Home » Credo » “Ik ben erg gekant tegen de liever-dood-dan-dement-mentaliteit”

“Ik ben erg gekant tegen de liever-dood-dan-dement-mentaliteit”

Illustratie Jedi Noordegraaf

Illustratie Jedi Noordegraaf

 

Christenen geloven in ‘de wederopstanding des vleses’, de verrijzenis van het lichaam. Is dat niet al te curieus? Paula Irik werkte met daklozen, verslaafden, armen, baanlozen en tegenwoordig is zij pastor in een verpleegtehuis. Daarnaast zorgt ze voor haar 91-jarige dementerende moeder. “Die gekwetste, uitgestoten lijven daar gaat het om, die horen erbij.” En: “Dat je niet meer gekluisterd bent in wat je nu nog klein maakt, daar mag je van dromen.” Aflevering elf in de Volzin-interviewreeks over de christelijke geloofsbelijdenis.

Door Willem van der Meiden

Paula Irik (63) is domineesdochter en studeerde theologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze was hervormd gemeentepredikant in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt, trok als DISK-arbeidspastor op met onder anderen schoonmakers en baanloze scheepsbouwers en is sinds 2003 geestelijk verzorger in dienst van een grote zorginstelling in Amsterdam, werkzaam op vier locaties. “Al mijn werkkringen hebben te maken met de arme kant van Nederland. Het gaat altijd om werk met weinig middelen en bondgenootschap met uiterst kwetsbare mensen.” We praten over het voorlaatste ‘artikel’ van de geloofsbelijdenis, de ‘wederopstanding des vleses’.

We zitten in de hal van een zorginstelling in Utrecht. Twee ochtenden per week is ze daar mantelzorgster voor haar dementerende moeder van 91. Dat is geen sinecure, zegt haar lichaamstaal. Het gaat vaak niet goed met haar moeder, ze laat nauwelijks zorg toe, alleen die van haar kinderen. Ze is ook heel opstandig en dat is lastig voor haar omgeving. En voor haarzelf. Niet alleen als mantelzorger, maar ook in haar dagelijkse werk zet Paula Irik zich in voor oudere mensen, meest dementerend. “Optrekken met mensen met dementie is mijn passie. Zo’n verpleeghuis als dit is een context van heel veel verlies: van uitsluiting, ontkenning, reductie, beroving, bezuiniging. Er is dus sprake van een extreem verschil in macht en mogelijkheden tussen mij en de bewoners met dementie. Daarom moet mijn zender voor meer dan honderd procent op ontvangen staan. Ik moet voortdurend beseffen dat ik er in mijn verstaan en betekenisgeving compleet naast kan zitten. De mensen met dementie zelf moeten mijn beelden en mijn betekenisgeving kunnen veranderen, kunnen ontregelen, kunnen corrigeren. Zij zijn gastheer en gastvrouw, ik ben in hun leven en leefwereld te gast. Dat is voor mij ook existentieel: ik kom bij de bewoners altijd weer op orde. Zij maken voor mij verschil, zij maken mijn leven anders, ik moet en wil bij hen zijn om ook tot mijzelf te komen. Het gaat mij erom hun taal te verstaan, hun een stem te geven en die stem te versterken.”

Wat zeggen hun stemmen? Kun je die verstaan?

