Home » Essay » De zeggingskracht van het godsbewijs

De zeggingskracht van het godsbewijs

Godsbewijzen klinken menigeen als belachelijk, zo niet ergerniswekkend in de oren. Gods bestaan is noch te bewijzen noch te weerleggen, daar lijken gelovigen en ongelovigen het over eens. Maar is dat wel zo? Valt er over het al dan niet bestaan van God dan niet te argumenteren? Tijd om eens te kijken naar wat de traditionele godsbewijzen ons te vertellen hebben.

Door Theo van de Kerkhof

“De atheïst is niet arrogant. Hij denkt alleen beter na”, aldus één van Neerlands spraakmakendste atheïsten Herman Philipse. Ik vind dat wel een sympathiek standpunt. Niet omdat ik denk dat Philipse gelijk heeft, maar omdat er een betrokkenheid bij de waarheidsvraag uit spreekt. Niet alles is even waar en sommige standpunten sluiten elkaar uit. De uitspraken ‘Er is zo iets als een God’ en ‘Er is niet zo iets als een God’ kunnen – vanuit een gelijke optiek beschouwd – niet beide waar zijn.

Toch worden de zaken nogal eens zo voorgesteld: velen menen dat het onzinnig is om over God te redeneren. Men neemt als vanzelfsprekend aan dat noch de gelovige, noch de ongelovige zijn standpunt ‘hard’ kan maken en dat daarom beide standpunten gelijkwaardig zijn. Maar het feit dat bewijzen niet altijd onontkoombaar overtuigen, wil nog niet zeggen dat ze daarom in het geheel niets aan inzicht opleveren of dat men ten aanzien van de te bewijzen stelling maar om het even wat zou kunnen beweren.

Het moet daarom bevreemden dat de vraag naar God vaak wordt afgedaan als een hoogstpersoonlijke kwestie. Alles aan God is puur subjectief. Er is alleen maar ‘mijn God’, zegt Klaas Hendrikse in zijn overigens boeiende bestseller Geloven in een God die niet bestaat. De vraag is of het geloof in God zo niet te makkelijk wordt teruggebracht tot een kwestie van smaak. De één houdt van zoet, de ander van hartig. Het is maar wat je verkiest of aanspreekt. Ik zou daar tegenin willen brengen: als het om de waarheid gaat, valt er niets te kiezen. Men zegt toch ook niet: de aarde is rond of de aarde is plat, je mag kiezen. Zelfs al spreekt een platte aarde mij meer aan, dan nog moet ik erkennen: hij is rond. Waarom moet dat? Dat moet omdat het nu eenmaal in de werkelijkheid zo is. Waar is wat werkelijk is. En wat niet werkelijk is, is niet waar.

Anders dan al het andere
De vraag is dus, is God werkelijk? In de theologie en filosofie zijn minstens drie typen bewijzen opgesteld die deze vraag bevestigend beantwoorden: het kosmologische, het teleologische en het ontologische godsbewijs. Het kosmologische bewijs berust, vrij weergegeven, op het ongefundeerd zijn in zichzelf van al het binnenwereldlijke. De dingen in de wereld (mensen, planten, dieren, vissen, zeeën, bergen, sterren en planeten) kunnen er niet vanuit zichzelf zijn. Toch zijn ze er. Wat niet uit zichzelf is, maar niettemin is, moet uit iets anders zijn. Er moet dus iets anders zijn dan de binnenwereldlijke dingen, iets anders dan al het andere, een ‘niet-ding’ dat alle dingen ‘in het zijn stelt’. Dat andere dan al het andere, dat al het andere in het zijn stelt, is wat de christelijke traditie God noemt.

Vaak wordt er over dit soort redeneringen wat lacherig gedaan, of soms zelfs verontwaardigd. Men verwijst dan naar de bijbelse God, die existentieel nabij is, die je aan je huid komt: hoe kun je nu leven van ‘het andere dan al het andere’?

Natuurlijk moet erkend worden dat de rationaliteit van het geloof van secundair belang is. Daar begint het niet mee en daar draait het niet om. Het religieuze begint met een intuïtief, spontaan ‘weten’ van het heilige en het draait om een bepaalde kwaliteit van leven die in het licht van het heilige gestalte krijgt. In dat geheel is de rationaliteit een hulpmiddel. Zij kan ervaringen verhelderen en daarmee het geloofsgesprek bevorderen. Zonder rationaliteit zou er over het geloof nauwelijks communicatie mogelijk zijn. Daarbij komt dat het spontane, existentiële geloof ook kan mislukken, om niet te zeggen verongelukken, zoals het religieus gemotiveerd terrorisme aantoont. Rationaliteit hoort bij het menszijn dus ook bij het gelovig menszijn.

