Home » Spiritualiteit » Eenvoud – een beknopte geschiedenis voor vandaag

Eenvoud – een beknopte geschiedenis voor vandaag

Het moderne leven is complex, veelvoudig en stressvol. Eenvoud is vaak ver te zoeken, constateert theoloog Frans Maas. “Complexe en vaak drukkende veelvoud is de situatie. En voor wie die veelvoud niet meer geldt – bijvoorbeeld bij het ouder worden – kan zij opnieuw verschijnen als verveling, niets dat nog trekt: leegte.” Kan eenvoud, als christelijk-spirituele deugd, de moderne mens verder helpen? Frans Maas, kenner van de christelijke spiritualiteit, doet een poging en stelt vier bezinningsvragen.

Door Frans Maas

Eenvoud is niet hetzelfde als naïviteit of simpelheid. Naïef is wie met de vele mogelijkheden die zich aandienen geen raad weet, of zonder veel nadenken er één kiest en daar alles op inzet. Vanuit het gezichtspunt dat mij voor ogen staat, is eenvoud alle mogelijkheden beschikbaar houden, maar bij prioritering en realisering ervan zich laten leiden door de ene werkelijkheid die er toe doet. Wat die ene werkelijkheid is, zal van persoon tot persoon verschillen, maar ze is in ieder geval van een andere orde dan de mogelijkheden. Zoals doelen van een andere orde zijn dan middelen.

Gefragmenteerd leven

We leven in een tijd waarin zich een veelvoud van doelen en middelen aandienen en ons zelfs verplichten. Het leven van veel hedendaagse mensen is bij uitstek gefragmenteerd in tal van taken, zorgen en vermaken. Er bestaat voor velen nauwelijks nog een groter geheel – een groot verhaal – waarin die vele zaken tot elkaar geordend zijn. In die veelheid vervaagt prioriteit gemakkelijk. Wat meer en minder belangrijk is, wordt onduidelijk. Alles legt in bijna gelijke mate beslag op onze aandacht en inzet. Werk, ontspanning, familie, vrienden, cultuur, wetenschap, aan jezelf toekomen, al deze dingen claimen onze tijd en energie. Sommigen verdwalen in die veelheid en vervreemden van zichzelf.

Willen we niet verloren lopen, dan komt het erop aan die ene werkelijkheid in beeld te hebben die er voor ons toe doet en daarnaar de vele wegen en middelen te ordenen. Uiteraard bestaat er discussie wat die ene werkelijkheid dan wel is. Voor religieuze mensen zal die wellicht anders zijn dan voor seculieren. Maar kunnen bijvoorbeeld materieel bezit of macht ook zo’n werkelijkheid zijn, of zijn dat middelen? In ieder geval zijn er verschillende benaderingswijzen en daarmee ook verschillende gestalten van die ene werkelijkheid. Voor de filosofie zou die gestalte wijsheid kunnen heten, voor de politiek het best mogelijke sociale contract, voor het onderwijs vorming in een brede zin van het woord, voor een religieus-spirituele visie is dat God.

In een christelijke context kan men misschien wel tien of meer profielen van eenvoud als spirituele deugd onderscheiden. Ik baseer me hier vooral op het Dictionnaire de Spiritualité, waar het thema behandeld wordt in drie hoofdstukken[1]. In alle drie is de Godsrelatie cruciaal. Het eerste profiel stelt de houding voorop en is meer ethisch van signatuur: leven zoals God is. Het tweede profiel is meer mystiek of metafysisch van aard en stelt het zijn van de mens centraal: zijn in God. Het derde is meer praktisch: eenvoud als verzet tegen nodeloze ingewikkeldheid; ook dit sluit aan bij de Ene die God is. Het laatste echter zal ik proberen te vertalen naar hedendaagse situaties.

