Home » Interview » Brenda Mathijssen: “Ik weet het ook niet” – Over geloof, dood en tien seconden schoonheid

Foto Vincent van Gaalen

Brenda Mathijssen: “Ik weet het ook niet” – Over geloof, dood en tien seconden schoonheid

Als je Brenda Mathijssen (25) vraagt of ze gelooft, is haar antwoord: “Op sommige dagen wel, op sommige dagen niet.” Geloof heeft voor haar meer te maken met handelen en rituelen dan met ideeën. Haar promotieonderzoek gaat over religie en ritueel rond de dood. “Een warm onderwerp”, vindt ze. Deel 7 in de Volzin-serie Jonge Denkers.

Door Theo van de Kerkhof

Vrolijk en levenslustig, vijfentwintig lentes jong en dan een proefschrift schrijven over de dood? “Ja, maar de dood is niet alleen naargeestig en droevig”, zegt Brenda Mathijssen. “De dood gaat over het leven. Natuurlijk, er hoort lijden en verdriet bij, maar dat is niet het enige. Mensen doen ook mooie ervaringen op in hun laatste levensfase of bij het overlijden van naasten. Nabestaanden hebben er vaak warme herinneringen aan. De dood is voor mij een warm onderwerp.”

Met name de rol van religie en rituelen rond de dood is onderwerp van haar onderzoek aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. In dat kader verzamelt ze samen met collega Claudia Venhorst zogenaamde ‘doodquotes’, eigentijdse gedachten over sterven en dood. “Het houdt allemaal een keer op. Dat vind ik best wel bevrijdend” (David, 26). “De dood brengt essentiële dingen naar boven. Het heeft mij en mijn vader weer samengebracht” (Maaike, 19). “Ik vind de dood nog ingewikkelder dan de vraag of God bestaat. (Kim, 23). De quote van Mathijssen zelf: “De dood vergroot het mens-zijn uit.”

Brenda Mathijssen groeide op in de buurt van Breda in een katholiek Brabants milieu. “Gedoopt, eerste communie, gevormd. Allemaal gedaan. Ik kom uit een redelijk traditioneel gezin. Als ik vriendinnen uit Amsterdam soms over hun hippie-ouders hoor praten, dan ken ik dat helemaal niet. Geloof is voor mij erg verbonden met een sfeer: het Weesgegroetje, kerkbezoek op zondagochtend bij mijn oma. De geloofssfeer van mijn jeugd is erg met mijn oma verbonden. Maar toen ze overleed, ik was een jaar of 11, was het daarmee afgelopen. Thuis waren we niet bij een parochie betrokken en in Arnhem, waar ik nu woon, ben ik dat ook niet. Ik zoek het ook niet. Ik heb natuurlijk wel mensen met wie ik overtuigingen deel, maar ik kom niet met hen als groep samen om die overtuigingen te delen of te vieren. Voor diepere dingen van het leven heb ik persoonlijk geen gemeenschap nodig waaraan ik me committeer. Als het over zingeving gaat, merk ik dat ik veel haal uit ‘gewone’ gesprekken met anderen: mijn partner, vrienden, collega’s.”

En van dat kindergeloof, is daarvan iets overgebleven?

“Iets van die sfeer van mijn kinderjaren is wel blijven hangen. Het is eerder een gevoel voor rituelen en de associatie met ‘goed doen’ dan bepaalde geloofsideeën. Een mix van bewondering en kritische vragen. Als kind zag ik al de discrepantie tussen de hoge idealen van het geloof en het niet altijd even hoogstaand gedrag van de kerkgangers. Dat verwarde mij wel. In mijn middelbare schooltijd ging ik ontzettend veel lezen. Over christendom, jodendom, islam, maar ook Aziatische godsdiensten; noem maar op. De kritische distantie overheerste.

Als religiewetenschapper bestudeer je geloof als menselijk verschijnsel. Die neutrale positie is voor een onderzoeker niet per se noodzakelijk, maar ik vind het wel handig. Ik sta open voor vele antwoorden. Hoef daar niet altijd een oordeel over te vellen. Als ik zelf voor een geloofsovertuiging zou moeten kiezen, heb ik het gevoel dat ik ook iets uitsluit. Dat vind ik moeilijk. Ik probeer onbevangen en respectvol te staan tegenover alles wat ik hoor in mijn onderzoek. Zoals ik vroeger al bewondering kon opbrengen voor een evangelische klasgenoot, terwijl ik zelf weinig met Jezus had.

