Home » Credo » ‘God vergeeft je, vergeef dan ook jezelf’

Illustratie Jedi Noordegraaf

‘God vergeeft je, vergeef dan ook jezelf’

“Wat ik niet wil, doe ik tóch en wat ik echt wil, doe ik níét”, zegt de apostel Paulus in het Nieuwe Testament. Schuld en vergeving zijn centrale thema’s in het christelijk geloof. Maar schuldbesef is iets anders dan overdreven schuldgevoel. Veel in het leven overkomt ons. Het christendom ontkent het menselijk falen niet, maar pint niemand daarop vast. Ze neemt de pijn van het leven niet weg, maar neemt die op in iets groters. Een interview met pastor Victor Bulthuis in de Volzin-serie over de geloofsbelijdenis.

Door Willem van der Meiden

Enkele jaren geleden pleitte hij in dagblad Trouw voor een herwaardering van de biecht – in de protestantse kerk. “Dat is hét teken dat God mensen niet afrekent op fouten, maar hun telkens de kans geeft opnieuw te beginnen.” Het ging over de discussies in de Protestantse Kerk in Nederland over overdopen, over mensen die hun doop uit zondebesef willen ‘overdoen’ in dezelfde of een andere geloofsgemeenschap. Hij is er niet voor: “Het doopsel is eenmalig en de basis van de oecumene. Als je opnieuw wilt beginnen, kun je beter kiezen voor een vorm van biecht. Het protestantse Dienstboek voorziet daar namelijk in.”

Victor Bulthuis (46) is rooms-katholiek priester. Na een opleiding in journalistiek en filosofie besluit hij op zijn dertigste theologie te gaan studeren. Zes jaar later wordt hij priester gewijd. Hij was pastoor op de Veluwe en in Noordoost-Twente. Sinds drie jaar werkt hij in de St. Benedictusparochie in de Overbetuwe. We praten over de vergeving van zonden in de ruime pastorie waar hij woont, naast de kerk in Herveld.

Wat heeft u met de geloofsbelijdenis, met die oeroude woorden?

“Het credo klinkt in de katholieke kerk op zon- en feestdagen. Het is toch geweldig dat er zulke teksten zijn die ons als wereldkerk met elkaar verbinden? Wel is het een marmeren monument waarin je steeds weer moet bikken. Soms struikel je erover, omdat je iets hebt meegemaakt waarin die tekst meeklinkt. Maar ik houd wel van weerbarstige teksten, waarop je net als op sommige bijbelpassages je tanden kunt stukbijten. Ik vind het een uitdaging om ze met steeds weer verschillende mensen te bespreken in verkondiging en pastoraat. Ze moeten steeds opnieuw uitgelegd worden, dat geldt ook voor mezelf. Het zijn woorden waar ik me blijvend toe verhoud, om te overdenken in steeds veranderende situaties.”

Maar dan deze woorden: ‘de vergeving van zonden’. Als er nou één woord is waar kerkverlaters met afschuw op terugkijken, is het dat woord ‘zonde’. Kunt u er nog mee werken?

“Het is inderdaad een beladen woord. Mensen koppelen het aan schuldgevoel en denken: zo kwalijk leef ik toch niet? Nee, maar als je eerlijk naar jezelf kijkt, merk je dat je niet met jezelf samenvalt, zo maakt Paulus duidelijk. Ik hield eens in een theologisch café een inleiding over de bekende tekst uit Romeinen 7 over de wet en de zonde. Wat Paulus daar beschrijft, herkent iedereen: dat je wat je niet wilt tóch doet en wat je echt wilt níet doet. Die innerlijke breuk zou je het drama van de vrijheid kunnen noemen.