Houding en ethiek: mens uit één stuk, rechtuit

Iemand van wie je weet wat je aan hem hebt, rechtuit, zonder dubbele agenda, zonder wankelmoedigheid of weifeling, vastberaden en uit één stuk, integer en gerecht, zo iemand is eenvoudig. In de Bijbel worden zulke termen primair in cultische context gebruikt, ze worden van God gezegd. Vandaaruit worden ze getransponeerd naar menselijke moraliteit en religiositeit. Zoals God is, zo streeft de mens te worden. Zo wordt van Abraham, Noach en Job gezegd dat ze gerechte en integere mensen zijn, uit één stuk, naar Gods hart. Dat maakt ze sterk. Zowel voor Abraham als voor Job geldt dat de tegenstrijdigheden van het leven – zegening en beproeving – hen niet verpulveren. Geluk en ongeluk worden juist bijeengehouden in het enkelvoud van de Godsrelatie. Beide worden aanvaard als komend van God. Dat geldt in de evangeliën ook voor de complexe hoeveelheid wetsvoorschriften. Jezus schaft geen wetten af, maar brengt ze terug tot waar het om gaat: de liefde tot God en de naaste. Met die eenvoud repliceert hij de dubbelhartigheid van de farizeeën die de Wet aanwenden, onder meer om hem in de val te lokken (Mt 22,37) en over mensen te heersen. Paulus ziet in eenvoud vooral het aspect van generositeit zonder bijbedoelingen: dat gemeenten delen met elkaar wat nodig is (2 Kor 9,10-13), zoals God genadig geeft. Geven uit innerlijke overtuiging mag niet belemmerd worden door met de gave in het oog te willen springen. Via ogendienst sluipt immers de dubbelhartigheid weer binnen.

Het tegendeel van zulke tweeslachtigheid is wat ook de Apostolische Vaders bij eenvoud voor ogen staat: dat er in taal, houding en gedrag geen tweespalt is tussen innerlijk en uiterlijk. Eenvoud is het tegendeel van de leugen waarin ook de openheid voor God en voor het geloof teloorgaat. In die lijn krijgt eenvoud een betekenisaspect van kinderlijke openheid, niet bezet zijn door mitsen en maren. Echter, het eenzijdige benadrukken van die openheid en gehoorzaamheid leidde tevens tot de meer pejoratieve betekenis van naïviteit. Daartegen ontstaat dan weer verzet, onder anderen van Clemens en Origenes van Alexandrië die eenvoud uitdrukkelijk combineren met kennis en dialoog.

Bij Augustinus en andere Latijnse kerkvaders worden al deze betekenisnuances van eenvoud hernomen, waarbij de deugd van zelfbeheersing en het houden van de goede menselijke maat op de voorgrond komen. Met name betweterij wordt dan het tegendeel van eenvoud. Augustinus benadrukt dat die menselijke maat altijd beperkt is, doordat mensen alles wat ze zijn en weten van God gekregen hebben. God weet alles en kan daarin geen maat te buiten gaan. Eenvoud geldt volgens hem in strikte zin dus alleen voor God. Maar door de genadegave kunnen mensen wel deel hebben aan die goddelijke eenvoud en er op gaan gelijken.

In het oude en middeleeuwse monnikendom blijft eenvoud een specifieke levenshouding, maar er treden weer nieuwe aspecten op de voorgrond: onschuld, zuiverheid, nederigheid, gehoorzaamheid, oprechtheid, liefde en geloof. Al deze levenshoudingen ontwikkelen zich in het spoor van ware godskennis. Ze staan tegenover tweeslachtigheid, weifelmoedigheid, list en pretentie. Vooral in het Westen vermengen deze houdingen zich met een argwaan tegenover de seculiere cultuur en wetenschap.

Goddelijke zijnskwaliteit in mensen

Met name Meister Eckhart verdiept in de late middeleeuwen eenvoud tot op een mystieke laag. Mensen kunnen in hun ziel Gods eigen ene leven ontdekken. Van daaruit kunnen zij zich weerbaar maken tegen de veelheid van zorgen en plichten, tegen de fragmentatie die het leven vaak met zich meebrengt. Eenvoud is op de eerste plaats een goddelijke zijnskwaliteit in mensen. Eckhart zoekt theologisch naar de wortels van eenvoud als levenshouding. En die vindt hij in het ene goddelijke leven waaraan elk schepsel in de grond van de ziel deelgenoot is. Maar dat is niet vanzelfsprekend. Want de meeste mensen komen nauwelijks in de grond van hun ziel. Een mens is geneigd op te gaan in een meer oppervlakkige veelheid van dit en dat, hier en nu, toen en straks, kortom van één of meer levensfragmenten. Veel mensen verliezen zich daarin, zelfs als die vele dingen op zichzelf goed zijn. Ze leven dan versnipperd en oppervlakkig. Daarvan loskomen is de weg om bij het ene goddelijke leven in de ziel te komen. Dat is onthechting.