“Als ik onder deze mensen ben, besef ik dat juist hier, waar alles afbrokkelt, het vuur vonkt. Zij herinneren mij eraan dat het belangrijkste in ons leven niet geschiedt op de toppen, maar in de diepte. Zij laten mij dagelijks ervaren, dat het licht juist daar ons leven binnenvalt waar dat leven uiterst kwetsbaar is. Hier is de essentie waarvoor wij op aarde zijn, het is voor mij de kern van de aanwezigheid van God in het leven van mensen. Juist omdat hier in het verpleeghuis in de heersende opinie helemaal niets meer gebeurt. Als bezoekers deze mensen in de huiskamer van een verpleeghuis zien, stil, gebogen, in zichzelf verzonken, dan denken ze vaak: einde verhaal. Maar het is niet het einde! Ik was gisteren op een psychogeriatrische afdeling met een jonge stagiaire. Ze was verbaasd over mijn benadering en over de gesprekjes daar om de huiskamertafel: ‘Kunnen mensen met dementie dan praten?’ Zeker, zei ik, het is misschien geen gangbaar Nederlands, maar het is wel taal. Taal die ons iets te zeggen heeft. En het vraagt van jou geduld, aandacht en rust om die taal te verstaan. Iedereen mag in onze samenleving veranderen, behalve mensen met dementie. Die kunnen dat niet meer, die ontwikkelen zich niet meer, wordt dan beweerd. Dat is niet waar! Iemand die in een eerdere levensfase verklaard heeft dood te willen bij de diagnose dementie, kan daar in zijn dementie heel anders over denken of in elk geval heel duidelijk aangeven niet dood te willen. Dan mag je zo iemand toch niet vastpinnen op een eerder standpunt? Ik ben erg gekant tegen de liever-dood-dan-dement-mentaliteit, met die overwaardering van de maakbaarheid van de mens. Tragiek hoort bij het leven. Mensen met dementie kunnen ons weer leren leven met wat zomaar onverwacht kan toeslaan, met hulpeloosheid en onoplosbaarheid.”

Wat kun je dan met die eeuwenoude tekst over de wederopstanding van het vlees?

“Ik werk in een context waar zulke teksten mensen weer bepalen bij de bronnen waarmee ze zijn opgegroeid. Deze teksten geven mensen kracht. Die kracht zit niet in het brein, niet in de reflectie, maar als je ze uitspreekt, raken ze mensen in hun botten, bevestigen ze hun identiteit, wie ze zijn. Het is ‘oer’, iets wat bij hun leven hoort. Ook andere teksten doen dat. ‘Onze hulp is in de naam van de Heer’…, Onze Vader, Psalm 23, oude gezangen, kindergebeden, de vredesgroet. Mensen schieten dan gemakkelijk vol. Het is niet alleen de buitenkant van de tekst, het is ook de binnenkant ervan, die betekenis geeft, op dat moment raakt hen die.”

Hoe zou je deze teksten in onze context begrijpen? Wat is dat, die wederopstanding?

“Zulke dingen lees ik dan altijd weer even na bij Kleis Kroon (K.H. Kroon, 1904-1983, onder andere predikant voor Kerk en Israël, WvdM). Hij schreef na de oorlog een prachtig boekje over Geloof – gebod – gebed, het is een van mijn lijfboeken, en daarin gaat het ook over het credo. Bij deze tekst schrijft Kroon: ‘Niet de mens, die wij zijn, maar de mens die wij zullen zijn, tezamen met God, is inhoud van ons geloof en onze belijdenis.’ Wij komen met andere woorden in het credo voor, we staan zelf in die tekst, en hier gaat het over de nieuwe mens, over de mens die in Christus werkelijkheid is geworden. De tekst is voor ons bedoeld en gaat over ons zoals we bedoeld zijn. Het helpt mij om die werkelijkheid al in het hier en nu te zien. De tekst gaat over mensen met wie ik werk, het gaat ook over mijn moeder, die totaal in het donker zit. Deze woorden mobiliseren mijn kracht en die van anderen om midden in de hel van dementie momenten te zien dat er weer licht flonkert. Om open te blijven voor het goede. Het gaat hier om de volharding, die we allemaal van Christus hebben gekregen.”

En het vlees dan? Hebben we het dan over lichamen, ook die van de mensen met wie je werkt?

