Home » Het maakbare leven » Aan- en afwezigheid van de liefdeservaring in de mystiek van Hadewijch

Aan- en afwezigheid van de liefdeservaring in de mystiek van Hadewijch

Wij, moderne mensen, hebben een moeizame verhouding tot de liefde. We overvragen haar in een soort van Hollywood-ideaal en tegelijk missen we daardoor het onvoorwaardelijk gedragen worden in de alledaagsheid van de liefde. Theoloog en literatuurwetenschapper Sander Vloerberghs volgt hier de analyse van de bekende Vlaamse psychiater Dirk De Wachter. In de liefdesmystiek van de middeleeuwse mystica Hadewijch onderzoekt hij een alternatief model voor de liefdeservaring, een model waarin pijn, verdriet en gemis evengoed een plaats krijgen als genot, extase en vervulling.

Door Sander Vloeberghs

“Wat is liefde?” is een vraag die de mens al eeuwen bezighoudt, hoewel we het antwoord steeds schuldig moeten blijven. Het is de frustratie van menig dichter en minnaar dat wat het menselijk leven zo bepaalt, steeds onvatbaar blijft. We hebben wel bepaalde eigenschappen, bepaalde herkenningspunten en raakvlakken die we verbinden met het fenomeen liefde maar haar essentie kunnen we nooit omvatten. Dit mag ons niet ontmoedigen om haar ondoorgrondelijkheid verder te verkennen. Liefde inspireert bovenal, en zonder liefde vervalt het menselijk leven tot een kaal en leeg bestaan. Liefde verbindt ons als mensen, als minnaars en geliefden, het verweeft alle afzonderlijke verhalen tot een meesterwerk. Het is een verhaal van af- en aanwezigheid, van pijn en verdriet maar ook van extase, genot en vreugde.

Hoe aan- en afwezigheid zich tot elkaar verhouden in dit liefdesverhaal krijgt vaak een unieke invulling, afhankelijk van de cultuur en het tijdsgewricht. Ondanks haar onvatbare natuur, heeft de mens en de cultuur vaak impliciete noties van wat als liefde (h)erkend wordt. We groeien op in een bepaalde liefdescultuur die ons in zeker zin meegeeft hoe en wie we mogen beminnen. Deze minneregels blijven vaak impliciet en onbesproken. Nochtans is het heel belangrijk om ons bewust te worden van welke dynamieken onze liefdesbeoefening beïnvloeden. Ik neem daarom de geprezen werken van Belgische psychiater Dirk De Wachter ter hand om samen met hem na te denken over de liefde en hoe deze vandaag beoefend en beleefd wordt. De Wachter staat zeer kritisch tegenover on ze maakbaarheidscultuur, een cultuur die zelfs van iets mystieks als de liefde een maakbaar product maakt. Als antwoord op zijn diagnose presenteer ik de dynamieken van af- en aanwezigheid in het liefdesspel van de middeleeuwse mystiek: een liefdesspel uit een andere tijd, met andere spelregels, maar met een uiterst interessante en relevante insteek voor de minnaar vandaag.

Dirk De Wachter – Liefde, een Onmogelijk verlangen?

In zijn boek Liefde, een onmogelijk verlangen? gaat Dirk De Wachter in op het vraagstuk van de liefde en botst hij op een eigenaardige tegenstrijdigheid, namelijk het verlangen naar blijvende liefde enerzijds en de kickcultuur anderzijds. Dit gaat samen met de eigen paradoxale natuur van de liefde: ze is zowel de passie en de extase als het alledaagse en het gekende. De minnaar zoekt zowel extatische gelukservaringen als onvoorwaardelijke trouw. Hij stelt vast dat de mens vandaag van zijn partner een wederzijds onvoorwaardelijk engagement verwacht, maar dit engagement niet boven zijn eigen zoektocht naar geluk plaatst. Wanneer een relatie geen geluk meer kan garanderen, dan wordt het onvoorwaardelijk engagement afgebroken. De liefde vandaag laat geen pijn meer toe; afwezigheid van geluk wordt genadeloos afgestraft. Deze paradox doet verscheidene minnaars lijden, ironisch genoeg. In de hopeloze zoektocht naar geluk, sluit de moderne mens vaak zijn kans op onvoorwaardelijke liefde uit en dit leidt tot pijn en liefdesverdriet.

