Home » Columns » ‘O die dag, die dag der wrake…’

‘O die dag, die dag der wrake…’

Het einde van het kerkelijk jaar staat in het teken van de dood, van het feit dat ons leven zomaar afgebroken kan worden en dat er dan een oordeel over wordt geveld. Waarom precies weet hij niet, maar Erik Borgman beleeft dit jaar deze periode bijzonder intens. Over het belang van verontrusting.

Door Erik Borgman

De doordeweekse evangelielezingen, volgens het rooms-katholieke leesrooster, gaan in de laatste weken van het kerkelijk jaar over Gods rijk dat binnenbreekt en dat haaks staat op het leven dat wij leiden en niet zomaar beantwoordt aan onze verwachting.

Rijk van God

Als de farizeeën, volgens het Lucasevangelie, aan Jezus vragen wanneer dat rijk van God dat Hij aankondigt eigenlijk komt (Lucas 17,20) , antwoordt Jezus met wat meestal vertaald wordt als: “Je kunt het koninkrijk van God niet waarnemen.”  In het Grieks staat er echter zoiets als “het koninkrijk van God komt niet met voortekenen”, zoals de stand van de sterren vaak geacht worden een voorteken te zijn. Het gaat dus niet om het waarnemen van symptomen en indicatoren en de komst ervan staat niet in de sterren geschreven. Hoe dan wel? Wat er staat is lang vertaald door het koninkrijk van God is “in jullie”. Dat is naar de letter correct, maar het leidde tot het misverstand dat het om het individuele hart zou gaan en daarom lezen wij in hedendaagse vertalingen meestal “te midden van jullie” of “midden onder jullie”.

Onze uiteindelijke bestemming dient zich niet aan in uiterlijke kenmerken, maar in de wijze waarop deze kenmerken worden waargenomen en wij erop ingaan. Het koninkrijk van God dient zich overal aan – “zoals de opflitsende bliksem, die schittert van het ene einde van de hemel tot het andere”, zegt Jezus (vers 24) – voor wie bereid is zichzelf van de komst ervan afhankelijk te maken. Dit noemde mijn leermeester Edward Schillebeeckx (1914-2009) in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw: het primaat van de praxis boven te theorie. Wie kwaad ziet, moet zich niet allereerst afvragen of verzet daartegen zin heeft, maar zijn eigen inzicht beschouwen als teken van de ‘weerloze overmacht’ – de term is van Hendrikus Berkhof (1914-1995) – van het goede, dat van Godswege zijn koninkrijk vestigt.

Dies irae

Een koor waar mijn vrouw in zingt voerde een requiem uit. November is nog altijd de maand van het gedenken van de gestorvenen. Ik ging luisteren en mijn aandacht werd behalve op de muziek gericht op de tekst van het ‘Dies irae’, de zogenoemde sequentie die vóór de liturgievernieuwing van het Tweede Vaticaans Concilie een vast bestanddeel van de rooms-katholieke uitvaartmis was.

Vandaag de dag ervaren veel mensen in onze streken dat de dood te vroeg komt of te laat. Het leven is ofwel nog niet ten volle geleefd, ofwel is eigenlijk de moeite van het leven al niet meer waard. In het ‘Dies irae’ verschijnt de dood echter als de aankondiging van een angstaanjagend oordeel. De tekst is een lange uitweiding over wat er in Psalm 130 (vers 3) in uiterste bondigheid wordt geformuleerd als: “wanneer Gij, God, zonden gedenkt, blijft niemand overeind.” Gedenk de zondigheid van de gestorvene niet, smeekt het ‘Dies irae’, maar bekijk haar of hem met de barmhartigheid die Jezus naar ons vaak zo armzalig menselijk bestaan deed afdalen.