Oké, noem mij een cultuurkatholiek. Maar gelovig, of atheïst? Al die benamingen zijn zo statisch. Alsof je zeker weet: zo zit het. De overtuiging waarin God zeker níet mag bestaan vind ik ook simplistisch. Dan sluit je heel veel nuances uit. Ik weet niet of God bestaat. Agnost dan? Nee, zelfs dat vind ik geen adequate aanduiding. Alsof twijfel de norm is. Als je mij vraagt of ik geloof, dan is het antwoord: op sommige dagen wel en op sommige dagen niet.”

Moet je niet soms een tijdje een bepaalde positie uitproberen?

“Dat doe ik misschien ook wel in die zin dat ik af en toe geraakt word door het geloof van anderen en dat dan een tijdje meedraag. Bijvoorbeeld van mensen die ik interview voor mijn onderzoek. Ik probeer ze te begrijpen en met hen mee te voelen. Het ontroert me. Een voorbeeld? Het zit hem meer in de verhalen dan in de standpunten. Ik sprak een vrouw die zoveel ellende had meegemaakt dat je denkt: hoe kan het allemaal in één leven. En toch was zij zo positief ingesteld. Heel actief in de kerk en gedreven door het idee van naastenliefde. Dat iemand die zoveel tegen heeft, toch met zoveel vertrouwen in het leven kan staan. Dat kan mij ontzettend raken.”

Zie je jouw manier van omgaan met geloof ook breder in de maatschappij terug?

“Er is veel in beweging, maar ik zie religie nog niet zomaar verdwijnen. Het gaat immers over existentiële vragen: waarom ben ik hier? Wat is de zin van alles? Misschien is religie meer situationeel dan vroeger gedacht werd. Niet een constante factor in een mensenleven. Je loopt er soms tegenaan, zoals bij de dood. Maar ook in situaties waarin je voor een belangrijke keuze staat, ontslag krijgt op je werk, of als de dingen niet zo lekker lopen en je leven tot stilstand lijkt te komen. Dan gaat religie voor mij een rol spelen. Ja, een deeltijdgebeuren, maar dat klinkt een beetje negatief en zo zie ik dat niet. Mensen zoeken naar antwoorden op levensvragen en vinden ze op andere plekken dan vroeger. Op heel diverse plaatsen ook. Mensen blijven zoekers. Ik in ieder geval wel. Al weet ik voor mezelf niet of ik dat nu wel of niet religieus wil noemen.”

Wat maakt iets dan religieus of niet religieus?

“Uiteindelijk heeft dat toch te maken met een godservaring en die heb ik niet zo. Ik kan in religies veel dingen waarderen: de waarden, de schoonheid van symbolen en rituelen. Ik kan me daar ook aan overgeven. Bij joodse vrienden vier ik op vrijdagavond wel eens het begin van de sjabbat. Dat vind ik prachtig en ik beleef het mee, al versta ik niets van de Hebreeuwse gebeden. Maar een link naar God? Ik zeg niet dat er niets is, maar ook niet dat er wel iets goddelijks is.”

Hoe kijk je dan in fundamentele zin tegen de werkelijkheid aan? De werkelijkheid als geheel. Is dat iets betekenisvols of een blinde, betekenisloze natuur?

“Dat hangt van de dag af. Ik kan de keuken inlopen, koffie zetten, door het raam naar buiten kijken en plots geïnspireerd raken door de opkomende zon die door de bomen schittert. Dan kan ik oprecht denken: deze tien seconden dat ik die schoonheid zie, maken het de moeite waard dat ik geleefd heb. Maar soms denk ik ook: Wat maakt het uit? We zijn hier tijdelijk. De aarde is tijdelijk. Het leven is wat het is en heeft geen enkel doel. Maar zelfs als ik zo denk, impliceert dat nog niet ‘ach alles is zinloos’. Ik kan erin berusten dat het leven in groter perspectief beschouwd niet meer is dan een biologisch geheel en tegelijkertijd mijn leven als zinvol ervaren.”

Heb je geen behoefte aan een religieuze praktijk, aan mediteren of zo?

