Home » Columns » ‘Dies irae’, niet luguber maar troostend

‘Dies irae’, niet luguber maar troostend

Het besef dat alle dingen ooit ten onder zullen gaan, kan beangstigen. Zo klinkt ook de hymne ‘Dies irae’, over de dag des toorns, menigeen bedreigend in de oren. Toch, zegt Erik Borgman, zit in de hymne een troostende gedachte. Ja, alles wat enkel de logica ‘van de wereld’ volgt, zal met de wereld ten onder gaan, wat (wie) daarvan enige afstand weet te bewaren zal gered worden. “Het besef medeschuldig te zijn aan wat mis gaat en wat mis is, is een teken dat je er niet mee samenvalt. En dat is onze redding!”

Door Erik Borgman

Alles stort in – God zij dank! Dat is de vreemde boodschap van de stukken van het Lucas-evangelie die het rooms-katholieke lectionarium voor november voorstelt. Neem het evangelie van de zondag waarop ik dit schrijf. Als mensen in Jezus’ gezelschap met welgevallen naar de pracht en praal van de tempel in Jeruzalem kijken, zegt Jezus recht voor zijn raap: ‘Er zal een tijd komen dat van alles wat jullie daar zien geen steen op de andere zal blijven; ze worden allemaal neergehaald’ (Lucas 21,6).

In het verborgene

Als zij dan geschrokken vragen hoe zij kunnen weten dat het moment daarvoor is aangebroken, zodat ze op de juiste manier kunnen reageren, waarschuwt Hij dat zij zich niet door hun verlangen naar zekerheid moeten laten leiden. Er is niemand die dat weet. Dat hoeft ook niet, want God is trouw en wie in haar of zijn trouw aan God volhardt, zal het leven redden (vers 19).

Laat je dus niet in de luren leggen door het kabaal waarmee de wereld suggereert dat zij het allerbelangrijkste is. Het gaat om wat er in het verborgene plaatsvindt: dat is de grondovertuiging van de evangelist Lucas. Vanaf de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper aan Zacharias en van Jezus’ geboorte aan Maria, die alleen bij hem te vinden zijn, suggereert Lucas dat er beslissende dingen gebeuren in onze wereld, maar dat deze door vrijwel iedereen over het hoofd worden gezien. Het kerstverhaal is daarvan het ultieme voorbeeld.

Ook in verband met de tempel richt Lucas de aandacht van zijn lezers niet op de schittering, maar op de weduwe die geen rijkdom had om in het offerblok te gooien en daarom “van haar armoede alles wat zij heeft” gaf (Lucas 21,1-4; vgl. Marcus 12,41-44).

Catastrofe

Toen de evangelies geschreven werden, was naar alle waarschijnlijkheid de tempel in Jeruzalem al door de Romeinen verwoest. Niet zo gek daarom dat de eerste christelijke gemeenten zich afvroegen wat dit te betekenen had. Zij concludeerden dat het liet zien dat de tempel teveel onderdeel geworden was van de orde die op gespannen voet stond met Gods bedoelingen. De tempel en de dienaars van de tempel hadden tot taak een andere logica hoog te houden dan die van geld en macht, maar zij hadden gefaald. Wat Jezus op kleine schaal doet als Hij de handelaren uit de tempel drijft, waarbij Hij deze ‘een rovershol’ noemt (Matteüs 21,13; Marcus 11,17; Lucas 19,46; vgl. Jeremia 7,11), dat gebeurt op grote schaal als er van de tempel geen steen op de andere blijft en alles wordt neergehaald (Marcus 13,2; Lucas 21,6), zo is de suggestie.

Het is moeilijk te verteren dat God historische catastrofes zou ontketenen om zijn punt te maken en ons ons falen onder de neus te wrijven. In de door mij zeer bewonderde encycliek Laudato si’ wordt gesuggereerd dat de effecten van de klimaatverandering een Godgewilde catastrofe zouden uitmaken. Dit stuit mij tegen de borst. Hoe zit dat dan met het feit dat degenen die er het meest schuldig aan zijn, zich het beste tegen deze effecten kunnen verdedigen en relatief onschuldigen het meest slachtoffer zijn?

Dag van woede

Toch merk ik bij mijzelf de laatste tijd ook sympathie voor het idee dat er een dag van woede gaat komen die de bestaande wereld in as zal doen vergaan. Zo wordt het gezegd aan het begin van de dertiende-eeuwse hymne ‘Dies irae’ die lang onderdeel was van de rooms-katholieke uitvaartliturgie. Tegenwoordig wordt deze “omwille van de lugubere sfeer”, aldus Wikepedia, in dat verband niet vaak meer tot klinken gebracht. Het ‘Dies irae’ is nog wel onderdeel van het Getijdengebed, officieel in de laatste week van het kerkelijk jaar, vanaf het feest van Christus Koning. Ik gebruik de tekst vanaf begin november, vanaf Allerzielen.

Want ik vind de tekst uiteindelijk helemaal niet luguber. De taal is wel opvallend direct en zonder opsmuk. Bijvoorbeeld als het gaat over het Laatste Oordeel. De poëtische vertaling is van Jan Willem Schulte Nordholt:

Hoeveel angst wordt dan geleden
als de rechter op gaat treden
streng beziend’ ieders verleden.

Een bazuin zal schel weerklinken
en alwie in ’t graf moest zinken
dwingen naar zijn troon te hinken.

Wie zal als de mensen opgaan
en natuur en dood verbaasd staan
tegen ’s rechters oordeel ingaan?

Dan brengt men het boek naar voren
en laat ieder alles horen
wat de wereld is beschoren.

Afstand

Maar het hele punt van de hymne is dat we worden gered naar de mate waarin we afstand weten te bewaren van wat doorgaat voor de onvermijdelijke gang der dingen:

Hoor mijn zuchten, ik ben schuldig,
schaamrood kleurt mij menigvuldig,
God, hoor hoe ‘k U smeek en huldig. […]

Laat mij niet bij bokken dwalen,
wil mij bij uw schapen halen,
dan geneest uw hand mijn kwalen.

Het besef medeschuldig te zijn aan wat mis gaat en wat mis is, is een teken dat je er niet mee samenvalt. En dat is onze redding! De logica van de wereld en alles wat deze logica dient zal tot stof en as vergaan. Dat is angstaanjagend voor zover je van deze wereld bent.

Wat daar afstand van heeft weten te houden echter, zal behouden blijven en bevrijd zijn van wat het nu marginaliseert. We vechten vaak tegen de bierkaai en dat is niet zelden moedeloos makend. Maar de bierkaai gaat ten onder en niet de onmogelijke overwinning erop, maar ons verzet ertegen blijkt in God onze hoop uit te maken. Ik vind dat niet luguber, ik vind dat troostend.

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*