Home » Essay » De witte stilte – Over zelfdoding en rouw

De witte stilte – Over zelfdoding en rouw

De rouw van nabestaanden bij zelfdoding gaat gepaard met een reeks aan gevoelens, waarbij niet in het minst het gevoel van schuld. Liesbeth Gijsbers vertelt uit eigen ervaring hoe zij daarmee omging. Ze vond steun bij Levinas, die het begrip ‘objectieve schuld’ aandraagt. In het besef dat je als mens nu eenmaal niet almachtig, of volmaakt kunt zijn, vindt zij uiteindelijk een zachtere grondtoon en troost.

Door Liesbeth Gijsbers

Elk jaar maken alleen al in Nederland bijna tweeduizend mensen zelf een eind aan hun leven. Met hun dood komen er jaarlijks duizenden gebroken levensverhalen bij van de naasten die om hen rouwen. Door de aard van deze dood is hun rouw vaak complex. En hoewel er gelukkig met veel meer begrip en empathie op een zelfdoding wordt gereageerd dan pakweg vijftig jaar geleden, blijft het door het taboe dat aan deze dood kleeft soms lastig er vrijuit over te spreken. Iets wat het er voor de rouwenden niet gemakkelijker op maakt.

Voor mij is het inmiddels elf jaar geleden dat mijn zus met pillen haar leven beëindigde. Judith werd 55 jaar. Ze leed aan een bipolaire stoornis, en daardoor aan haar leven, dat met de jaren steeds donkerder gekleurd werd door depressies en langdurige opnames. Maar op goede momenten wist ze juist ook enorm van haar leven te genieten. Haar dalen mochten dan donker, breed en diep zijn, haar toppen waren er niet minder om. Dominee Margreet Klokke verwoordde dat tijdens de dienst bij haar crematie zo:

“Haar ziekte liet het [licht] niet meer door. Deed de gordijnen ervoor dicht. Als ik me indenk, hoe donker dat moet zijn geweest, dan raakt mij dat. En tegelijk komt er bewondering in me op. Hoe is het mogelijk dat Judith je vanuit die diepte toch steeds met zoveel hartelijkheid en warmte tegemoet kon komen? Altijd die brede lach, waarmee je verwelkomd werd bij de deur. Ondanks alles had zij de gave van de vriendschap. Ze heeft misschien veel gevraagd, maar ook heel veel gegeven.”

Haar woorden ontroerden me, omdat ze zo treffend beschreven hoe ik de omgang met mijn zus al die jaren had ervaren. De vaak zo drukkende zwaarte van zorg, angst en machteloosheid om haar ziekte wist Judith steeds te verlichten met haar warmte, liefde en humor. En nu, zoveel jaren later, vind ik er troost in dat de herinnering aan die lichtheid het meer en meer wint van die aan de zwaarte en rafelranden van haar dood. Al gebeurde dat natuurlijk niet vanzelf, daar ging een hoop Trauerarbeit aan vooraf. Daarover gaat deze bijdrage. Niet in de zin van: zo doe je dat, maar van: zo deed ík dat, want rouwen is een persoonlijke, eenzame aangelegenheid. Wel kun je je daarin soms gesteund of opgebeurd voelen door de verhalen van anderen.

Naar buiten gerichte woede

Vlak na Judiths dood was ik behalve geschokt en verdrietig vooral boos. Ik was woedend op een samenleving die niet in staat bleek mensen zoals mijn zus voldoende bedding te geven zodat ook zij hun leven, mét de handicap van bijvoorbeeld een psychiatrische ziekte, kunnen leven. Te vaak had ik gezien hoe zwaar het Judith viel zich staande te houden in een maatschappij die toch vooral de vaart en maat volgt van wie ‘gezond’ of ‘normaal’ is. Wie dat tempo niet kan bijbenen slaat te gemakkelijk overboord, zo was mijn gedachte, en daar wilde ik iets aan doen.