“Ik ben een nuchter, praktisch mens. Nee, als ik stress heb, denk ik niet: ik moet gaan mediteren. Dan denk ik: ik moet iets veranderen in mijn agenda. Als er een probleem is, denk ik: wat kan ik er aan doen? Maar nuchter en praktisch zijn wil niet zeggen dat de wereld voor mij koud en onttoverd is. Zin, betekenis, diepgang zit hem voor mij juist in dat alledaagse, in relaties met anderen, de gewone dingen van het leven zelf. Ik ervaar het leven zeker niet als vlak. Het klinkt misschien cliché, maar als ik twee oude mensen hand in hand door het park zie lopen, dan denk ik: er is hoop voor de wereld.”

Je bent voor je onderzoek veel met de dood bezig. Wat heb je ontdekt over doodgaan?

“De dood is vooral een probleem voor de achterblijvers. Het is moeilijk om geliefden te moeten verliezen. Voor de dood zelf, mijn eigen dood, ben ik niet bang. Mensen zijn vaak misschien ook meer bang om te sterven dan voor de dood zelf. Ik wil het niet bagatelliseren; de weg naar de dood toe kan een lijdensweg zijn. Maar wat ik in gesprekken hoor, is dat het moment van sterven zelf ook mooi kan zijn, sereen en rustig, helemaal geen eng moment. En zodra iemand overlijdt, is die persoon ook echt weg. Alsof de geest wegwaait. In de joodse traditie, heb ik me laten vertellen, zetten mensen het raam open als iemand sterft. Dat vind ik een sprekend beeld.”

Een leven na de dood, hoe kijk je daar tegenaan?

“Ja, dat vragen mensen die ik interview ook vaak. ‘Hoe denkt u zelf over een leven na de dood?’ Maar helaas, ik ben er ook niet geweest. In alle oprechtheid zeg ik dan: ‘Ik weet het ook niet.’ Wat je wel kunt zeggen: mensen hebben bijzondere ervaringen rond het overlijden van naasten. Een vriend van mij heeft een prachtig verhaal over zijn opa, met wie hij erg close was. In een droom kwam hij afscheid nemen. Toen hij wakker werd, bleek opa die nacht inderdaad te zijn overleden. Misschien is het ‘slechts’ een droom, misschien is het toeval, wie zal het zeggen. Maar als je het zelf meemaakt of hoort van iemand die je nabij staat, krijgt het toch een diepere betekenis. Daarom zul je mij niet horen zeggen ‘Dood is dood’. Dat vind ik sowieso een vlakke, al te stellige uitspraak. Als er niets is na de dood, dan heb ik daar vrede mee. Als er wel iets is, zal het wel goed zijn. Als er een goede God is, zal hij daar wel in voorzien.”

‘De dood vergroot het mens-zijn uit’, zei je. Wat zie je dan door dat vergrootglas?

“In het zicht van de dood kom je tot de essentie van het leven, dan ervaren mensen waar het eigenlijk op aan komt. Er is bijvoorbeeld dankbaarheid dat ze het leven met hun geliefden mochten delen. En er is verdriet over wat het leven niet heeft gebracht. Op die momenten zien mensen waarden die in de drukte van alledag naar de achtergrond kunnen verdwijnen: hadden we maar meer tijd voor elkaar gemaakt, hoor je nog al eens. Ja, daarin schuilen wel levenslessen. Ik denk vaak: ik wil mijn ouders vaker zien en besef dan dat ik het nú moet doen. Leef niet in het uitstel: ‘Als mijn studie af is, als ik werk heb, na mijn pensioen, dan…’. De confrontatie met de dood kan je in het ‘nu’ brengen en leert je de grote waarden van het leven: liefde en verbondenheid. Hij leert je die niet alleen, hij laat ze je zien en voelen.”

 

Zie ook andere interviews in de serie Jonge Denkers.

Bron: Volzin

Theo van de Kerkhof web » Lees ook andere artikelen van Theo van de Kerkhof

 

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email

1 reactie

  1. Brenda schrijft: ‘mensen hebben bijzondere ervaringen rond het overlijden van naasten. Een vriend van mij heeft een prachtig verhaal over zijn opa, met wie hij erg close was. In een droom kwam hij afscheid nemen. Toen hij wakker werd, bleek opa die nacht inderdaad te zijn overleden.’ Ik heb hier zelf al jaren lang verhalen over verzameld – allemaal afkomstig van families bij wie ik als speekster bij uitvaarten betrokken was – en nog ben. De vraag naar God: ‘Wat zeg je als je ‘God’ zegt?’ Kerk nee, geloven ja, zonder dat in een definitie te kunnen aangeven.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*