De liefdesrelatie lijkt aldus geen garantie op geluk meer te bieden. Toch wordt ze vaak voorgesteld als een paradijselijke toestand, een toestand die geen ongeluk toelaat maar een ononderbroken keten van passionele momenten kent. De Wachter spreekt van de Hollywoodinvulling van de liefde. De minnaar schijnt vandaag de plicht te hebben om dit Hollywoodideaal te imiteren, en mag hierin niet falen. Het falen in de liefde gaat samen met het falen als mens, als individu, stelt De Wachter. Liefde is immers, net zoals zoveel fenomenen – zoals bijvoorbeeld geluk en de identiteit – een maakbaar product geworden. We hebben de verantwoordelijkheid om onze relaties te maken en ons geluk na te streven want wij zijn de bricoleurs die de touwtjes in eigen handen hebben.

Nochtans – en dit is het wrede cynisme in dit verhaal – laat de liefde zich niet maken door mensen en zijn deze liefdesbricoleurs dus gedoemd om te falen. De liefde ontsnapt ons steeds, ook al willen we haar zo graag bezitten; ook al doet de minnaar zo zijn best, hij kan van haar geen beloning afdwingen. De liefde laat zich niet inperken, ze laat zich niet reduceren tot wat wij van haar verwachten. Ze daagt het ik-gecentreerd individu uit om de ander binnen te laten en lief te hebben, want de beminde is steeds verschillend van de minnaar (anders spreekt men van een narcistisch verlangen).

De echt minnaar gaat dus niet op zoek naar zijn spiegelbeeld, maar naar een gelijke, een uniek mens. De liefde houdt daarom steeds het vreemde in, het ongekende dat zich niet enkel toont in passie en verlangen, maar ook in afwezigheid en pijn. De Wachter stelt ons daarom voor om te leren om ongelukkig te zijn, om te leren om te gaan met de afwezigheid van liefdeshoogtepunten en opnieuw de banaliteit van het leven op te zoeken. Het is immers daar waar de liefde zich het duidelijkst toont, in de trouw aan haar geboden ook al lijkt ze zelf afwezig.

Hoe kunnen we dit leren? Uit woorden en verhalen, meent De Wachter. Deze zijn schaars geworden in onze twitter-cultuur. De liefde wordt nog nauwelijks in haar complexiteit benaderd, en dit maakt praten over liefde moeilijk. We hebben niet voldoende woorden om de schaduwkant van de liefde in beeld te brengen. Onze beeldtaal raakt langzamerhand uitgeput en de onnoembare liefde drijft steeds verder af. De liefde die De Wachter mystiek noemt, is groter dan ons menselijk kader en ontsnapt aan het menselijk registers. Om de kloof te dichten is het belangrijk om het verhaal van de liefde steeds opnieuw te vertellen en onze taal opnieuw te verrijken, ook al schiet deze intrinsiek tekort.

Ik stel daarom voor om te luisteren naar een uniek liefdesverhaal, een liefdesverhaal dat zich voltrok in de eerste helft van de dertiende eeuw in het Vlaamse landschap. Het gaat over het mystieke liefdesverhaal van de befaamde Hadewijch, de grote dichteres die als een van de eerste onze Nederlandse taal hanteerde om haar liefde voor God, voor Christus, uit te drukken. Deze liefdesmystiek is dus niet – zoals De Wachter de mystiek voorstelt – onzegbaar en anti-talig. Ze drukt zich juist uit in poëzie en beeldtaal, in ontroerende verzen die ons vandaag nog steeds kunnen raken.

