Home » Columns » Thuisgevoel

Thuisgevoel

Was de staat tot voor kort een laatste veilige bedding (na de verzwakking van sterke instituties als kerk, buurt en gezin), de laatste jaren krijgen burgers steeds vaker te horen dat ze zichzelf moeten zien te redden. Geen wonder dat velen zich verweesd en kwetsbaar voelen en verlangen naar een ‘thuisgevoel’, constateert René Grotenhuis.

Door René Grotenhuis

Jan Willem Duyvendak heeft een boek geschreven met de titel ‘Thuis’. Ik heb het boek nog niet gelezen maar de auteur, hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam en bekend publicist over sociale vraagstukken, was zo vriendelijk om via het dagblad Trouw mij alvast te vertellen waar het over ging. Twee dingen heb ik eruit opgepikt.

Het eerste is dat we obsessief met thuisgevoel bezig zijn en dat we wat dat betreft verwachtingen hebben van een soort nationaal thuisgevoel die volgens hem nogal overspannen zijn: we zijn met zijn alle geen familie van elkaar.

Het tweede is dat uit alle onderzoek blijkt dat er veel meer eensgezindheid is dan we denken. We zijn best een homogeen land en het zijn eerder de politici die de verschillen uitvergroten dan dat er sprake is van een verbrokkelde samenleving.

Instituties

Duyvendak heeft vast gelijk dat het overspannen is om een soort familiegevoel te hebben bij ons als Nederlanders. De vraag is of die overspannen verwachting zomaar uit het niets komt. Ik denk het niet. Wie naar de laatste halve eeuw kijkt, ziet dat de instituties die in het verleden zorgden voor sociale en emotionele veiligheid en bescherming ofwel zijn ontmanteld ofwel veel van hun betekenis hebben verloren.

Gezin en familie waren tot de vorige generatie van mijn ouders de veilige bedding waar je altijd op terug kon vallen. Toen het gezin van mijn opa in de crisisjaren, voor de oorlog, te lijden had door werkloosheid was er de familie waar hij in nood aan kon kloppen. En als het niet de familie was dan waren het wel de buren of de kruidenier die krediet gaf en soms ook wel eens iets doorhaalde als hij in de gaten had dat het gezin echt heel zwaar zat.

Maar gezin en familie zijn flink in betekenis afgenomen. Gezinnen zijn kleiner en familieleden wonen verder weg, hebben allemaal hun eigen leven. Echtscheidingen hebben huwelijk en gezin gemaakt tot iets waar je risicoanalyses op moet los laten en waarop je je moet voorbereiden via huwelijkse voorwaarden en andere beschermingsconstructies.

De kerk als sociale institutie waar je sociale en emotionele veiligheid vond, is vrijwel verdwenen. Gelukkig maar, afhankelijk zijn van de bedeling van de diaconie of de armenzorg was bepaald geen vreugde. Eerder vernederend zoals dat soms nu nog voor de voedselbank geldt.

Tot aan de generatie van mijn ouders waren ook bedrijven stabiele sociale instituties waar van vader op zoon gewerkt werd. Tussen 1880 en 1970 gingen vaders, zonen en kleinzonen naar dezelfde fabriek van Philips, Werkspoor, Stork of ten Cate. Ze begonnen in de bedrijfsvakschool en waren daarna verzekerd van werk.

Grote winnaar

In die afbrokkeling van instituties is de staat als de grote winnaar tevoorschijn gekomen. Het afnemende belang van familie en buurt en het wegvallen van de kerk werd ruimschoots gecompenseerd door een steeds verdergaande uitbreidingen van de voorzieningen van de staat; kinderbijslag, AOW, Bijstandswet, WAO, en een steeds groeiend pakket aan zorgvoorzieningen zorgden ervoor dat niemand afhankelijk hoefde te zijn en iedereen zich kon verlaten op de staat.

De verwachting van thuisgevoel bij de natiestaat komt niet zomaar uit de lucht vallen. Individualisering (familie en buurt), secularisering (kerk) en globalisering (werk) hebben instituties uitgehold: de staat lijkt de laatste bescherming.

En precies die staat heeft de laatste jaren steeds vaker gezegd dat het allemaal niet van haar kan komen en dat we het zelf moeten doen. De bezuinigingen in de zorg zijn misschien niet in de eerste plaats een economisch probleem, maar ondergraven de betrouwbaarheid van de laatste sterke institutie die over is en die de afgelopen decennia de indruk wekte dat ze het wegvallen van andere kon compenseren.

Verweesd en kwetsbaar

Ik verlang niet nostalgisch terug naar het verleden of herstel van kerk. Wie mijn boek Van macht ontdaan heeft gelezen, weet dat. Ik constateer wel dat de afbrokkeling van instituties niet is gecompenseerd door nieuwe die sterk genoeg zijn. Her en der ontstaan nieuwe initiatieven.

Ik sta zelf op het punt met het gezin van mijn dochter een zogenaamd 3-generatiehuis te starten omdat we als familie naar elkaar willen omzien. Maar het ontwikkelen van nieuwe sociale instituties vraagt meer dan een los initiatief dat zich nog moet bewijzen.

Maatschappelijk gezien zijn we nogal verweesd en kwetsbaar. Plekken waar we sociaal en emotioneel terecht kunnen en ons beschermd voelen, zijn er niet meer zoveel.
De verwachtingen van de natiestaat als ons ‘thuis’ zijn misschien overspannen, ze zijn er niet zonder reden.

René Grotenhuis »Lees ook andere artikelen van René Grotenhuis

 

 

Print Friendly, PDF & Email

1 reactie

  1. Een weloverwogen, helder betoog van dhr. Grotenhuis. Zeer herkenbaar. Het verlangen naar een thuis(-gevoel) komt zeker niet ‘uit de lucht gevallen’, en dienen we serieus te nemen. Het ware thuis lijkt mij echter op ‘de bodem van de ziel’ te zijn, en we hebben elkaar ontzettend hard nodig om daarheen te verwijzen en elkaar daarheen op weg te helpen. Een waar thuis is daar waar je gekend en gezien wordt in jouw unieke zijn. Gezondheidszorg, onderwijs, levensbeschouwelijke instellingen (ja, kerken!), buurtnetwerken, gezinnen, kunnen juist daaraan een wezenlijke bijdrage leveren. En of dat nu altijd gelijk ook weer in geld uitgedrukt moet worden…..

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

*