In een mysterie
Zo zegt een redenering als het kosmologisch godsbewijs wel degelijk íets. De redenering articuleert de spontane intuïtie, dat het bestaan zoals wij het zien en kennen en dagelijks meemaken niet in zichzelf besloten ligt, maar dat het van iets ‘groters’ doordrongen is en in zekere zin wonderlijk is en dat het wonderlijke de grondslag van het gewone is. En als dat waar is, dat dan het wonderlijke ook altijd heel dicht aan het gewone nabij is. “Wanneer iets of iemand ‘met zijn uiteinde'(aan zijn haren of met zijn tenen) in de lucht hangt, dan geldt dat ook reeds voor zijn middel”, zegt de filosoof Otto Duintjer. Wij hangen met zijn allen in een mysterie.

Je kunt het ook zo zeggen: het godsbewijs sterkt de intuïtie dat het taalveld van het geloof, waarin het wonder van het leven kleur en inhoud krijgt, een zoekend verwoorden en verbeelden is van iets reëels, iets dat ergens op slaat: mijn geloof is meer dan mijn fantasie, hoop en verlangen, angsten of projecties.

Het kosmologisch bewijs kent ook zijn zwakheden. De redenering die leidt naar het idee van transcendentie (het andere dan al het andere) is op zichzelf waterdicht. Daar is geen speld tussen te krijgen. Maar een redenering kan geldig zijn zonder dat de conclusie waar is. Dat is het geval als een of meer van de premissen (uitgangspunten) waarop de redenering berust ongeldig is: alle politici zijn zakkenvullers. Jan Marijnissen is een politicus. Dus Jan Marijnissen is een zakkenvuller. Die redenering is absoluut juist, maar de conclusie is dat niet noodzakelijkerwijs, omdat het eerste uitgangspunt onjuist is. Het probleem van het kosmologisch godsbewijs zit hem in de premissen. Het is misschien niet eens duidelijk wat ze precies uitdrukken. Laat staan dat helder is of ze waar zijn. Met name is het de vraag of de dingen niet in een oneindige en eeuwig durende reeks van oorzaken elkaar kunnen veroorzaken. In dat geval zou een beroep op iets anders dan de dingen overbodig zijn. De mogelijkheid van een dergelijke tegenwerping verzwakt wat het bewijs beoogt: ons geloofsinzicht voeren van een kleinere naar een grotere mate van evidentie.

Bovenmenselijke ‘bedoeler’
Een ander type van godsbewijzen dat spontaan een zekere kracht heeft (en dat dus de geloofsevidentie bevordert) is het teleologische godsbewijs dat vertrekt vanuit de orde en harmonie in de natuur. Klassiek is het volgende voorbeeld: je loopt langs het strand en vindt een horloge. Zelfs als je totaal niet weet wat het is, zie je aan de innerlijke structuur van het voorwerp dat het niet zomaar iets is, maar dat het ergens toe dient. Wat ergens toe dient heeft een doel en een doel wijst naar iemand die iets bedoelt, een ‘bedoeler’. De bedoeling van het gevonden horloge wordt niet door de vinder gecreëerd. Het voorwerp zelf vertelt aan de vinder iets dat van de vinder af wijst naar iets of iemand anders dan de vinder. De redenering is nu dat de niet-chaotische, maar geordende structuur van de natuur analoog is aan de geordende structuur van het horloge. En zoals het horloge wijst naar de horlogemaker, zo wijst de natuur naar God. De theorie van het zogenaamde intelligent design is een moderne variant van dit type godsbewijs.

Ook dit bewijs zegt minstens íets, al is het de vraag wát het nu precies bewijst. Het bewijs verdedigt in ieder geval de intuïtie dat de zin die wij mensen waarnemen niet puur en alleen uit onszelf is (zoals het moderne en in verhevigde mate het postmoderne denken ons willen doen geloven). Dat een vlinder mooi is, kwetsbaar en teer, en als zodanig behandeld moet worden, is niet alleen het resultaat van menselijke inlegkunde. Wat wij mensen in de natuur aantreffen verzinnen wij niet zelf en dus is ook de waarde en betekenis van de dingen, hoewel altijd aan ons standpunt en bevattingsvermogen gerelateerd, niet geheel en al het resultaat van onszelf.