Hadewijch

Over Hadewijch als historisch figuur weten we jammer genoeg zeer weinig; de bronnen zijn schaars. We hebben namelijk enkel haar eigen oeuvre waarop we ons kunnen beroepen. Hadewijch schreef 45 gedichten (die waarschijnlijk gezongen werden; onderzoek toonde aan dat sommige gedichten geschreven werden op bestaande melodieën uit de minnelyriek), 14 visioenen (die Hadewijch waarschijnlijk schreef voor een hartsvriendin), 31 brieven en 16 brieven op rijm. Uit deze bronnen kunnen we afleiden dat Hadewijch een leidingfunctie innam; dat ze een geestelijke moeder was van een groep vrouwen. Hadewijch had zelf een zeer goede scholing genoten; ze las en vertaalde Frans en Latijn en kende de grote meesters uit de mystieke traditie (zoals bijvoorbeeld Augustinus en Bernardus van Clairvaux).

Hadewijch is een brugfiguur tussen enerzijds de traditie van de minnemystiek (die een sterke opmars maakte door de twaalfde-eeuwse lezing van het Hooglied) en anderzijds de minnelyriek (de hoofse liefde in de profane literatuur). Hadewijch brengt dus twee verschillende liefdestradities samen. Haar poëtische mystiek focust daarom voornamelijk op de liefde, die zij Minne noemt. Ze leest in de eerste Johannesbrief dat God Liefde is – en dit vers inspireert haar en doordringt haar gedachtegoed. Haar mystieke theologie vertrekt dan ook vanuit de idee dat de Minne goddelijk is. Ze gaat er vanuit dat men in de ervaring van beminnen God kan ontmoeten, die zelf de oorsprong van de liefde is. De vraag wat liefde nu precies is  – en daarom wie God is in zijn relatie tot de mens – domineert Hadewijchs gehele oeuvre.

Hadewijch, als spirituele leidster, neemt haar leerlingen mee in haar gedachtegang en dwingt hen om zelf te ervaren wie God als Liefde is. Net zoals bij de mystieke auteurs voor haar is Hadewijchs mystiek een ervaringsmystiek: de geloofswaarheden moeten in de eerste plaats ervaren worden, en niet bestudeerd. Haar ervaring van de Liefde (van God) is heel complex en verschilt zowel van de ervaring van haar tijdsgenoten, als van de interpretatie van de moderne lezer. Ook wij kennen een sterk op de ervaring gerichte cultuur, maar deze zoektocht naar ervaringen beperkt zich tot een bepaald soort ervaringen. Hadewijch biedt ons een unieke kans om de Liefde vanuit een ander perspectief te bekijken, een perspectief dat ons misschien wel tot betere minnaars kan maken.

Goddelijke aanwezigheid

Onze cultuur is een cultuur van de ervaring. Wie gelukkig wil zijn, moet verschillende (liefst unieke en authentieke) ervaringen opdoen, zo lijkt het. Geluk is maakbaar en ervaringen zijn de bouwstenen die ons leven zin geven, die ons gelukkig maken. Het is dan ook niet verrassend dat zoveel jongeren (en ook wel oudere generaties) vandaag de dag de wereld willen rondreizen en unieke levenservaringen willen opdoen. Als ons geluk maakbaar is, dan is het onze plicht om te reizen en die unieke ervaringen na te jagen – op zoek naar het vergankelijke geluk. De mens leeft van de ene ervaring naar de andere, tussenin is er geen ruimte voor het banale, het gewone (tenzij het banale ook verkocht kan worden als een authentieke ervaring). Zoals De Wachter aanhaalt in zijn boek, leven we in een cultuur van de kick. Ook in onze liefdesrelaties willen we enkel positieve ervaringen nastreven. Een relatie lijkt niet compleet als het koppel geen leuke dingen samendoet, quality time beleeft. Het koppel zoekt samen naar geluk op basis van verschillende gedeelde ervaringen.