De theoloog André Zegveld zegt dat als je het niet meer over zonde hebt, je de kern van het christendom mist. Het christendom gaat namelijk over het verlangen naar verlossing van die innerlijke breuk. We zijn geroepen om te worden wat God is, aldus Zegveld, dat wil zeggen uitstromende liefde. Maar in plaats daarvan leven we vaak teruggebogen naar onszelf, in plaats van ons te openen voor anderen. Dat moeten we eerlijk onder ogen zien, dan kan er vergeving plaatsvinden.

Zonde kun je koppelen aan schuld voor zover mensen de kans laten lopen om een kanaaltje van Gods liefde te zijn. Met die innerlijke breuk ben je nooit klaar, hoewel God ons die uiteindelijk niet aanrekent. De biecht is een van de tekenen van die vergeving. Schuldbesef is één, schuldgevoel  is twee: dat kan namelijk ook misplaatst zijn. In deze tijd van geloof in maakbaarheid en eigen verantwoordelijkheid denken mensen dat ze hun leven in de greep hebben. Daardoor voelen ze zich vaak schuldig over dingen waaraan ze in feite geen schuld hebben.

Ik word fel als het gaat over schuldgevoel dat ons van alle kanten wordt aangepraat, zo van: dit of dat is toch aan mezelf te wijten. Er is veel wat mensen simpelweg overkomt. Helaas reproduceren ze dat soms in hun eigen handelen. Neem nou mensen die in een sfeer van gewelddadigheid thuis zijn opgegroeid en dat gedrag herhalen naar hun eigen kinderen. Dan heb je misschien wel vergeving nodig, maar de bron van het kwaad ligt eigenlijk bij wat jou is overkomen.”

Komt het kwaad dan niet van mensen zelf? Is er zoiets als het kwaad in het algemeen?

“Het paradijsverhaal uit Genesis wordt vaak uitgelegd als: door de mens is het kwaad in de wereld gekomen. Maar in feite was de mogelijkheid om voor het kwade te kiezen al aanwezig in het verbod om van de verboden boom te eten. Bovendien heeft niet alle kwaad zijn oorsprong in het handelen van mensen, zoals ziekten, rampen en geestelijk en lichamelijk lijden.

In het pastoraat verwachten mensen iets anders van je dan wat ze hopen te krijgen. Ik moet als pastor goed luisteren wat er achter hun vraag zit. Meestal is er meer. Een protestantse man lag op sterven. Hij was ooit getrouwd met een katholiek meisje en dat had in de familie spanning gegeven. Terugkijkend op zijn leven vroeg hij zich af of hij het allemaal wel goed had gedaan. Hij vreesde voor de hemelse rechterstoel en wilde van mij weten hoe het zou gaan. Ik kon daar natuurlijk geen antwoord op geven, niet in mijn woorden althans. Maar ik zag dat er iets diepers onder zat, namelijk dat hij doodsbang was. Ik nam de oude woorden, hem als oud-protestant bekend, en las met hem Psalm 139 over de nabijheid van God. Hij bleef maar huilen. Hij wilde antwoord op zijn angst en die angst hebben we samen voorgelegd aan God. Prachtig dat die oude woorden dat kunnen bewerkstelligen.

Maar soms zijn er geen woorden en dan zoek je rituelen. Een vrouw – niet-kerkelijk – wilde graag praten, want haar zoon had een ernstige misdaad begaan en zat in de gevangenis. Daar was hij tot geloof gekomen, gewoon, niet van halleluja en zo. Haar vraag was: is mijn zoon nu slecht? Daar kwam ik niet met woorden uit. We hebben een kaars gebrand in de Mariakapel in de kerk. Het hielp.”

Uw pleidooi voor de biecht in Trouw past hierbij. Ik neem aan dat de vorm van vroeger u niet meer aanspreekt?

