Home » Boeken » Het religieuze atheïsme van John Dewey

Het religieuze atheïsme van John Dewey

Geloven in God als ‘bovennatuurlijk wezen’ is trekken aan een dood paard. Het is ongeloofwaardig geworden. Dat stelde de beroemde Amerikaanse filosoof John Dewey al in 1934. Maar daarmee is het religieuze nog niet onzinnig. Het religieuze kenmerkt zich door een manier van in het leven staan, waarbij je je als individu ingeweven voelt “in het tapijt van het universum”. Nog steeds is Dewey’s boek ‘A common Faith’ (recent in het Nederlands vertaald) inspirerend en actueel, aldus godsdienstfilosoof Taede Smedes.

Door Taede A. Smedes

“Nog nooit was de mensheid zo in twee kampen verdeeld als in onze tijd”, zo begint de Amerikaanse filosoof John Dewey (1859-1952) zijn boek A Common Faith (letterlijk: ‘een gemeenschappelijk geloof’). Dat boekje, dat zijn oorsprong vindt in de Terry Lectures die Dewey aan de universiteit van Yale gaf, is recentelijk in het Nederlands vertaald met de titel Het religieuze bevrijd van religie.

Twee kampen

Welke twee kampen zijn er dan? Dewey stelt dat er aan de ene kant mensen zijn die menen dat alleen datgene ‘religieus’ genoemd mag worden wat verbonden is met geloof in een bovennatuurlijk wezen dat vaak ‘God’ wordt genoemd. Aan de andere kant is er een groep die eveneens meent dat het religieuze verbonden is met een geloof in een bovennatuurlijk wezen. Maar de leden van deze groep menen dat de wetenschappelijke vooruitgang het geloof in zo’n bovennatuurlijk wezen volstrekt ongeloofwaardig heeft gemaakt. Sterker nog, “het extremere deel van deze groep vindt dat met het afschaffen van het bovennatuurlijke niet alleen de bestaande religies moeten verdwijnen, maar alles van religieuze aard” (Dewey 2014, 24). Deze ‘agressieve atheïsten’ – zo noemt Dewey ze later zelf – verwerpen dus niet alleen een geloof in een bovennatuurlijk wezen, maar verwerpen bovendien alles wat naar religie zweemt.

Gestorven paarden

Dewey is het met de tweede groep eens dat het geloof in een bovennatuurlijk wezen ongeloofwaardig is geworden. Theïsme, deïsme en allerlei andere godsconcepten zijn volgens Dewey gestorven paarden waar je niet meer aan moet trekken. Toch verschilt Dewey drastisch van mening met de ‘agressieve atheïsten’. Weliswaar is het geloof in een bovennatuurlijk wezen ongeloofwaardig geworden, maar dat betekent niet dat alles van religieuze aard dan maar moet verdwijnen. Het punt dat Dewey in zijn lezingen wil maken is dat er een verschil moet worden gemaakt “tussen religie, een religie, en ‘het religieuze’. Dus een verschil tussen iets wat aangeduid wordt met een zelfstandig naamwoord (religie), en de kwaliteit van een ervaring die zich laat beschrijven door een bijvoeglijk naamwoord (religieus)” (25).

Kwaliteit

Voor Dewey verwijst ‘het religieuze’ niet “naar iets aanwijsbaars zoals een specifieke bestaande religie of kerk. Want het verwijst niet naar iets dat op zichzelf kan bestaan of gestructureerd kan worden tot iets met een specifieke eigen vorm. Dewey bedoelt met “het religieuze” een “kwaliteit van een ervaring” (34, cursief in origineel). Daarbij is het goed om te bedenken dat ‘ervaring’ bij Dewey breder opgevat moet worden dan een soort ‘mentale’ of bewuste aangelegenheid. Als Dewey spreekt over ‘ervaring’ (experience), dan gaat het om een onbereflecteerde manier van in het leven staan, of een manier om in de wereld te leven.

Het religieuze is dus niet zelf een ervaring, het is een specifieke kwaliteit van een ervaring. Een ervaring wordt ‘religieus’ genoemd, aldus Dewey, niet vanwege haar bovennatuurlijke oorzaak, maar vanwege het effect van die ervaring, dat wil zeggen, de uitwerking ervan. En die uitwerking of dat effect wordt door Dewey beschreven als “de verbeterde aanpassing aan het leven en zijn omstandigheden” en als een “heroriëntatie” (38).