Mijn initiële analyse lijkt eerder kritisch – dat is ze ook – maar ik wil vooral een contrast schetsen tussen het hedendaags verstaan van de ervaring (als bouwsteen van het geluk) en Hadewijchs inzicht in de mystieke ervaring. Hadewijch merkt eenzelfde zoektocht naar de ervaring op bij haar tijdsgenoten, hoewel deze mystieke ervaring bij hen een andere invulling krijgt. Ze stelt vast dat ze gebrand zijn op het beleven van een bepaald aspect van de mystieke ervaring, namelijk de ervaring van Gods aanwezigheid. De dertiende eeuw, de eeuw van Hadewijch, is een periode van spirituele bloei, een periode waar de mystiek ook het gewone volk bereikt (de leken). De mystiek verstrengelt zich met de volksdevotie. De mystieke ervaring treedt buiten haar oevers, ze breekt buiten de kloostermuren waar ze de vorige eeuwen voornamelijk beleefd werd. Ook de leken willen God ontmoeten. Ze zijn niet langer tevreden met enkel de sacramentele vereniging met God, hoewel de sacramenten (en dan voornamelijk de eucharistie) hoogtij vieren. Ook naast de sacramenten wil men God ervaren.

Hadewijch geeft in haar veertiende gedicht aan dat deze zoektocht naar ervaringen niet noodzakelijk slecht is, maar dat men moet opletten om bepaalde cruciale aspecten van de ervaring niet uit te sluiten. In dit gedicht, dat in de literatuur de titel De school van de Liefde krijgt, gaat Hadewijch in op de verlangens van haar tijdsgenoten, het verlangen om Gods aanwezigheid in hun liefdeservaring te jubileren en te vieren. Ze schrijft:

Het is heel treurig dat wij dolen en dat de hoge wijsheid ons verborgen blijft, die minne aan de meesters heeft toevertrouwd, die les geven over edele minne. De edelste les in de school van de minne is hoe men aan minne kan voldoen.

Maar diegene die voortijdig concluderen al is het dat ze jubileren en feestelijk hun lief salueren na korte tijd, pas als ze met het lijden accorderen zullen ze de les begrijpen.

Maar degenen die hier met hun lief willen spelen en vervolgens met veel gevoel willen dansen, en daarbij lustig willen kussen, ik zeg hen wel van tevoren: ze moeten zich goed met deugden tooien of anders is de les voor niets. [1]

De ervaring van Gods liefde die hier bejubeld wordt, is dus volgens Hadewijch niet intrinsiek slecht, maar ze is onvolledig. De mystieke ervaring gaat immers niet enkel over vreugde en genot. Integendeel, Hadewijch beklemtoont in het gehele gedicht de pijnlijke kant van de minne. De minnaar moet met het lijden van de minne accorderen en deugdzaam zijn (vaak het lijden geduldig dragen en trouw blijven) als hij een echte minnaar wil worden. De minne geeft immers niet enkel plezier, maar verwondt de minnaar ook. Zij die enkel de genotsvolle ervaringen nastreven, begaan een grote vergissing. Ze missen namelijk een cruciaal onderdeel van de liefdeservaring met God (of de liefdeservaring tout court), namelijk dat de liefde ook pijn doet. Wie deze liefde authentiek wil beleven, moet zich laten verwonden en zich overgeven aan de minne, die groter is dan het menselijke geluk.

Het verwond worden door de minne krijgt in dit gedicht een prominente plaats. Hoewel dit thema van liefdeswonden in de gedichten met de meeste passie bezongen wordt, weerklinkt het thema in Hadewijchs volledige oeuvre. Zo vinden we in de zesde brief een gelijkaardige passage waarin de mystica opnieuw de zoektocht naar Gods aanwezigheid onder vuur neemt:

Hierin mint tegenwoordig ieder zichzelf: in troost en in rijkdom en in luister wil ieder met God leven en in zijn genietende heerlijkheid zijn. We willen allen wel God zijn met God; maar, God weet het, weinigen van ons willen als mens leven met zijn Mensheid en willen met Hem zijn kruis dragen en met Hem gekruisigd worden en de schuld der mensheid ten volle uitboeten. [2]