Dat betekent niet dat die vele dingen niet gedaan of gedacht en gelaten moeten worden. Het betekent wel dat ze slechts belangrijk zijn in verbinding met het Ene Leven dat God is. In de grond van zijn ziel dat ene Leven meeleven: dat is eenvoud. In Eckharts eigenzinnige interpretatie van het verhaal van Maria en Martha[2] is Martha het toonbeeld van de mens die de veelheid van zorgen aankan, doordat zij in de grond van haar ziel in aanraking is met de drie-ene God. Zo iemand loopt niet meer verloren in de veelheid. Maria is nog niet zo ver. In het op zichzelf goede – namelijk het gesprek met de Heer – zoekt zij naast het Ene nog het andere, en daarmee is het niet het Ene, blijft het nog op het niveau van het dit en dat. Maria zit volgens Eckhart nog in de leerschool van het leven. Ook zij echter zal komen tot waar Martha is, namelijk tot ‘de Ene mee-leven ín al het andere’.

Dit mystieke spoor van de eenvoud wordt door meerdere groten in de westerse spiritualiteit gevolgd, om te beginnen door Johannes Tauler en Jan van Ruusbroec. Tauler verbindt die eenheid in de grond van de ziel ook met geloofsbeleving voor leken. Hij propageert ‘eenvoudig geloof’. Dat houdt in dat men niet alle geloofsinhouden in detail in beeld hoeft te hebben. Eenvoudig geloofsvertrouwen volstaat. In vergelijkbare zin focust Ruusbroec op de eenvoud als Godsverlangen. Weliswaar beschouwt hij dit Godsverlangen niet als reële verlichting, maar dit eenvoudige Godsverlangen is toch sterker dan alle deugden samen. Waar voor Eckhart eenvoud ligt in het diepste zijn van de mens (in aanraking met Gods Ene Leven), wordt de eenvoud nu in zijn spoor toch meer in de psychologische sfeer van intentie en beleving getrokken. Zo ook bij Thomas van Kempen: zich losmaken van alle dingen, om op God gericht te zijn.

In de 16de eeuw wordt Eckharts draad weer in striktere zin opgenomen. Zo staat in De evangelische parel eenvoud tamelijk centraal. Je losmaken van de vele beelden en dingen maakt dat mensen God kennen en één wezen met Hem worden. De weg daartoe is inkeer. Inkeer is eveneens het trefwoord in de Spaanse mystiek. Johannes van het Kruis gaat het om de eenvoud van het geloof. Rituelen en methoden, uiterlijke en innerlijk beelden zijn dienstig maar kunnen ook die eenvoud verhinderen. Ook bij hem is het loslaten van alle dingen het begin van de omvorming van de ziel in God. Hij besteedt bijzonder veel aandacht aan dat loslaten en aan de ingewikkelde processen die zich daarbij afspelen. Maar dit loslaten is ook bij hem als het ware de voorzijde van wat aan de achterkant de vereniging met God is. Dat laatste is eigenlijk van meet af aan, zij het in het verborgene, al betrokken bij het hele onthechtingsproces. Een mens kan immers slechts ontkennen, loslaten, nee-zeggen tegen dingen, als hij ergens weet heeft van datgene waar hij ja tegen zegt. Zoals blijkt in de derde strofe van zijn gedicht De Donkere Nacht, waar hij van het verlaten van zijn vertrouwde huis zegt geen ander leidslicht te hebben dan wat in zijn binnenste brandt.[3]

De 17de-eeuwse Franse School neemt Eckharts lijn terug op in een meer gematigde vorm. Eenvoud is de deugd bij uitstek van de Godsrelatie en daarom omvat zij alles, inclusief waarheid en zuiverheid. Maar het gaat bij Franciscus van Sales bijvoorbeeld niet om het leeg worden van beelden en daardoor meteen aan het Ene Leven te raken, het gaat om de intentie daartoe en de weg van de navolging. Niet de via negativa maar de positieve intentie tot Godsliefde staat centraal. Vincentius a Paulo en anderen sluiten zich daarbij aan, maar nemen tegelijk nog meer de ethische traditie op in verband met eenvoud: geen listigheid of bedrog, maar ook nederigheid in de zin van zijn eigen grenzen kennen. Vaak wordt de goddelijke Kindsheid van Jezus als toonbeeld voorgehouden.

Eveneens in de 17de eeuw is er een school van spirituele auteurs zoals Jean de Saint-Samson voor wie eenvoud eveneens alomvattend en primair is, maar die weer eerder het radicale loslaten van materiële en mentale middelen en beelden benadrukken. Zij nemen Eckharts onthechting absoluut, echter zonder dat uitdrukkelijk te combineren met Gods Leven in de ziel van de mens en de terugkeer naar zorg en werk op aarde. Ook in tegenstelling tot Eckhart hebben ze inzake spiritualiteit weinig waardering voor reflectie en theologie.

