Home » Columns » Geloven in onze pijn als kracht ten leven

Geloven in onze pijn als kracht ten leven

Iedereen lijkt de coronacrisis en de lockdown vooral achter zich te willen laten. Maar wordt daarmee wel recht gedaan? Allereerst aan de gestorvenen en hun nabestaanden, maar uiteindelijk aan hetgeen wij hebben meegemaakt. De corona-pandemie is volgens Erik Borgman een oproep tot bekering. Tot onze kwetsbaarheid.

Door Erik Borgman

Op 30 maart 2020 publiceerde de Romeinse Congregatie voor de Eredienst een orde van dienst – in rooms-katholiek jargon ‘misformulier’ genoemd – voor een Missa in tempore universalis contagii, een mis ten tijde van een pandemie. De Nationale Raad voor de Liturgie van de Rooms-Katholieke Kerkprovincie publiceerde de Nederlandse vertaling op 17 mei. Die is hier te vinden. De suggesties die in deze ‘coronamis’ worden gedaan, helpen mij om dieper te laten doordringen wat COVID-19 betekende en nog betekent.

Als eerste Bijbellezing raadt de Congregatie voor de Eredienst een passage aan uit Klaagliederen. Dit Bijbelboek beschrijft verschrikkelijke scènes. ‘Kinderen en ouden van dagen liggen in het stof van de straten, meisjes en jongens zijn neergeslagen door het zwaard, zonder genade uitgemoord op de dag van uw toorn’ (2,21). Zo was het niet letterlijk, maar we hebben allemaal uit de afgelopen maanden ten hemel schreiende scènes op ons netvlies.

Aanmoediging

Het lijkt in Klaagliederen of God zelf zich tegen Jeruzalem heeft gekeerd: “De Ene was als een vijand: Israël heeft Hij vernietigd, de burchten verwoest, de vestingen gesloopt. Daarom kon Juda slechts zuchten en klagen” (2,5). Het resultaat is “één braakland, één woestenij”(3,11) en absolute uitzichtloosheid. “Hij liet mij in duisternis wonen, als dood voor altijd. Hoe ik ook schreeuwde en riep, Hij hoorde mijn smeekbeden niet” (3,6 en 8).

Toch moedigt de auteur zijn lezers aan: “Roep de hele nacht de Ene aan … en bidt met de handen geheven voor het leven van uw kinderen die nu op de hoeken van de straten van honger verkwijnen” (2,19). Het is dezelfde koppigheid al waarmee Job maar blijft zeggen: “Ik weet, ik ben er zeker van: mijn losser leeft, ten slotte zal Hij deze wereld binnentreden” (Job 19,25).

De voorgestelde lezing uit Klaagliederen in de coronamis begint: “Geluk bleef weg van mij, wat welstand is wist ik niet meer en ik dacht: ‘Mijn hoop op de Ene blijkt vervlogen, ik leef zonder hoop.'” Maar ook hier: “Ik prent het mij desondanks in – dat geeft mij hoop: zonder einde is de genade van de Ene, onuitputtelijk zijn medelijden, Uw grote trouw is iedere ochtend weer nieuw” (3,17-18.22-23).

Onweerstaanbare kracht ten leven

De grondslag van deze ‘en toch’-hoop wordt ultrakort uitgesproken in de openingstekst van de coronamis: ‘Hij heeft onze ziekten op zich genomen, en onze smarten heeft hij gedragen’ (Jesaja 53,4). Bij de profeet Jesaja is dit zinnetje onderdeel van zijn liederen over de lijdende dienstknecht. Deze teksten worden al in de evangelies op Jezus toegepast. In Jezus deelt God in onze smarten, is Hij het protest dat zich verbergt in onze pijn en onze tranen.

Dit is het begin van de overwinning erop. Immers, zoals de apostel Paulus schrijft, als Hij zelfs gedeeld heeft in onze Godverlatenheid, wie zal ons dan nog kunnen scheiden van de liefde van God? (Romeinen 3,39). En Gods liefde is uiteindelijk een onweerstaanbare kracht ten leven, zo is in Jezus’ verrijzenis gebleken.

Onverschilligheid

De gesuggereerde evangelielezing in de coronamis is het verhaal over de storm op het meer. Terwijl de golven over de boot slaan waarin Jezus’ leerlingen zitten, ligt Jezus op het achterdek op een kussen te slapen (Marcus 4,38). De leerlingen wekken hem in paniek en Hij legt wind en water het zwijgen op, tot verbazing van iedereen. Maar Hij zegt vervolgens tegen zijn leerlingen: “Waarom zijn jullie bang? Hebben jullie nog geen vertrouwen?” (vers 40).

Paus Franciscus hield voorafgaand aan de bijzondere Urbi et Orbi-zegen in Rome op 27 maart een overweging bij dit evangelie. Hij stelt dat het ongeloof van de leerlingen niet was dat ze Jezus wekten – dat is in zekere zin juist een teken van geloof – maar in de manier waarop. “Meester, kan het U niet schelen dat wij vergaan?” (vers 38). Zij suggereren dat wat er gebeurt Jezus onverschillig laat.

Illusie

Wie denkt dat zijn of haar lot voor niets en niemand van betekenis is, die kan op niets anders vertrouwen dan de eigen kracht. Dat hebben we gedaan, zegt de paus, tegen beter weten in: “We gingen onverschrokken verder, met de gedachte dat we wel altijd gezond zouden blijven in een zieke wereld.” Dat is met de pandemie een illusie gebleken.

De conclusie is dat de coronacrisis een beroep op ons doet. “Een beroep op ons geloof”, zegt paus Franciscus, namelijk het geloof dat ook dit kwaad niet onverschillig is en laat en waar dat serieus wordt genomen, het tot een bron van goedheid kan worden gemaakt. “Het is niet de tijd van Uw oordeel, maar van ons oordeel: de tijd om te kiezen tussen wat werkelijk telt en wat voorbijgaat, om te onderscheiden wat nodig is en wat niet.”

Hebben wij vertrouwen in onze pijn en onze angst, dat ze van God komen en een kracht tot leven zijn? Of gaan we weer doen of we gezond kunnen worden en blijven in een zieke wereld? We moeten niet zo snel mogelijk terug naar normaal. Dat normaal was gebaseerd op een illusie waaruit we ons zouden moeten bevrijden.

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*