Maar die felle woede en daadkracht ebde vrij snel weg, om plaats te maken voor een pijnlijker rouwgevoel: het gevoel zélf tekort te zijn geschoten of te laat gekomen te zijn, mijn eigen onmacht en falen, en misschien zelfs schuld. Ongemerkt kroop het onder mijn huid. In die eerste tijd las ik veel boeken over rouw en zelfdoding – mijn manier om met mijn verlies om te gaan; daaruit bleek dat ik niet alleen stond in dat schuldgevoel. Velen hebben daar last van, en als een vorm van ‘ultieme verlating’ zou een zelfdoding hen zelfs confronteren met een ‘legaat van een oninlosbare schuld’.[1] Een somber vooruitzicht, waarin ik bovendien geen zin kon ontdekken.

Waarom, waarom?

Wie een dierbare verliest aan de dood stelt zichzelf wel vaker radeloos de vraag naar het waarom: ‘Waarom jij?’ ‘Waarom zo?’ ‘Waarom nu?’ Meestal meer bedoeld als wanhoopskreet dan als een serieuze vraag waarop een antwoord wordt gezocht. We kennen dat antwoord ook wel, al was het maar in het besef van onze kwetsbaarheid en sterfelijkheid. Al heel jong weten we dat de dood ons – en dus ook onze dierbaren – op een dag komt halen, en dat hij daar talloze manieren voor heeft: ziekte, een verkeersongeluk, geweld, oorlog, honger, de bliksem, ouderdom, …. Maar welke vorm hij ook kiest, steeds is het de dood die het initiatief neemt. Zelfs bij euthanasie, waar wij hem slechts een handje helpen. De dood dus, als een onontkoombaar lot in het levensspel. En waar dat lot óns treft en een geliefde wegneemt, vinden we vroeg of laat meestal wel berusting in dat gegeven.

Maar hoeveel lastiger lukt dat na een zelfdoding, waar niet de dood het initiatief nam, maar juist die ander? Hoe anders klinkt het ‘Waarom?’ als er géén concrete oorzaak of gebeurtenis voorhanden is, en die wanhoopskreet wél op zoek gaat naar een antwoord? Want dat is wat nabestaanden er doorgaans mee doen.

Zo zocht en vond ik mijn antwoord in eerste instantie dus in die tekortschietende samenleving. Dat gaf me alvast tijdelijk wat vaste grond onder de voeten. Schuldtoekenning als een eerste veilige vluchthaven. Je grijpt, zoals een drenkeling naar een stuk wrakhout, naar een mogelijke oorzaak en wijst beschuldigend naar bijvoorbeeld de instelling, een onbekwame arts, pesterijen op school, een faillissement of scheiding, of voor mijn part naar jezelf. En ook al kan die kritiek heel terecht zijn, het verdrietige is dat ze de nabestaande meestal geen rust brengt. Want daarachter of daaronder blijft het knagen. Misschien komt dat doordat je vanuit je eigen mens-zijn aanvoelt hoe grondeloos groot de nood of het lijden geweest moet zijn om zoiets onomkeerbaars te kúnnen doen als wat die ander deed. Dat daar haast wel een totaal gevoel van afgescheidenheid aan voorafgegaan moet zijn. Het al even grondeloze gevoel van schuld zou heel goed kunnen voortkomen uit dat besef, waar uit die radeloze waaromvraag ineens allerlei gewetensvragen hun venijnige kop opsteken: ‘Waar was jij?’ ‘Wat deed je?’ ‘Wat liet je na?’

Een onmogelijk appel

Maar zijn ze terecht, zulke vragen? Is zo’n schuldgevoel realistisch? Of kwelt de nabestaande zichzelf er nodeloos mee? Veel mensen – ook therapeuten – vinden van wel. Ze hameren erop dat je schuld niet moet verwarren met schuldgevoel, en dat jij niet verantwoordelijk bent voor wat die ander deed. Bedoeld als troost, maar of het zo werkt? Bij mij niet. Ik had meer aan Martin Buber, die schreef dat je ‘onrealistische’ schuldgevoelens maar beter serieus kunt nemen, omdat ze voor wie er – vaak letterlijk! – onder gebukt gaat maar wát realistisch zijn.[2] Geef ze dus liever de ruimte waarom ze vragen, en onderzoek ze.