Ondank al mijn theologische bezwaren tegen zinnen als – in Nederlandse vertaling – “rechtens moet Gij u wel wreken, / maar ik vraag mij vrij te spreken / voor het oordeel aan zal breken”, waarin God verschijnt als verscheurd tussen zijn rechtvaardigheid en zijn barmhartigheid, leek mij de gedachte dat er over ons geoordeeld wordt van groot belang. Tegenwoordig praten wij bij uitvaarten bijna alleen nog maar over de goede kanten van overledenen en nauwelijks nog over hun tragische of schuldige falen. Alsof er geen pijn rest en er niets te vergeven valt, alsof  wij niet jammerlijk tekortschieten wanneer Gods absolute goedheid als maatstaf zou worden gehanteerd, alsof dit alles niet zijn sporen achterlaat. Alsof het geen wonder is dat de altijd dubbelzinnige woorden en daden van ons mensen, niettemin instrumenten worden van het goede. En alsof wij die dubbelzinnigheid niet vaak nog aanzienlijk vergroten, terwijl wij dat ook hadden kunnen voorkomen. Dies irae, dies ille, “O, die dag, die dag der wrake…”

Illusie van de eigen onschuld

“Wat zal ik te zeggen wagen, / wie als pleitbezorger vragen, / waar rechtvaardigen zelfs versagen?” Ik had de avond tevoren de film ‘I Am Not Your Negro’ gekeken van de Amerikaanse regisseur Raoul Peck. De film is gebaseerd op een gepland, maar nooit geschreven boek van de zwarte Amerikaanse schrijver James Baldwin (1924-1987) over drie vermoorde zwarte leiders die hij persoonlijk gekend heeft: Medgar Evers († 1963), Malcolm X († 1965) en Martin Luther King († 1968). Het is een uiterst indringende film die laat zien hoezeer de last van de American Dream op zwarten is afgewenteld.

Baldwin stelt dat de toekomst van de Verenigde Staten afhangt van de wil, het vermogen, maar bovenal de moed van witten om in te zien dat zij alles waar zij bang voor zijn projecteren op zwarten en zo de negers scheppen die zij vervolgens uit zelfverdediging menen te moeten onderdrukken, mishandelen en doden. Witten zijn, zegt Baldwin, blind voor wat zij aanrichten – ‘zij weten niet wat zij doen’, zegt Jezus – maar het is schuldige blindheid, erop gericht de illusie overeind te houden van de eigen onschuld. Om zichzelf onder ogen te kunnen komen zorgen zij ervoor zwarten niet te zien als wat zij zijn: mensen die proberen hun leven op te bouwen en te leiden, zoals zijzelf dat ook proberen.

‘Red mij, bron van troost en leven’

Zie ik anderen steeds zo?, vraag ik mij met schrik af. Hoe zit het met mijn onvermogen mijn eigen verantwoordelijkheid te zien, mijn weigering mij schuldig te weten, of deze schuld werkelijk door te laten dringen? Mijn gebrek aan werkelijk inzicht dat het leven dat wij normaal zijn gaan vinden, gebaseerd is op illusies die doorbroken moeten worden en voor velen altijd-al doorbroken zijn omdat zij hen slachtofferen? Mijn gebrek aan geloof dat bekering, dat mijn bekering, nodig is? “Als de Rechter is gezeten: wat geheim is, wordt geweten, niets blijft strafloos of vergeten. (…) Koning voor wiens macht wij beven, die uw heil’gen het heil zult geven: red mij, bron van troost en leven.”

 

 

erik_borgman nw2 » Lees ook andere artikelen van Erik Borgman

 

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email

1 reactie

  1. Borgman stelt over het aangekondigde koninkrijk van God door Jezus: “Wat er staat is lang vertaald door het koninkrijk van God is “in jullie”. Dat is naar de letter correct, maar het leidde tot het misverstand dat het om het individuele hart zou gaan en daarom lezen wij in hedendaagse vertalingen meestal “te midden van jullie” of “midden onder jullie”.” Een misverstand, of toch wensdenken vanuit preoccupatie met een vorm van bevrijdingstheologie? Het is minstens een eenzijdige, bevooroordeelde visie, want niet door de hele kerk gedragen in verleden en heden. Het miskent de allegorische kant van de Blijde Boodschap, en daarmee de facto ook de christelijk mystieke traditie!