“Ja, zeker. Hun lichamen zijn vaak zo mooi. In al die kreukels en plooien heeft het licht zoveel meer houvast. Het licht komt er zo graag! Dementerende mensen hebben met hun lichaam minder moeite dan de mensen die ernaar kijken. Of een oud lichaam lelijk is, is het probleem van anderen. Als het niet zo goed met me gaat, vraag ik wel eens aan een mevrouw die af en toe een mooie glimlach toont, of ik even bij haar mag zitten. ‘Mag ik even in uw glimlach zitten?’, vraag ik dan en dat vindt ze altijd goed. Mijn moeder is vaak woedend, maar ook in die woede is ze mooi. Dat geef ik haar wel eens terug en dat verzacht haar. Je moet bij mensen met dementie vaak iets doen dat net anders is dan wordt verwacht. Het is gemakkelijk om hen met een blik van buiten vast te zetten. Maak liever verbinding met ze, soms langs originele wegen. Als je met hen werkt, wordt je gave voor ontvankelijkheid sterk ontwikkeld. Bij mij in elk geval wel.”

Het ‘vlees’ wordt in de theologie ook vaak uitgelegd als ‘de bestaande werkelijkheid’, het zou dus in het credo ook gaan om maatschappelijke opstandigheid. Wat kunnen mensen met dementie daarmee?

“Kroon zegt in datzelfde boekje dat we hierbij veel te veel denken aan zielentroost en een zielenleven in de hemel. Maar we verwachten een leven naar ziel én lichaam, in de hemel én op aarde, zegt hij. En dat heeft alles te maken met onze maatschappelijke werkelijkheid. ‘Onze verwachting geldt heel de lengte en de breedte en diepte van alle leven en levensverbanden, waarin we nu verkeren’, schrijft hij. Het gaat dus om een nieuwe hemel én een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont. Dan zie ik de mensen op mijn werk, een rijtje kreupele en gebutste mensen. Ik zie de mensen uit mijn vorige werk, die ingesnoerd en geamputeerd moeten leven door verslaving, armoede of uitzichtloosheid. Die gekwetste, uitgestoten lijven, daar gaat het om, die horen erbij. De misbruikte meisjes uit Zuid-Soedan of Nigeria, hun geschonden lijven onder hun allesbedekkende kleding, die staan straks vooraan. Dat wordt allemaal werkelijkheid voor hen en voor ons in Christus, dat komt op ons toe, vanuit de hemel op aarde, dat is onze toekomst. En wat die opstandigheid betreft: de bewoners bepalen mij bij de zachte kracht van het alledaagse verzet. Zij borrelen vaak over van humor en hun ondeugd is gemakkelijk wakker te roepen. Midden in de onherbergzaamheid kun je voor even kleine oases van gedeelde pret maken, een kleine heilige ruimte van onaangepastheid.”

Heeft dat te maken met de opstanding van Christus?

“Huub Oosterhuis heeft geschreven: ‘Licht dat niet dooft, liefde die blijft.’ Het staat op de muur van het Amsterdamse Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis. Dat gaat over hoop, over een laatste troost voor iedereen, dat troost ook mij. Het lichaam van Christus wordt na zijn opstanding door zijn leerlingen herkend, mét de verwondingen die daarbij horen. Maar we moeten het nooit ‘normaal’ vinden. We moeten die opstanding niet onmiddellijk naar ons toehalen, ons die niet toe-eigenen. Er zijn zaken die rechtgezet moeten worden. Er is ook zoiets als de woede, de toorn van God. Stel je voor dat die er niet zou zijn, dat God tandeloos is? Jezus is woedend als Lazarus is gestorven en hij te laat is gekomen. Dit hoort niet, Lazarus, je hoort niet dood te zijn, je hoort bij het leven.”

Die troost van wat op je afkomt, wat kun je de mensen met wie je werkt daarvan meegeven, hoe kunnen hun lichamen opstaan?

