Home » Columns » Generaties

Generaties

Als onderdeel van een drie-generatie huis verbaast René Grotenhuis zich regelmatig over de veranderende relatie tussen ouders en kinderen in onze samenleving. In de jaren zeventig en tachtig stonden familierelaties onder druk. Nu lijkt, ondanks de individualisering, de rol van familieverbanden en intergenerationele relaties weer toe te nemen. Voor deze veranderende betekenis van familie en gezin is maar weinig aandacht.

Door René Grotenhuis

Twee maanden geleden werd mijn derde kleinkind geboren en de vierde kan zich elke dag aandienen. En dus is er voor opa werk aan de winkel, zijn we onderdeel van de oppasagenda en zijn we achtervang voor als het nodig is. Omdat we sinds een half jaar onderdeel zijn van een drie-generatie huis met onze oudste dochter en haar gezin, ben ik me meer dan ooit bewust van wat het betekent grootouder te zijn.

Ik verbaas me er vaak over hoe de relatie tussen ouders en kinderen in één generatie is veranderd. In de jaren zeventig en tachtig was die inschakeling van grootouders veel minder vanzelfsprekend. Je wilde vooral je onafhankelijkheid bewaren in de nasleep van de jaren zestig waarin we ons ontworstelden aan de druk van het (ouderlijk) gezag. In de vakanties was het soms wel handig als de kinderen bij opa en oma konden logeren, maar het was bepaald niet vanzelfsprekend om grootouders elke week één of twee dagen over de vloer te hebben.

Nu is het haast vanzelfsprekend dat ouders een rol spelen in de opvang en zorg van kleinkinderen. De vraag is eerder of en welke grenzen je als grootouder kunt stellen aan het beroep dat op je wordt gedaan. En omgekeerd claimen grootouders het recht op contact met hun kleinkinderen, soms tot bij de rechter aan toe (hetgeen overigens niet werd toegewezen).

Die ontwikkeling is opvallend omdat er tegelijkertijd sprake is van forse relativering van familiebanden en van gezinsverbanden. In de individualistische samenleving van vandaag waarin relaties en netwerken flexibel zijn en mobiliteit betekent dat je je niet teveel moet hechten omdat alles maar tijdelijk is, zou je eerder verwachten dat gezins- en familieverbanden steeds losser worden. Ook de toegenomen welvaart maakte de economische noodzaak om op familie terug te vallen voor opvang en zorg minder noodzakelijk. Als sociale pijler van de samenleving leken gezin en familie op de terugweg: ook zonder kan je prima je leven inrichten en leiden. Vriendengroepen en nieuwe netwerken zouden die rol overnemen.

Beetje schraal

Ik weet niet zo goed hoe die ontwikkeling begrepen en geduid moet worden. Doet deze ontwikkeling zich vooral voor bij mensen als ze kinderen krijgen en betekent dat dat de afname van het belang van familie doorgaat voor alleenstaanden en mensen zonder kinderen? Gaat het hier om iets wat beperkt blijft tot mensen die zelf weer kinderen krijgen en dan de betekenis van familieverbanden en intergenerationele relaties weer in de praktijk ervaren?

Hoewel ik het vakgebied niet bijhoud, heb ik niet de indruk dat er veel onderzoek plaatsvindt op het terrein van gezin en familie en de (veranderende)betekenis daarvan. In ieder geval is er weinig wat daarvan doorsijpelt in media en in het publieke debat. Het gezin komt slechts om de hoek kijken als het gaat over de positie van kostwinners of over de arbeidsdeelname en arbeidsmarktpositie van vrouwen. Dat lijkt me een beetje schraal. Familie en gezin zijn eeuwenoude sociale instituties die centraal waren in het leven van mensen. In deze institutie (net als in de kerken) was veel van het sociale kapitaal van de samenleving verankerd. De betekenis daarvan is niet zomaar voorbij. Een tijd lang dachten sociologen dat de rol van familie/gezin en kerk was uitgespeeld. Ik geloof dat dat niet zo is, al veranderen ze onder invloed van de moderniteit. Mijn individuele ervaring als bewoner van een drie-generatie huis is daarbij slechts één praktijkvoorbeeld. Het maakt me nieuwsgierig.

Print Friendly, PDF & Email

Over René Grotenhuis

1 reactie

  1. De gemeenschap van meerdere generaties is – als ideaal – natuurlijk prachtig, want verrijkend en stabiliteit bevorderend enz., maar dan moet het wel gaan om mensen die niet getraumatiseerd zijn door oorlog, geweld, ziekte, armoede, ontworteling enz. Alles hangt dus af van de omstandigheden én feitelijke persoonlijkheden van de deelnemers. Wat verder statistiek en sociologie allemaal mogen beweren: zij kunnen en zullen nooit normatief zijn voor wat moet en of zal zijn. Daarvoor hebben christenen e.a. nog altijd hun levensbeschouwing en haar bronnen. Voor christenen dus de heilige Schrift, met als kern de Liefde, de Tien Geboden, gedegen zelfkennis en geloof in, plus vertrouwen op God, Jezus, Maria enz. En dan ligt het voor de hand om te erkennen dat we het leven nooit alleen aankunnen en dat leven dus samen (in dialoog) gestalte moeten geven. Of en in hoeverre je oudere en of jongere familieleden daarbij kunt betrekken, hangt dan ook af van de integriteit van ieders persoonlijkheid. Dat vraagt derhalve steeds om een ad hoc, persoonlijk gewetensoordeel. Als buitenstaander i.c. als socioloog valt daar m.i. verder niets over voor te schrijven. Liefde en een goed gevormd geweten (conscientia is ook samen weten; zonder samen-spraak, goede analyse van de situatie enz. ontstaat daar dus niets!) zullen voor christenen in ieder geval leiddraad moeten zijn, en niet ‘wat anderen c.q. de meerderheid doet, dat doe ik ook maar’.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*