    Ik vrees dat Borgman dus toch ook hier weer laat zien dat hij het verhaal van Jezus nog niet goed gelezen en begrepen heeft. Hij miskent ook in zijn idealisme de ware aard van de mens én de blijvende toestand van al het geschapenen: nooit af maar altijd in ontwikkeling, met ieder op een eigen niveau functioneren; nooit allemaal tegelijk verlicht of volmaakt!

    Christus heeft ons ook geen definitieve, allesomvattende toestand van heil en zaligheid beloofd voor alle mensen tegelijk op aarde, maar het heil van individuele mensen bewerkt: bekering, innerlijke vrede, leven uit de liefde die IN ons is maar ruimte nodig heeft (moet krijgen voorbij onze IK-gerichtheid en doorslaand intellectualisme enz.) om handen en voeten te geven aan de verlossing van anderen en de overige, voor ons bereikbare delen van de schepping. Hij – plus de evangelisten en profeten daarvoor én in zijn voetspoor – vroeg om bekering, vertrouwen, geloof, gebed, Godvrezendheid enz. Daarvoor is bevestiging / godservaring nodig die door gebed en volgehouden psychologische schriftbeschouwing binnen het bereik van vrijwel ieder gezond mens ligt. En dat geldt ook nu nog én in de toekomst. De socialistische heilstaat is een utopie, om niet te zeggen de dood in de pot voor alle geestelijke en materiële ontwikkeling, en dus waanzin om na te streven!

    Als wetenschapper vergeet Borgman ook de kern van het oorspronkelijke kluizenaarsideaal van de profeet Elia (9e eeuw voor Chr.), dat o.a. door de karmelieten is vastgehouden, namelijk: ‘door eigen arbeid en gestadige oefening m.b.v. de goddelijke genade trachten te bereiken (dat we) God een hart aanbieden, heilig en gezuiverd van alle smet van zonde.’ (Tevens, maar louter door Gods genade ons gewordend:) ‘niet slechts na de dood, maar reeds hier op aarde levend eniger mate de inwerking van de goddelijke tegenwoordigheid en de zoetheid van de hemelse heerlijkheid in ons hart smaken en in de geest ervaren.’ (Citaat uit “Liber de Institutione primorum Monachorum” ofwel: “Het eerste boek der monniken”, geschreven door Johannes, 44e bisschop van Jeruzalem ca. 412 na Chr. [Nederlandse vertaling door I. Rosier O.Carm. en R. Mollink O.Carm. Boxmeer, 2002; 2010.) Dat dit niet tot pure navelstaarderij leidt, daarvan heeft o.a. prof.dr. Titus Brandsma O.Carm. met zijn leven en werk getuigd! Vergeten?

    M.a.w.: Beloof mensen geen geluk van en of voorspoed in de wereld die God niet aan de wereld beloofd heeft! Juist omdat we hardleers zijn en iedere generatie, ja individueel weer moeten leren wat de wetten en grenzen aan de wereld zijn (en daarmee de wijsheid van de goddelijke wet!), zal ellende op ellende gestapeld blijven. In de Lezingendienst – onderdeel van het Getijdengebed – krijgen we dat deze weken ook weer indringend mee, m.n. waar Sint Augustinus zich in zijn Sermo de pastoribus (preek over de herders) 10-11 bezint op Ezechiël 34, 4 (‘Het verzwakte dier hebt gij niet versterkt, het zieke dier niet genezen (enz.) maar het gezonde dier hebt gij afgebeuld.’), Sir. 2 (‘Bereid je voor op beproeving’) en 2Tim. 3, 12 (‘Allen die in Christus godvruchtig willen leven zullen vervolgd worden’) herhaaldelijk aanhaalt. En terecht.

    Wanneer raadt men de mensen weer eens om zelf Schrift en Traditie te raadplegen en overwegen?! Het zogenaamd nieuwe, moderne kan immers ook gemakkelijk nieuwlichterij zijn, die ons op het verkeerde been zet!

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*