Velen willen leven zoals God, in zijn goddelijke aanwezigheid, maar weinigen zijn geroepen om ook de keerzijde van de medaille ten volle te beleven, namelijk de goddelijke afwezigheid en de pijn van het kruis. Men kiest ervoor om pijn, een intrinsiek menselijke ervaring uit te sluiten. Men wil niet leven als mens, maar als God. Deze mensen volgen volgens Hadewijch de eigen wil en zijn daarom zeer wispelturig. Ze streven geluk en goddelijke ervaringen na, ze tonen geen verantwoordelijkheid en engagement. Deze mensen zijn vaak lichtgeraakt en haken af na de minste tegenslag. Ze zetten niet door tot het einde maar raken juist snel ontmoedigd. Ze vergelijkt deze mensen met de figuur van Simon die tegen betaling Christus’ kruis droeg, maar niet het volledige lijden op zich nam. Ze willen beloond worden voor hun verlangen naar God en ze jagen deze beloning (dit geluk) na.

Hiertegenover plaatst Hadewijch de figuur van Christus die leed voor onze zonde. Christus droeg zware lasten en bleef dit doen tot op het kruis. Hij bleef de wil van zijn Vader trouw. In Christus vindt Hadewijch de ideale minnaar. Deze minnaar is trouw aan de minne en verkiest het eigen geluk niet boven de trouw aan de minne. De minnaar volgt de wil van de geliefde, en van de liefde. Hij streeft geen geluk na en vreest geen verdriet. De mystica wil worden zoals Christus, zoals Christus is in zijn menszijn. Ze wil ten volle mens worden en als mens God liefhebben. Dit houdt onvermijdelijk ook pijn en liefdesverdriet in. Niet enkel de aanwezigheid van de geliefde is dan van tel, maar ook de afwezigheid. Het is tijdens de afwezigheid van Liefde dat de minnaar kleur bekend.

Goddelijke afwezigheid

In haar zesde brief schrijft onze mystica dat Christus’ pijn in geen enkel opzicht verschillend was, of minder zwaar, dan onze pijn. Christus heeft nooit een gunst gevraagd aan zijn Vader en nooit berustte hij in zijn eeuwige zaligheid. Dit theologische inzicht deelt Christus persoonlijk met de mystica in haar eerste visioen – het eerste visioen uit een reeks van veertien visioenen en het visioen dat het brede kader schetst en de belangrijke thema’s introduceert. Een van deze thema’s is Hadewijchs verlangen om Christus in zijn mensheid te leren kennen. De mystica verlangt naar een eenwording met Christus, door samen het menszijn aan te nemen en samen deze ervaring te delen. Ze wil samen met Christus lijden en in dit lijden God ontmoeten. Aan het begin van haar mystieke pad twijfelde ze nog aan de volledige menswording van Christus, tot Hij haar aansprak in het eerste visioen. Christus zei dat Hij Hadewijchs pijn en haar trouw tijdens het lijden erkende, maar vroeg ook van haar om zijn pijn volledig te erkennen. Dit staat te lezen in het eerste visioen:

Je hebt weleens tegen me gezegd, dat het mij gemakkelijk afging als mens te leven omdat ik de zeven gaven had. Dat is waar. En niet alleen had ik de gaven, ik zelf was gave van de geesten, de naam voor deze gaven. En je hebt gezegd dat mijn Vader bij mij was. Dat is waar. We waren geen moment gescheiden. Maar ik zal je over de liefde een verborgen waarheid vertellen die overigens toegankelijk was voor wie het had willen begrijpen: nooit, geen enkel moment maakte ik gebruik van mijn macht om me te redden uit welke ellende dan ook en nooit deed ik een beroep op de gaven van mijn geest: ik kreeg ze met pijn en moeite van mijn Vader – en niet voor de dag waarop het uur van mijn volwassenheid aanbrak. Nooit wijzigde ik mijn smart en mijn lijden door mijn volmaaktheid. Nu heb jij geklaagd over je ellende en je vraagt waarom je dat wat je zo node mist niet van mij krijgt en ik vraag jou: Had jij dan, wanneer je dat gemis voelde , de zeven gaven van mijn geest niet? En ik vraag je: was dan, wanneer je in enig opzicht verlaten was door mijn Vader, mijn Vader niet altijd bij jou, zoals hij bij mij was en ik bij hem toen ik mens was en op aarde leefde? Je bent nu eenmaal een mens, leef dan ook als een mens: ellendig. [3]