“Ze moeten in en ondanks hun frustratie vrij kunnen fantaseren over hun nieuwe lichaam. Dat je niet meer gekluisterd bent in wat je nu nog klein maakt, daar mag je van dromen. Ik weet waarom gekooide vogels zingen, heet een boek van Maya Angelou. Het zijn niet de tralies die jou bepalen, maar dat je kunt zingen. Als zingen helpt om met zulke kreukels te leven, is dat prima. Er wordt wat af gezongen in de huizen waar ik werk! Het lijden mag niet gebagatelliseerd worden, het is er wel degelijk. Er zijn nog vele tranen af te wissen. Maar dromen, beelden en taal kunnen mensen helpen. Een zinsnede als ‘geborgen bij God’ in rouwadvertenties, die troost mij ook. Ik denk aan mijn overleden zus Carolien, geteisterd door wanen en psychosen vanaf haar achttiende. Mijn laatste wandeling met haar. ‘Ik had er beter niet kunnen zijn’, zei ze. Dat zei ze vaak. En ik: ‘Voor mij ben je belangrijk, voor mij is het belangrijk dat je er bent, ook hoe je nu bent. Maar als je het niet meer uithoudt, dan is het zo. Daar verzet ik me niet tegen, niet tegen jou verzet ik me. Maar wat jou gekrenkt heeft, daar verzet ik me tegen.’ Dat Carolien nu bij God geborgen is, daaraan denk ik vaak. Waar zou ze beter kunnen zijn? Als je tegen mensen die in de kreukels leven zegt dat ze zullen opstaan, dan blijf je bij hen, dan blijf je hun trouw.”

Bron: Volzin

Geloofsbelijdenis

1. Ik geloof in God de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde;

2. en in Jezus Christus, zijn enig Zoon, onze Heer,

3. die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria,

4. die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven, en begraven,

5. die is neergedaald in de hel, op de derde dag opgestaan van de doden,

6. opgevaren naar de hemel en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader,

7. vanwaar Hij zal komen om te oordelen de levenden en de doden;

8. Ik geloof in de Heilige Geest,

9. de heilige katholieke kerk, de gemeenschap der heiligen,

10. de vergeving van zonden,

11. de wederopstanding des vleses,

12. en het eeuwige leven.

 

Lees ook andere afleveringen uit de serie over de geloofsbelijdenis.

 

Print Friendly, PDF & Email

2 reacties

  1. Prachtige meditatieve stukken, zowel dat van W.v.d.Meiden als het commentaar van Piet A.

    Ze nemen echter niet weg, dat het elfde geloofsartikel voor mij een holle frase blijft.
    Als christen mag ik het misschien niet zeggen, maar ik geloof niet in de ‘wederopstanding des vlezes’.
    Volgens mij is dat geloofsartilkel een al te letterlijke interpretatie van mooie bijbelse verhalen die net zo onhoudbaar is geworden als de uitspraak dat de zon om de aarde draait.
    Er zit ook een groot gevaar in het geloven in zo’n tegennatuurlijke stelling, namelijk het verwaarlozen van het werkelijke leven door overdreven aandacht voor leven na de dood. Hele generaties werden
    arm en dom gehouden met het vooruitzicht van een toekomstige hemel, die niet bestaat.
    Het lijkt me goed, dat ook christenen zich aan de werkelijkheid houden!

  2. Mijn vraag bij dit soort mooie getuigenissen is altijd: wat is echt en wat geconstrueerd; wat is beleving van de dementerende en wat is projectie van de gelovige of ideologisch/theologisch bevlogen toeschouwer; wat is herbeleving (of beter herschepping) op basis van herinnering uit een vroeger leven als kind, en wat is wishful thinking van de taalvaardige romanticus c.q. poëet, beschouwer?
    Bijna twintig jaar bezocht ik met regelmaat een rusteloze oude man die heel langzaam dementeerde. Zijn hele leven had hij eigenlijk geen rust gekend, getekend als hij was door constant op zijn hoede zijn vanwege armoede en dreigende gevaren. Er was geen rustpunt in hemzelf ontstaan, ondanks zijn traditionele gelovige gewoonten; elk appel op dat laatste bleef onbeantwoord. Bij wijze van spreken liep hij net als een hondje doorlopend zijn neus achterna die veel aantrekkelijke, maar onbestemde geurtjes leek op te snuiven. Hij vond echter nooit wat; niet in woorden of beelden. Uren staarde hij zo naar zijn tv, rusteloos zappend van zender naar zender, zonder dat iets hem ogenschijnlijk raakte. Slechts kleur en beweging trok hem aan.