“Nee, die routineuze biecht heeft veel verziekt. Hele schoolklassen gingen te biecht. Er waren zelfs mensen die nadat ze uit de biechtstoel kwamen weer achteraansloten in de rij, omdat ze bang waren iets vergeten te hebben. Alles leek wel zondig te zijn, veel had met verboden lichamelijkheid te maken, er was vaak een angstige en vreugdeloze sfeer. Begrijpelijk zijn daarom de biechtstoelen bijna overal bezemkasten geworden, ook in de kerk hiernaast. Terwijl de biecht je juist uitdaagt om in vrijheid te reflecteren op je eigen leven. Gelukkig is het heilige moeten eraf, het is een vorm van pastoraat geworden. Het zijn tegenwoordig ook jongeren die gaan biechten, met een zekere onbevangenheid. Ik ben er als biechtvader zelf wel verlegen mee, het zal voor mij nooit routine worden.

Biechten kan overal. Mensen vragen erom, een enkele keer bied ik het aan als ik merk dat het aansluit bij iemands behoefte. Het gebeurt ook bij mij thuis. Het is een moment om te markeren: ik leg een stola om, ik sla een kruisteken. Het gaat ergens over: God geeft mensen een nieuwe kans. En ik denk wel eens: wie ben ik dat ik dit allemaal mag aanhoren en Gods vergeving mag doorgeven?

Bij de biecht hoort vanouds penitentie, boetedoening. Die staat vaak, met het bidden van de rozenkrans en met weesgegroetjes, niet in verhouding tot waar mensen werkelijk mee zitten. Vandaar dat ik die boetedoening vaak voorleg als een vraag: ‘Je hebt verteld wat er mis is. Wat is voor jou een goede manier om hieraan te werken?’ Want als je God vraagt om een nieuw begin, moet dat wel van twee kanten komen. Maar je mag ervan uitgaan dat het goed komt, dat het goed is. Dat accepteren mensen niet altijd. Dit kan toch niet zomaar afgedaan zijn? Maar, zeg ik dan, God vergeeft je, vergeef het dan ook jezelf. Niet alles wat fout ging, kan hersteld worden, soms vergeeft iemand die je iets misdaan hebt jou niet. Toch heeft de biecht zin: het is spijtig dat de ander je niet vergeeft, maar toch is er een nieuw begin. God geeft je dat nieuwe begin.”

U sprak over uw eigen verlegenheid als het gaat om gesprekken over schuld en vergeving. Waar zit dat ongemakkelijke gevoel?

“Je bent op dat moment in je ambt, je bent een kanaal van Gods vergeving. Die vergeving gaat via mij. Dat vind ik wel eens moeilijk. Maar juist dan is die vorm, dat sacrament belangrijk. Je hoeft het allemaal zelf niet uit te vinden. Er resoneert in zo’n gesprek altijd mee waar je zelf in tekortschiet, en waarom ook ik vergeving nodig heb. Want schuld en vergeving horen bij elkaar, in het biechtgesprek, in het hele pastoraat.

Ik ervaar het zelf op verschillende momenten. Ik heb zelf veel met muziek en word erdoor geraakt, omdat die iets van Gods vergeving hoorbaar maakt. In zijn prachtige boek Dit is geen verdediging! vertelt de Engelse schrijver Francis Spufford hoe hij op een avond ruzie heeft met zijn vrouw. Met kwaaie koppen gaan ze ’s ochtends uiteen. In een koffiehuis hoort hij het Adagio uit het Klarinetconcert van Mozart en zijn gebrokenheid wordt erdoor geheeld. Hij hoort liefde en mildheid als antwoord op zijn wangedrag en dat verzacht zijn verdriet en boosheid. Dat kan zo gaan met muziek.

Ik heb het altijd met die ene passage uit de Matthäus-Passion, als Petrus vlucht na zijn verloochening van Jezus: ‘Und ging heraus und weinete bitterlich’. Als die passage begint, heb ik het al moeilijk. Als luisteraar word ik me bewust van mijn eigen tekortschieten, mijn eigen gebrokenheid. En dan meteen erna: ‘Erbarme dich’. De tranen van spijt zijn tegelijk tranen van bevrijding, dat laat Bach horen. Ik raak al ontroerd als ik erover praat, zoals nu.