Als Hadewijch verenigd wil zijn met Christus moet ook zij volharden in het lijden en de pijn van het kruis geduldig dragen. Men kan het lijden niet omzeilen, dit zou de Liefde afzwakken of zelfs vernietigen. Ook Christus kreeg te maken met een overmaat aan pijnlijke gebeurtenissen, waaronder fysieke pijnen maar ook uitsluiting uit de gemeenschap en uiteindelijk, aan het kruis, ook de ervaring van Godsverlatenheid, een ervaring van existentiële pijn en godsafwezigheid die hij met de woorden: “God, mijn god, waarom hebt gij mij verlaten” uitdrukt (Mc 15,34). Onze mystica gaat in haar werk voornamelijk in op deze pijn van existentiële verlatenheid. Zo weergalmt deze angstkreet, veroorzaakt door de ervaring van goddelijke afwezigheid uiterst passioneel en ontroerend doorheen haar gedichten. Ook in haar brieven spreekt ze over deze ervaring. Ze richt zich in deze brieven aan haar geesteskinderen, haar spirituele leerlingen die net zoals zij vaak te kampen krijgen met existentiële pijnen. In haar eerste brief schrijft ze:

Och lieve kind, ik zeg daar overzoet. Maar zijn zoetheid is mij geheel onbekend; wel is, in het verlangen van mijn hart, het lijden om zijn Minne mij zoet geweest. Maar overigens is hij wreder voor mij geweest dan ooit de duivel was. Want duivels hebben mij nooit kunnen beletten Hem te minnen of iemand in de minne vooruit te helpen dien Hij me had toevertrouwd. Maar zelf heeft Hij het mij belet. Wat hij is, dat verteert Hij zelf in zijn zelfgenietende zaligheid; mij echter laat Hij dolen buiten die zaligheid en laat mij immer gebukt gaan onder het treurige gemis van Minne en laat mij in het duister, verstoken van al die vreugden die anders mijn deel zouden zijn. [4]

De mystica voelt zich verraden door de minne, door God, die zich plots terugtrekt, net nu zij zich volledig overgegeven heeft aan haar passie. Hadewijch heeft zich verloren in haar verlangen naar de geliefde. In een blinde verliefdheid heeft ze haar ziel verkocht aan de minne, die nu gemener is dan de duivel zelf. Na een periode van jeugdige en naïeve gelukzaligheid die ze ervaart in de roes van goddelijke aanwezigheid, wordt ze geconfronteerd met de hardheid van godsverlatenheid. In tegenstelling tot vele van haar tijdsgenoten, volhardt Hadewijch in haar trouw aan God, ook al is God als Liefde niet langer ervaarbaar. De mystica’s pleidooi aan haar mystieke leerlingen focust vaak op dit belangrijk inzicht: namelijk dat echte liefde zich pas toont wanneer de geliefde niet langer exclusief als aanwezig wordt ervaren. De geliefde wordt hier voor het eerst gezien als de goddelijke Andere, de Andere die tegen de eigen natuurlijke wil ingaat en haar pijn kan doen, meer dan de duivel. De duivel kan haar immers niet kwetsen in het diepste van haar menszijn, daar waar ze zich verenigd voelt met God; het is enkel de goddelijke Andere die haar daar kan verwonden. Toch weet Hadewijch dat echte liefde overgave, opoffering en trouw inhoudt, en dat echte liefde deze pijn overbrugt.