Nieuwe houding

Wat bedoelt Dewey met ‘heroriëntatie’? Je zou kunnen zeggen dat door een ervaring met een religieuze kwaliteit de manier waarop iemand in de wereld staat radicaal verandert. Er ontstaat een nieuwe houding, een nieuwe attitude die positief uitwerkt, in die zin dat degene die de ervaring heeft in staat is om zich beter aan het leven aan te passen. Maar de veranderde levenshouding houdt ook in dat er een nieuwe innerlijke overtuiging ontstaat in morele zin: “Innerlijke overtuiging in morele zin betekent dat we in onze handelende natuur beheerst en beteugeld worden door een ideaal; het betekent erkenning dat dat ideaal een rechtmatige claim legt op onze verlangens en intenties” (46).

Toch geeft Dewey toe dat niet ieder moreel geloof in bepaalde idealen religieus van aard is. Het religieuze ideaal moet een integrerend karakter hebben. Een moreel geloof is religieus “wanneer de ambities van een morele overtuiging emoties oproepen die niet alleen intens zijn, maar die voortgebracht en gesterkt worden door doelen die zo veelomvattend zijn dat zij de unificatie van het zelf bewerkstelligen. De veelomvattendheid van het doel in relatie tot zowel het zelf als het “universum” waarmee het zelf op velerlei wijzen verbonden is, is onmisbaar” (48).

Het ideaal krijgt zo allerlei functies die binnen religies aan ‘God’ toegekend worden. Ook Dewey beseft dat. En terwijl hij af wil van het idee van een bovennatuurlijke God, gebruikt hij toch de term ‘God’ voor “de eenheid van alle idealen die ons inspireren om dingen na te streven en om tot daden over te gaan” (73). God staat “voor de idealen die iemand op zeker moment en in bepaalde omstandigheden erkent als bepalend voor zijn wil en emoties, als de waarden waaraan iemand geheel is toegewijd, voor zover deze idealen een eenheid worden in de verbeelding” (73).

Kosmologische visie

Deweys God heeft dus niets met geloof in iets bovennatuurlijks te maken, noch met zoiets als aanbidding of verering. Het heeft alles te maken met een kosmologische visie, waarin de mens een diep existentieel besef heeft van haar ingeweven-zijn in het tapijt van het universum. Dewey schrijft:

“De werkelijk areligieuze houding schrijft prestaties en doelen toe aan de mens als losstaand van de fysieke werkelijkheid en van zijn medemens. Onze successen zijn afhankelijk van de medewerking van die werkelijkheid. Het gevoel van menselijke waardigheid is even religieus als ontzag en eerbied, als het berust op een opvatting van de mens als samenwerkend deel van een groter geheel” (51).

Over A Common Faith valt veel meer te zeggen dan ik hier kan doen, het is een bijzonder rijke, maar soms ook lastige tekst. Op grond van deze tekst wordt Dewey een ‘religieuze naturalist’ genoemd, anderen noemen hem een ‘humanist’. Dewey was atheïst in zoverre hij niet in een transcendente, bovennatuurlijke God geloofde. Maar door de mystieke ervaring die hij ooit had, wil hij religie ook niet vaarwel zeggen en spreekt hij over ‘het religieuze’ als iets dat onopgeefbaar is, een kwaliteit van menselijke ervaringen die een morele heroriëntatie op het leven bewerkstelligen en die de mens een visie geven en tot handelen aanzetten. Sterker nog, een besef van het religieuze is iets dat mensen gemeenschappelijk hebben, vandaar ook de titel van zijn boek: het gaat om een common faith.

 

John Dewey, Het religieuze bevrijd van religie. Vertaald en ingeleid door Kees Hellingman. Leusden: ISVW Uitgevers 2014, 114 pagina’s. ISBN 9789491693298, € 22,50.

Taede A. Smedes is filosoof en theoloog, en onderzoeker bij het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving (DSTS) in Amsterdam.

 

Taede Smedes medewerkers >> Lees ook ander artikelen van Taede Smedes

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*