Spufford noemt Mozarts muziek genade: ze laat horen dat er meer is dan de stommiteiten van mensen, want op wangedrag antwoordt ze met tederheid. Hij heeft gelijk. Het is voor mij de kern van de vergeving van zonden: mensen kunnen van alles verkeerd doen, er kan van alles misgaan, maar er staat uiteindelijk liefde tegenover. De pijn van het leven is niet weg, ook niet bij Mozart, maar is in iets groters opgenomen.

Ik had nog zo’n ervaring van vergeving van zonden, zo’n moment waarop schuld en vergeving voor mij heel dicht bij elkaar kwamen, en die vergelijkbaar is met wat muziek met me kan doen. Ik deed vrijwilligerswerk met verstandelijk gehandicapten. Want het priesterschap houdt niet op bij de kerkdeuren, het is overal, ook als het niet expliciet ter sprake komt. Ook daar. Het was een periode waarin ik in mijn eigen ogen van alles verkeerd deed. Maar als antwoord op de steken die ik liet vallen, kreeg ik van die gehandicapte mensen onvoorwaardelijke liefde, ongeveinsde aandacht, tederheid. Ik dacht: waar heb ik dit aan verdiend? Een kernzin overigens als het gaat om vergeving.”

 

Geloofsbelijdenis

1. Ik geloof in God de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde;

2. en in Jezus Christus, zijn enig Zoon, onze Heer,

3. die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria,

4. die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven, en begraven,

5. die is neergedaald in de hel, op de derde dag opgestaan van de doden,

6. opgevaren naar de hemel en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader,

7. vanwaar Hij zal komen om te oordelen de levenden en de doden;

8. Ik geloof in de Heilige Geest,

9. de heilige katholieke kerk, de gemeenschap der heiligen,

10. de vergeving van zonden,

11. de wederopstanding des vleses,

12. en het eeuwige leven.

 

Bron: Volzin

Lees ook andere afleveringen uit de serie over de geloofsbelijdenis.

Print Friendly, PDF & Email

1 reactie

  1. Dat God vergeeft en het christendom mensen niet vastpint op hun tekorten is allemaal nog tot daaraan toe. Het ware probleem is echter ook niet alleen dat we onszelf vaak zo moeilijk vergeven, maar dat anderen, medemensen vaak niet kunnen en niet willen vergeven. Als je jezelf niet kunt vergeven word je misschien een neuroot of depressieve persoonlijkheid. M.b.v. psychotherapie is daar meestal wel wat aan te veranderen, maar aan medemensen, groepen mensen alsook families die niet kunnen en niet willen vergeven, daar staat men machteloos tegenover. Dan is de vraag: hoe ga je daar als mens mee om, psychisch/geestelijk (heeft religie hier ook wat te zeggen?) maar ook materieel/fysiek? Wat te doen als je wordt uitgekotst door de gemeenschap of stuk van de samenleving? Is daar wel mee om te gaan, of kan men in feite niet beter voor de dood kiezen als de rechter weliswaar een straf voor beperkte tijd heeft opgelegd, maar reclassering, samenleving en familie in feite uitdragen: ‘wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht’ en wel voor altijd, ja eeuwig? Wat heb je er dan aan dat God en je biechtvader je wellicht vergeeft en het christendom je niet wil vastpinnen op je zonden? Niets toch?! Eigen schuld, dikke bult? Natuurlijk, maar de betreffende persoon komt t.z.t. dan wel op een kruispunt. Wat te kiezen: de dood, gek worden of verhuizen naar onbewoond gebied, dan wel opnieuw in de fout gaan en de rest van zijn/haar leven in een gevangenis doorbrengen. Ik meen dat kerk en maatschappij zich onvoldoende bewust is van de problematiek waar mensen die een misdaad begingen voor komen te staan. Dat zou anders moeten, zeker als je Christus zegt te willen volgen op de weg van liefde en barmhartigheid.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*