Men zou vroegtijdig kunnen concluderen dat Hadewijchs mystiek vertrekt vanuit een masochistische neiging, namelijk een verlangen naar de pijn op zich, de pijn die overblijft als een spoor, een nostalgische herinnering aan de vroegere ervaring van goddelijke aanwezigheid. De goddelijke afwezigheid is dan absoluut, God heeft zich teruggetrokken en de mystica blijft alleen achter. De soms theatrale expressie van de schrijfster lijkt dit af en toe te suggereren, maar theologisch is deze optie ondenkbaar – dit weet Hadewijch die creatief speelt met de dynamiek van aan- en afwezigheid om haar mystieke boodschap over te dragen. God kan immers voor de middeleeuwse geest – in tegenstelling tot het moderne godsbeeld – niet volledig afwezig zijn. Als God de Schepper, afwezig zou zijn, dan zouden we immers ophouden te bestaan, aangezien God ons uit het niets heeft geschapen. God is steeds fundamenteel aanwezig. Christus zegt tot Hadewijch dat de Vader steeds bij hem was tijdens zijn kruiservaring, zijn ervaring van existentiële verlatenheid – en bovendien, dat de Vader ook steeds bij Hadewijch is. God is als Vader steeds aanwezig, ook al wordt hij psychologisch niet steeds als aanwezig ervaren.

Voor Hadewijch bestaat de liefde dus in enerzijds een fundamentele aanwezigheid van de liefde en anderzijds een wisselende subjectieve ervaring van af- en aanwezigheid. Deze wisselende ervaring mag de geoefende minnaar niet beïnvloeden, hij/zij blijft de liefde immers altijd trouw, in pijn en in vreugde, in af- en aanwezigheid. Zo schrijft ze in het eerder geciteerde veertiende gedicht:

“Wie zich door minne een weg heeft gebaand, met diepe honger, met volle verzadiging, hem kan dorheid noch bloei schaden of enig seizoen baten. In de diepste diepte, op de hoogste treden blijft haar wezen gelijk”.[5]

De liefde is steeds fundamenteel aanwezig. Dit drukt ze heel poëtisch uit aan het einde van haar eerste visioen:

In liefde zul je leven en lijden en mijn verborgen wil uitvoeren, waardoor jij van mij bent en ik van jou. En doordat jij me voelt zal ik jou genoeg zijn en jij zult mij genoeg zijn. Dus voer mijn wil met inzicht uit, mijn allerbeminnelijkste geliefde. Koester mij met liefde, jij, die de meeste vreugde aan mij beleeft doordat je het dichtste bij me bent. Dan zul je een zijn met mij in liefde. Dit is de boom van de woorden die ik je nu gezegd heb, hij heet: kennis van de liefde. Er is zo vaak tegen je gepreekt dat je nietigheid je moet benauwen, daarom heb ik je zelf laten zien wat ik van je wil. Je moet nu stilletjes teruggaan en doen wat ik je heb opgedragen. Neem als je wilt bladeren mee van deze boom, dat is kennis van mijn wil. En als je verdriet hebt, pluk dan een roos boven uit de top. Neem daar een bloemblaadje van, dat is liefde. En als je het niet langer uit kunt houden, neme dan van wat binnen in de roos schuilgaat. Dat is hoe ik je mij zal laten voelen. Altijd zul je mij willen kennen, en mijn liefde voelen en bij alle ellende nog de zoetheid smaken met mij een te zijn in liefde. Zo deed mijn Vader met mij toen ik zijn Zoon was. Hij liet me in de ellende maar hij verliet me niet. Ik voelde dat in ons zoete een-zijn en ik diende de mensen naar wie hij me had toegestuurd. Het pure hart van de roos is de ervaring van het zoete genot in de liefde. Sta alle mensen, liefste, in alles zonder onderscheid bij in hun nood of ze je goed of kwaad doen. Liefde zal je daartoe kracht schenken. Geef alles, want alles is van jou”.

De fundamentele aanwezigheid van Gods liefde die gevonden kan worden in de vereniging van de wil van de geliefden verbindt Hadewijch met het beeld van de roos, die steeds bij haar is, en haar de zoetheid van dit verbond kan doen proeven, ook al lijkt God afwezig. Christus gaf zijn wil volledig over aan de Vader aan het kruis terwijl hij de woorden “fiat voluntas tua” sprak, Uw wil geschiede. Vader en Zoon delen een band van fundamenteel vertrouwen. De ene leeft voor de andere. Ook Hadewijch kent deze woorden waarmee de geliefde zich volledig overgeeft aan de beminde en aan de minne zelf. Wanneer ook Hadewijch haar wil onvoorwaardelijk overgeeft aan de minne, zijn beide geliefden verenigd in een fundamentele liefde. Deze fundamentele liefde draagt de mystica en geeft haar de kracht om liefde te delen met haar medemens, net zoals Christus deed. De minne geeft haar de kracht om te worden zoals Christus en volledige vereniging te bereiken in zijn menszijn.