Om wat voor soort schuldgevoel gaat het hier? Bezien vanuit de filosofie van Levinas is er eigenlijk niets vreemds aan.[3] Als mens zijn we, zegt deze Franse filosoof, gevoelig voor het lijden van de ander. Dat is de kern van mens-zijn, die aan de basis ligt van onze ethiek. We ervaren de ander in heel zijn kwetsbare verschijning als een appel, dat ons verantwoordelijk maakt. Als mens ben je, zo zou je kunnen zeggen, responsibility: mogelijkheid tot antwoord geven, of je dat nu doet of niet. In een artikel van Herman Coenen las ik dat je ook een zelfdoding, juist vanwege het vermoede lijden dat er zo pijnlijk in doorklinkt, kunt opvatten als een appel.[4] Maar wat een onmogelijk appel! Je hoort de roep, maar je antwoord haalt niets meer uit want de dood kwam ertussen. Ineens voelde dat wat ik voelde, de pijn van dat definitieve te laat, als heel normaal en vanzelfsprekend, behorend bij mijn mens-zijn. Alleen al die erkenning bracht enige rust.

Verantwoordelijkheid

Maar hoe zit het eigenlijk met die verantwoordelijkheid, in geval van een zelfdoding? Judiths dood leerde me dat het antwoord veel minder eenduidig is dan het lijkt. Natuurlijk, ze slikte zélf haar pillen met de dood tot gevolg. En het eenvoudigst is om te geloven dat ze wílde wat ze deed, en nooit zou doen wat ze níet wilde. Daarmee houden wij elkaar verantwoordelijk voor onze daden, en zo kunnen we bijvoorbeeld zeggen dat ze een moedig, of egoïstisch, besluit nam. Met het oordeel bevestigen we nog eens die eigen verantwoordelijkheid. Daarmee lijkt de kous af.

Lijkt, want voor mij bleef en blijft dat wringen. Hoe vrij of autonoom ben je op de bodem van je wanhoop? Hoe toerekeningsvatbaar, als je jezelf er eerst van hebt overtuigd dat de wereld beter af is zonder jou? Judith voelde zich vaak schuldig. Ze vond dat ze te veel vroeg van ons, haar dierbaren, en van de maatschappij, met een uitkering en peperdure opnames. Haar schuldgevoel stookte het vuur van haar verlangen naar de dood nog meer op. ‘De witte stilte’, zo ging ze de dood noemen. Dat klonk haast als een aantrekkelijk rustoord, deze alternatieve bestaansvorm waar het beter beloofde te zijn dan hier.

Ik blijf het moeilijk vinden daarin een vrij besluit te zien. Wel heb ik er begrip voor. Ik kan uit wat ik heb meegemaakt met haar heel goed begrijpen dat het lijden zo groot werd dat ze geen andere uitweg meer zag dan de dood. Maar dat noem ik eerder een niet verder kúnnen dan een niet verder wíllen. De dood maakte niet alleen een vroegtijdig einde aan Judiths lijden, maar ook aan haar genieten. Dat was de prijs voor die witte stilte. Als ik Judith uitsluitend zou zien als iemand die daar in vrijheid voor koos, doe ik haar voor mijn gevoel geen recht, want ze was zoveel meer dan haar ziekte, haar lijden. Daarmee is ze voor mij dus behalve veroorzaker van haar eigen dood evengoed een ‘slachtoffer’ ervan, iets wat het woord ‘zelf-moord’ hard maar helder uitdrukt. Judith deed, én ze leed. Het bijzondere is dat ik in mijn rouw diezelfde schimmige dubbelheid lijk te echoën: in mijn verdriet voel ik me slachtoffer van haar daad, terwijl ik er in mijn schuldgevoel een aandeel in lijk te hebben.