Overigens is op zichzelf genomen het teleologisch argument volstrekt onvoldoende als godsbewijs. Een belangrijk bezwaar is de identificatie van de ontwerper met de liefdevolle God van het geloof. Als men in de wereld al een doelgerichtheid meent te kunnen waarnemen, en als die doelgerichtheid al naar een bovenmenselijke ‘bedoeler’ verwijst, dan zou men naast intelligentie toch ook nog enkele andere eigenschappen bij deze bovenmenselijke ‘bedoeler’ kunnen vermoeden. Moet hem naast gevoel voor schoonheid, orde en harmonie niet ook een niets ontziende wreedheid worden toegeschreven? Schrijfster en filosofe Iris Murdoch vraagt zich af waarom wij degene zouden moeten aanbidden die de hele machinerie in gang heeft gezet. “Ook een demon had de wereld kunnen scheppen.” Wie natuurrampen zoals recent in Birma en China gadeslaat, vraagt zich af of er niet eerder sprake is van evil design. Klassiek in dit verband is het voorbeeld van de sluipwesp, die zijn eitjes legt in het lichaam van een rups, die daardoor verlamd raakt, maar niet sterft, zodat de uitkomende lieve, kleine babysluipwespjes zich tegoed kunnen doen aan het verse vlees van hun gastheer. Om achter de orde in de natuur de God van het christelijk geloof te vermoeden, is meer nodig dan het teleologisch argument alleen. Maar dat ‘meer’ is er misschien ook. De beperking van het bewijs maakt zijn beperkte bijdrage aan de geloofsevidentie nog niet ongeldig.

Het grootst denkbare
Zowel het kosmologisch als teleologisch godsbewijs vertrekken vanuit onze ervaring met de wereld. Zij redeneren vanuit het bestaande naar God toe. De vijf wegen naar God van Thomas van Aquino (1225-1274) behoren tot deze typen. Het derde type, het ontologische godsbewijs, vertrekt vanuit de andere kant: vanuit het idee van God concludeert het tot zijn bestaan. De oorspronkelijke verwoording is van Anselmus van Canterbury (1033-1109). Dat wij een idee van God hebben, zegt Anselmus, is een ontegenzeggelijke waarheid. Zelfs de dwaas die Gods bestaan ontkent, heeft een idee van God, al kent hij aan dat idee geen werkelijkheidswaarde toe. Vervolgens omschrijft Anselmus dat idee van God, dat dus iedereen erkent, als datgene boven hetwelk niets groters of volmaakters gedacht kan worden. En omdat de voorstelling van een enkel gedachte God minder volmaakt is dan de voorstelling van een God die én gedacht kan worden én ook nog bestaat, leidt de voorstelling van het meest volmaakt denkbare noodzakelijk tot de erkenning van het bestaan van die voorstelling. Conclusie: het kan niet anders dan dat het grootst denkbare ook werkelijk bestaat. Anselmus en Philipse kunnen elkaar de hand schudden. Wie goed nadenkt, zegt Anselmus, kan niet anders dan God erkennen.

Het ontologische godsbewijs spreekt, juist door zijn zuiver rationele karakter, het meest tot de verbeelding en houdt dan ook tot op de dag van vandaag filosofen bezig. Toch was het de grote verlichtingsfilosoof (en gelovige) Immanuel Kant (1724-1804) die alle godsbewijzen, inclusief het ontologische, als ongeldig verwierp. In alle godsbewijzen is in zijn optiek sprake van een ongeoorloofd grensverkeer tussen denkwereld en werkelijke wereld. Het bestaan van iets kan niet behandeld worden als een eigenschap van dat iets, zo luidt de kern van zijn weerlegging. Het al dan niet bestaan van een voorstelling verandert niets aan de inhoud van het voorgestelde. Een gedachte driehoek en een echte driehoek hebben exact dezelfde driehoek-eigenschappen. Het al of niet bestaan van een voorstelling maakt het voorgestelde dus ook niet meer of minder volmaakt en daarmee valt de bodem onder Anselmus’ redenering weg. Uiteindelijk berusten alle godsbewijzen, zo meent Kant, op een soort filosofische goocheltruc die de schijn wekt van gedachte euro’s harde valuta te kunnen maken.