Zijdelings daarmee verwant is het debat in diezelfde tijd rondom het zogeheten quiëtisme. Jeanne Guyon stelde in haar spiritualiteit de ‘acte simple’ primair, namelijk dat het bij alle uitwaaiering van de geest naar uiterlijke zaken toch mogelijk is in aandacht eenvoudig terug te keren naar God. Deze toespitsing werd echter vaak eenzijdig begrepen als een systematische afkeer van alle reflectie. Met name Bossuet valt haar daarop aan, terwijl zij in Fénelon een verdediger vindt. Deze laatste is niet afkerig van complexe reflectie, maar hij ziet die uiteindelijk toch uitmonden in eenvoud.

Spirituele vragen voor vandaag

Vanuit spiritualiteit gezien hebben we leven in eenvoud in twee beddingen zien stromen: een meer ethische en een meer mystieke. Hoewel de vertakkingen van de stromen elkaar geregeld kruisen, loopt de meer ethische bedding vooral tot aan de late middeleeuwen, en de mystieke vandaar en later. In de eerste bedding is eenvoud vooral gefocust op integer handelen, hij is het contrapunt van de leugen. In de tweede bedding is eenvoud een verdieping van het zijn van de mens, tot op Gods eigen leven. Beschouwing van dit proces van verdieping in de mystieke theologie en de realisering ervan gaan hand in hand. Welbegrepen loslaten is hier een trefwoord.

Tot welke aandachtspunten en mogelijke inzichten voor vandaag kan deze historische schets ons brengen? Ik probeer er hier enkele te formuleren in de vorm van vragen voor zelfbezinning. Het zijn vragen bij de eerder gedane constatering dat het leven vandaag voor veel mensen ontzettend complex is, niet eenvoudig maar veelvoudig en vaak stressvol. Een eenheid-scheppend principe, een zogeheten groot verhaal, is voor veel mensen dikwijls afwezig of nauwelijks meer werkend. Complexe en vaak drukkende veelvoud is de situatie. Voor wie die veelvoud niet meer geldt, bijvoorbeeld bij het ouder worden, kan zij opnieuw verschijnen als verveling: niets van dat alles trekt nog. Leegte.

Eerste bezinningsvraag: in welke mate spelen verborgen agenda’s en dubbele intenties een rol in datgene wat we doen? Eenvoud stelt vanouds de kwestie van tweeslachtigheid aan de orde. Nu kunnen we in wat we doen natuurlijk meerdere doeleinden tegelijk beogen. Maar de vraag is of daar ook zaken bij zijn die we voor onszelf liever op de achtergrond houden. Met name spitst zich dat toe op de vraag in welke mate we bij wat we ondernemen ook eigenbelang, zelfbehoud en betekenis of naam op het oog hebben. Wellicht is dit natuurlijk, maar het bewustzijn daarvan maakt het mogelijk ook daar iets mee te doen.

Tweede bezinningsvraag: Verbergen de drukte en de stress misschien de verlegenheid omtrent de vraag wat dat ene is dat er eigenlijk toe doet? Of sterker, dienen zij wellicht juist om die vraag weg te houden of vóór te blijven? Voor velen, ook voor mensen die in de christelijke traditie willen staan, is dat ene niet meer in beeld. We hebben er geen verhaal meer bij, geen woorden meer voor, er is daaromtrent een zekere sprakeloosheid ontstaan. Dat betekent ook dat er geen of nauwelijks nog inbedding is in een gemeenschap, waar als vanzelfsprekend dat ene overeind gehouden wordt in gedrag, rituelen en gezamenlijke overtuigingen. De voortgeschreden individualisering houdt dan ook in dat iedereen afzonderlijk verantwoordelijkheid moet nemen voor wat hij of zij zou kunnen zien als het ene dat er toe doet. En dan zitten er altijd haken en ogen aan. Het kan kwetsbaar zijn, gedateerd of ongewilde associaties oproepen. Kortom, verlegenheid met dat ene waar het in ons leven werkelijk om gaat. En om die te ontlopen storten mensen zich soms in een veelheid van zaken, waarin men kan verdwalen.