Objectieve schuld

De vraag is natuurlijk hoe je moet omgaan met zo’n mistig schuldgevoel. Hoe voorkom je dat zoiets een ‘oninlosbare schuld’ wordt waar je de rest van je leven onder gebukt gaat? Valt daar nog een zachtere grondtoon in te ontdekken? Eentje die je verder helpt, in plaats van voorgoed belast? Ook hierbij biedt Levinas ruimte. Hij heeft het over een vorm van schuld aan ‘verkeerde daden’ die niet in bewuste bedoelingen is gelegen, en noemt dat ‘objectieve schuld’. Die lijkt hier in het geding. Vanuit mijn jarenlange geschiedenis met Judith weet ik namelijk één ding heel erg zeker: dat het nooit haar bewuste bedoeling kan zijn geweest ons met haar daad zoveel pijn te doen. En tóch deed ze dat. Even zeker weet ik dat wij – haar naasten, haar hulpverleners – nooit de bewuste bedoeling hebben gehad haar zodanig in de kou te laten staan dat haar niets anders restte dan deze eenzame sprong in de dood. En toch gebeurde het.

Objectieve schuld vraagt allereerst om erkenning, en vervolgens om vergeving. Vergeving van de ander, vergeving van jezelf, in het besef dat je als mens nu eenmaal niet almachtig, niet volmaakt kunt zijn. Het is in deze onvolmaaktheid, deze onmacht dat ik uiteindelijk mijn troost, die zachtere grondtoon vond.

————————-

Liesbeth Gijsbers (1959) studeerde Nederlands en Algemene Taalwetenschap. Daarnaast volgde zij opleidingen bij het ITIP (integrale psychologie) en het OVP (theologie en pastoraat). (lg@liesbethgijsbers.nl). Bovenstaand essay verscheen oorspronkelijk in Speling, Tijdschrift voor bezinning, 2020, nummer 1 ‘Sterven’, blz. 50-54.

 

[1] Luc Hamelinck, ‘Schuld en verantwoordelijkheid’, in: H. Coenen, L. Hamelinck, W. ter Horst (redactie), Door kou bevangen. Zelfdoding en nabestaanden (TSGV 2-37), Baarn 1990, 36.

[2] Martin Buber, ‘Schuld en schuldgevoelens’, in: T. de Bruin (redactie), Adam waar ben je? De betekenis van het mensbeeld in de joodse traditie en in de psychotherapie, Hilversum 1983, 216.

[3] Voor een uitgebreide bespreking van de betekenis van Levinas in mijn rouw verwijs ik naar mijn boek: Ik en de verloren ander. Kleine filosofie van rouw en verlangen, Zoetermeer 2014.

[4] Herman Coenen, ‘Door kou bevangen’, in: Door kou bevangen, 69.

Print Friendly, PDF & Email

3 reacties

  1. marten schaafsma

    en zo ga ik af op het einde van het tweede jaar zonder Tjerk, onze 27 jarige zoon die op 21 juni 2018 zelf koos voor een wanhopig eenzaam einde ver van huis en ver van zijn 8 mnd oude zoontje.
    alles wat je beschrijft komt langs, bijna 2 jaar nu wordt het wel anders, maar niet zachter, schuld en schuld gevoel, boos op alles en iedereen inclusief mijzelf , een soort van berustong in het onherroepelijke, maar vooral veel pijn en verdriet over die zgn eigen keus.
    dank voor je mooie schrijven , mij rest niets dan doorgaan, zonder werk, met kleinkinderen als lichtjes op mijn pad en lopen in de natuur als “ medicijn”

  2. Prachtig verwoord.
    Een helende hand in dit moeilijke proces.

  3. Dankjewel om dit te mogen lezen.eindelijk iemand die verwoord en begrijpt. Ik worstel al sedert de zelfdoding van mijn enige kind met deze gevoelens. De schuld,De pijn,maar vooral het haar niet kunnen helpen en redden.niet op tijd?of niet de juiste manier of woorden of daden.ik ben nog geen moment boos geweest op mijn zo geliefde dochter.ik begrijp nu dat ze gevochten heeft tot het op was.ze stond ook voor iedereen klaar,altijd helpen maar zo dikwijls ontgoocheld en verraden en in de steek gelaten. Ik hou elke dag meer van haar maar het verdriet is elke dag groter.dank je.dit laat me alles wat klaarder zien.😪😪😪🦋🦋🦋🙏❤🌻🦋

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*