzijde was geschoven – die waarheid waarvan jij zegt te getuigen, wat stelt die nu helemaal voor, had Pilatus spottend gezegd (Joh. 18.38) en de hogepriesters hadden zijn kwetsbare koningschap namens een ongrijpbare God afgewezen en geroepen dat ze geen andere koning wilden dan de keizer, die tenminste echte, betekenisvolle macht had (Joh. 19,15) – de steen die de bouwlieden hadden verworpen, volgens het beeld van de psalm (Ps. 118,22), die was de hoeksteen van een nieuw heiligdom, van een nieuwe stad. Het recht dat Hij belichaamde en dat was weggehoond door hen die geloofden dat zij zich dit gemakkelijk konden permitteren, is het recht waarmee alles en allen zullen worden geoordeeld. Het is Gods recht, het recht waarnaar alles wat op aarde recht heet hooguit verwijst. Zijn ongrijpbaarheid, zijn vrijheid die zelfs geweld en dood weet te trotseren, is onze bestemming van waaruit wij nu alvast kunnen leven.

Deze boodschap had de zijnen opnieuw bij elkaar gebracht en zij konden het niet anders zien dan dat Hij hen opnieuw bij elkaar had gebracht. Vanuit de overkant van de dood bleek Hij nog altijd te handelen: ongrijpbaarder nog dan eerst, onontkoombaarder dan ooit. Voortaan verkeerde Hij bij de God die zijn Vader was en via hem ook de Vader van de zijnen en voortaan manifesteerde zijn weg, die met de hulp van hen die in deze wereld macht nastreven naar de dood had geleid, zich als de weg naar het ware leven (vgl. Joh. 14,6). Een leven in ongrijpbaarheid, in vrijheid om het goede te doen en het goede te belichamen, niet gestuurd door illusies, niet geleid door angst, niet beheerst door macht en het streven macht te behouden. Het is de vrijheid van de vreemdeling, degene die nooit helemaal thuis is en daarom weet dat het niet waar is als er gezegd wordt: ‘Het is jammer, maar het kan niet anders’. Alles is en kan altijd anders, niets staat definitief vast, zelfs de dood niet.

Houvast

Maar kunnen wij, willen wij wel in deze onzekerheid leven? Is het niet beter dat vastligt wat geboden is, waaraan wij ons te houden hebben en waaraan wij elkaar kunnen houden, de vreemdelingen onder ons kunnen houden? Is het niet gemakkelijker houvast te hebben aan een beeld, een herkenbaar gedachtegoed, een identiteit als een erfenis die je kunt beheren en beheersen? Valt er wel te leven met het besef dat wat onmogelijk heet mogelijk kan zijn en misschien zelfs wel geboden. Valt dan wel te voorkomen dat je minstens het gevoel hebt dat je hulpeloos ronddwaalt in het duister dat immer steeds weer oppermachtig blijkt?

Dit lijkt de zorg van Maria Magdalena. Waar Petrus en de naamloze leerling die Jezus bijzonder bemint zonder commentaar zien hoe Jezus de attributen van de dood in het graf heeft achterlaten, daar wordt ons vertelt dat Maria Magdalena bij het graf stond te huilen. Zij beseft dat haar niets is overgebleven. Alles wat aan haar geliefde leermeester herinnert is verdwenen, zij voelt zich definitief verlaten. Maar Jezus, die zelf heeft staan huilen bij het graf van Maria’s dode broer Lazarus, toont zich aan Maria de waarlijk levende. Zij hoopt het verloren beeld van haar leermeester terug te krijgen en bij zich te kunnen houden, degene dankzij wie zij is geworden wie zij nu is.

Maar als Jezus haar naam noemt, ten teken dat Hij ziet wie zij is en wat zij verlangt en opnieuw de door haar verloren gewaande verbinding met haar aangaat, herkent zij hem in deze onverwacht nieuwe verbinding. ‘Maria!’ Raboeni, mijn meestertje! Zo toont Jezus zich als wie Hij tijdens zijn leven ook was, de altijd en steeds opnieuw ongrijpbare, degene die vrijmaakt en niet vastlegt, anderen niet vastlegt, zichzelf niet vastlegt, maar altijd weer raakt en zich laat raken, anderen verandert en zichzelf anders en veranderend toont.

De ruimte van God

Maria, zo wordt ons verteld, ziet in het graf, op de plaats waar Jezus gelegen heeft, twee engelen, één aan zijn hoofdeind en één aan zijn voeteind. Het verwijst naar de cherubs op de Ark van het Verbond, waarboven Gods Aanwezigheid onzichtbaar en ongrijpbaar troont, meetrekkend met het volk Israël door de woestijn (Ex. 25,18). Als Maria Magdalena Jezus niet probeert vast te houden zoals zij hem kent, als wij ons vaststaande beeld van Jezus in vertrouwen weten los te laten, dan blijft de in hem levende aanwezigheid van God voor altijd bij ons en verbindt Hij zich steeds opnieuw met ons, ons leven vernieuwend waar wij ook zijn, en het omvormend tot een begin van wat goed is en waar. Wie niet bang is voor de eenzaamheid van Jezus’ weg, die wordt door hem vergezeld, bij name gekend en geroepen tot het volle leven. Hij gaat voor ons uit en wij rusten met alles wat is in de ruimte die Hij vrijmaakt en vrijhoudt: de ruimte van God, de ruimte van het stralende licht van Gods liefde. – Alleluia

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

*