Derde bezinningsvraag: Misschien is het zo dat krampachtig en rusteloos zoeken naar dat ene via tal van uiteenlopende wegen en methodes juist het vinden ervan verhindert? En daarmee werkzame eenvoud belemmert? Juist op het gebied van de spiritualiteit heeft zich de laatste decennia een trend van ‘shoppen’ ontwikkeld. De klassieke oude scholen van spiritualiteit met hun beproefde maar soms ook nauwelijks geïnnoveerde wegen zijn voor velen niet meer aantrekkelijk. Dat biedt marktruimte voor een overdadig aanbod van oefeningen, praktijken en workshops, waarbij vaak wellness naar lichaam en geest grote aandacht heeft. Daar is op zichzelf niets mis mee. Ook de klassieke scholen laten zien hoe het begin van spirituele groei met aantrekkelijkheid gepaard gaat. Het is alleen zaak daar waar de religieuze cultuur slijtage vertoont (dorheid, nacht, woestijn), door te zetten. Maar velen die voor een bepaalde praktijk gekozen hebben, geven het op waar het niet meer ‘leuk’ is en beginnen elders, met opnieuw de aantrekkelijkheid van het begin. Dat is shoppen: van het een naar het ander hoppen en afhaken waar het serieus wordt. Zo blijft men in de veelheid haken. Het ene is evenwel aan de methode voorbij – met welke methode men ook begint. De luxe van de methode verdwijnt in de nadering tot datgene wat ertoe doet.

Vierde bezinningsvraag: kan het zelfgekozen of door socialisatie opgedrongen ene doel het vele andere maar ook het eigenlijke verdringen? In spiritualiteits- en welzijnsland zie je vandaag soms ook wel een soort dwangneurose rondom het ene dat telt. Het complexe leven wordt bedwongen met eenzijdige regulering. Bijvoorbeeld: niet de ratio maar enkel het gevoel, luister naar de stem van je ‘zelf’, zuiver het lichaam door bepaald soort voedsel of kruiden, gehoorzaam de goeroe, volg deze meditatiepraktijk en alles is oké, enzovoort. In extreme mate worden zulke monomane reducties van het vele tot het ene gepraktiseerd in sektes, met veelal mannelijke leiders. Trouwens ook in de traditionele christelijke spiritualiteitsscholen bestonden soms rigoureuze voorschriften die alles moesten bedwingen. Zulke opgelegde eenvoud terroriseert. Alles moet oké zijn. Het afwijkende en het minder prettige, zeker het leed, mag niet bestaan. Het uiteenlopende en diverse van het leven wordt als het ware in een mal gedrongen. Eenvoud wordt dan juist niet bereikt, doordat de veelheid van het leven verdrongen wordt en dus ook niet geordend kan worden naar het ene.

De relativiteit van het vele

Eenvoud betekent niet dat de complexiteit en de veelvuldigheid van leven weg gedaan moet worden, wat trouwens onmogelijk is. Het mag er allemaal zijn. Maar het moet geordend worden naar dat Ene toe dat er toe doet. Eenvoud geeft juist aan het vele zijn eigen specifieke plaats. Het vele is niet minderwaardig, maar relatief, dat is: in relatie staand met de Ene. Het is daarbij allerminst een voorwaarde dat men dat Ene helder in beeld heeft. Integendeel zelfs, het eerste van de Tien Woorden van Mozes en de hele apofatische of negatieve traditie in de spiritualiteit zeggen dat dit niet mag noch kan. Dit neemt echter niet weg dat die Ene die niet voluit genoemd kan worden, krachtig leidend Principe van leven kan zijn. Juist in het niet-weten breekt vanuit de Ene oriëntatie door. Dat is eenvoud.

————————–

Frans Maas is theoloog. Hij doceerde in Tilburg en was hoogleraar Spiritualiteit in Utrecht en Nijmegen. Hij was verbonden aan het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen en was redactielid van TGL en Speling.

[1] Vgl. Dictionnaire de Spiritualité 15, s.v. Simplicité. De vele accenten en betekenisverschuivingen worden hier in historische orde besproken.

[2] Vgl. Meister Eckhart, Deutsche Predigten und Traktate, ed. Josef Quint, München z.j., Pr. 28, Intravit Iesus, 281-298; in Nederlandse vertaling: Meester Eckhart, Van God houden als van niemand, Gent/Baarn, 2001, 116-135.

[3] Joannes van het Kruis, Mystieke Werken, ed. Jan Peters o.c.d. en J.A. Jacobs, Gent 1975, 828v.

Bron: Tijdschrift voor Geestelijk Levennr. 2019/1, themanummer:  Eenvoud en spiritualiteit. Zoeken naar het ene nodige.

Voor verdere informatie over TGL zie www.tgl.be. Besteladres Nederland: ahmmetz1941@kpnmail.nl. Besteladres België: abonnementenTGL@kerknet.be of info@tgl.be. Kosten per los nummer: € 8,50 plus verzendkosten.

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*