Iris Murdoch, die een essay schreef onder de titel Hoe bewijs ik het bestaan van God?, hechtte niettemin grote waarde aan het ontologische bewijs. Niet zozeer omdat dat bewijs werkelijk het bestaan van God zou bewijzen (Murdoch was in tegenstelling tot Kant nu juist niet gelovig), maar omdat het een intuïtie hooghoudt die in het (post)moderne denken verloren dreigt te gaan, namelijk dat in het denken over de werkelijkheid waarin wij leven zich iets ononderhandelbaars, iets onvoorwaardelijks aandient. Murdoch brengt in tegenstelling tot Kant een minder strikte scheiding aan tussen denkwereld en werkelijke wereld. Zij ziet dat ononderhandelbare verwoord in het platoonse Idee van het Goede. In dat licht interpreteert zij Anselmus’ godsbewijs. Zij citeert de theoloog Paul Tillich: “De beperkingen van het ontologisch argument zijn duidelijk. Maar er is niets zo belangrijk voor de filosofie en theologie als de waarheid die het behelst: de erkenning van het onvoorwaardelijke element in de structuur van rede en werkelijkheid.”

Unieke voorstelling
Op de kritiek van Kant had Anselmus (ook zijn tijdgenoten hadden al soortgelijke tegenwerpingen gemaakt) het volgende weerwoord: de voorstelling van het meest volmaakte waar het hier om gaat, is niet die van een toevallig ding in zijn meest volmaakte vorm. Het gaat er niet om dat je vanuit de gedachte aan de meest volmaakte kabouter naar het werkelijk bestaan van die kabouter toe zou kunnen redeneren. De voorstelling waar het in het ontologisch bewijs om gaat, is de voorstelling van het meest volmaakte überhaupt; het meest volmaakte van wat men zich maar aan volmaaktheid kan voorstellen.

Het is een unieke voorstelling die zich onderscheidt van alle andere voorstellingen. En voor deze unieke voorstelling geldt nu juist wel dat het bestaan tot het wezen ervan behoort. Met andere woorden: er is één ‘ding’ dat – in onderscheid tot al het andere – noodzakelijk bestaat en precies daarom ook geen ding is. Het griepvirus, de kolibrie, de Atlantische oceaan, of de planeet Saturnus, zij alle hadden ook niet kunnen bestaan. Hun bestaan is voorwaardelijk. De vraag nu is of er aan de werkelijkheid ook iets vastkleeft dat onvoorwaardelijk is. Ja, zegt Murdoch, het ‘goede’ is absoluut, iets dat nooit kan worden weggedacht uit het leven. Ja, zegt Anselmus, dat onvoorwaardelijke is God, die meer bestaat dan wat ook.

Misschien, zo zou je kunnen zeggen, is de gedachte aan zo iets als God heel voor de hand liggend. Het is de gedachte aan iets ongrijpbaars dat toch wezenlijk is. De godsbewijzen sterken die intuïtie. Ze drukken uit dat die gedachte aan dat ongrijpbaar wezenlijke zo gek nog niet is. Er is ‘iets’ dat nu juist niet iets is, maar ook weer niet niets. God dringt zich op, maar op een onnadrukkelijke manier. Zoals de ‘kluizelaar’ uit het verhaal van Annie M.G. Schmidt, die zich in een boom verscholen houdt; alleen een hand uit het groen steekt met daarin een bordje: “Ik ben er niet”. Het is alsof de koning van de schepping, de bron van het leven wil zeggen: “Let maar niet op mij. Je hebt wel wat beters te doen.”

Uit: Volzin, 30 mei 2008

Print Friendly, PDF & Email

4 reacties

  1. – Hoofdformule filosofie en fysica wordt : E=mc2=Psy. ( Psy : het absolute zijn van de vormen van de logica, als eeuwige, absolute wil, een andere God ) .

  2. – Het enige absolute “zijn” is inderdaad, dit van de eeuwige, wetmatige logica, die andere Logos, en absolute wil ; die dan net als onze wil verwordt tot energie, massa, materie en al, wat is of bestaat . Nieuwe hoofdformule filosofie en fysica wordt aldus E=Mc2= Psy, ; waar Psy staat voor die eeuwige, absolute Logos en andere God..

  3. – Volgens J.Bochenski is de logica het enige absolute zijn door zijn absolute, eeuwige wetmatigheid ; waaraan alle andere zijn en zijnden afhankelijk zijn. Deze geldt dan ook als een absolute wil, die net als onze wil energie kan verwekken, Energie, die dan staat voor massa, materie en al, wat is…; absolute wil als andere Logos en andere GOD…

  4. De meeste redeneringen van dit artikel gaan me “boven de pet”, maar met de slotzin kan ik gelukkig tóch verder.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*