    Zijn schoonzus heb ik ook gekend. Die was grootgebracht in een huishouden waar veel gebeden werd. Jaren leidde ze – ook toen ze al geestelijk aftakelde – een gebedsgroep die bijeenkwam in een kapel. Tijdens zo’n sessie is zij zelfs overleden. Tijdens het bidden klaarde ze zichtbaar op. Ze leek steeds haar oude ik terug te vinden, voor zolang als het duurde natuurlijk. Dankzij het gebed kon ze blijkbaar bij oud geluk komen; dat maakte haar blij. Haar zwager moest het zonder doen.

    Positieve gewoonten met een geluksmoment kunnen ons de idee geven van hoe we ooit bedoeld zijn. Gelukkig zij die zulke gewoonten ooit kregen aangereikt of ontwikkelden tijdens een ongecompliceerde jeugd, want uiteindelijk leven de herinneringen dááraan het langst. Maar wie van ons denkt daar ooit aan tijdens het hectische leven voorafgaand aan het pensioen? Het lijkt me meer toeval en genade, dan bewust gekozen beleid.

    Vaak zat ik in eetzaal/restaurant van de zorginstelling, en merkte dat niet woorden, maar de stilte er weldadig was voor mijn gastheer en gastvrouw: de afwezigheid van betekenisvolle woorden. ‘n Blik, een handgebaar en aanraking, daarvan werd geleefd. Niet entourage, eten en of drinken, al moest dat natuurlijk wel smaakvol zijn. Er-zijn bleek het belangrijkst, maar ook genoeg; een zuchtje wind of zonnestraal deed de rest. Van woorden werd men niet ontroerd, maar van de herinnering aan situaties van ontroering en geluk of verdriet uit voorbije jaren. Rusteloos zoeken naar zin, betekenis, iets onbestemds gooide immer roet in het eten. Verleden en toekomst leken voorgoed te hebben afgedaan, tenzij in herinnering, soms en vaag. Alleen de onmiddellijkheid van hier en nu, dat telde. Die stilte was echter nooit te delen; alleen maar te ervaren in onszelf (én in mijn geval, uit te zitten). Uiteindelijk is dát het pijnlijkst: samen zijn maar niet meer kunnen delen, omdat je elk afzonderlijk toch opgesloten zit in jezelf, en je eigen stilte en niet te beantwoorden vragen. Leg je denken, redeneren maar eens het zwijgen op commando op als je twintig, veertig, vijftig bent. Ik zie dan ook maar één remedie tegen deze impasse: op jonge leeftijd betere spirituele gewoontes vormen, zoals een levende, open (gebeds)relatie met de Heer of andere afwezige geliefde; en dus de herinnering opbouwen aan geborgenheid bij/in Hem of Haar, wellicht ooit eindigend slechts in verlangen puur?!

    Misschien hebben de kerken hier dan ook wel hun belangrijkste taak: zorgen voor een constante stroom van ervaringen van geluk en geborgenheid bij God, Jezus e.d. voor zoveel mogelijk mensen. Immers, wie tijdens zijn leven al gestorven is aan zijn wil of streven, hoeft een tweede dood niet te vrezen! Was dat ook niet hetgeen waarvan S. Franciscus getuigde in zijn Zonnelied?

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*