Conclusie

Hadewijchs theologie en haar mystieke inzichten kunnen we niet ongehinderd vertalen naar de hedendaagse context. De Brabantse spiritualiteit tijdens de late middeleeuwen is immers geënt op een verschillend wereldbeeld. Hoewel pijn nog steeds behoort tot onze dagdagelijkse realiteit, wordt het vandaag niet langer geduldig verdragen maar bestreden met moderne geneeskunde. Vaak staat niet langer Christus centraal in ons leven, maar het eigen ik, dat streeft naar geluk. Bovenal, als we de analyse van Dirk De Wachter volgen, wordt het steeds moeilijker voor de hedendaagse minnaar om de andere te ontmoeten als de andere, en de liefde niet te reduceren tot narcisme – wanneer de geliefde op zoek gaat naar zijn/haar eigen spiegelbeeld en zich niet laat uitdagen door de alterniteit van de beminde.

Ondanks het verschil in wereldbeeld, heb ik getracht om enkele bijzondere gelijkenissen te vinden tussen de liefdesbeoefening van middeleeuwse en moderne minnaars, minnaars van mensen en minnaars van God. Hadewijchs interessante bijdrage aan dit liefdesverhaal is haar creatief spel met aan- en afwezigheid waarmee ze duidelijk maak dat Liefde niet enkel gaat over gelukkige momenten maar dat Liefde zo complex is dat het ook pijn en verdriet omvat. Meer nog, deze ervaringen horen wezenlijk bij het liefhebben – of tout court, bij het menszijn dat zijn volwassenheid bereikt in de figuur van Christus, aldus Hadewijch. Ze leert ons om ongelukkig te zijn en in de pijnervaring een diepere laag te vinden waarin liefde fundamenteel aanwezig blijft. De mens is niet in de eerste plaats gemaakt om gelukkig te zijn – als we hieronder verstaan dat hij/zij het eigen geluk moet nastreven – maar hij/zij is gemaakt om lief te hebben. De mens vindt zijn voltooien in het beoefenen van de liefde – niet zozeer in de eigenliefde maar voornamelijk in de radicale liefde voor de andere. De liefde mijdt geen pijn of verdriet, ze blijft bestaan ook al wordt ze soms ervaren als afwezig. De minnaar geeft zich volledig over aan de liefde die groter is dan een mens kan vatten, een liefde die minnaars van alle tijden raakt.

—————

Sander Vloebergs is doctoraatstudent Theologie aan de Katholiek Universiteit Leuven en Literatuur aan de Universiteit Antwerpen. Hij doet onderzoek naar de pijnervaring in dertiende- en veertiende-eeuwse Middelnederlandse mystiek, met een bijzondere focus op de werken van Hadewijch en Jan van Ruusbroec. Naast zijn studie werkt hij ook aan een interdisciplinair kunstproject rond mystieke vrouwen.

sander-vloebergs@hotmail.com

[1] Hadewijch, Liederen, vertaling door Veerle Fraeters en Frank Willaert, p; 135-137.

[2] Hadewijch Brieven, F. van Bladel en B. Spaapen vertaling door p. 95

[3] Hadewijch, Visioenen, vertaling door Imme Dros, p. 50-51

[4] Hadewijch, Brieven, p. 53.

[5] Hadewijch, Liederen, p. 137

 

Bron: Tijdschrift voor Geestelijk Levennr. 2018/5, themanummer:  Betrokkenheid en haar grens. Afstand en nabijheid tegenover God en medemens.

Voor verdere informatie over TGL zie www.tgl.be. Besteladres Nederland: ahmmetz1941@kpnmail.nl. Besteladres België: abonnementenTGL@kerknet.be of info@tgl.be. Kosten per los nummer: 7,95 plus verzendkosten.

 

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*