Home » Essay » “Ik haat ze met alle haat die in mij is” (Psalm 139)

“Ik haat ze met alle haat die in mij is” (Psalm 139)

De psalmen behoren door de eeuwen heen tot de meest troostrijke bijbellectuur. Maar paradoxaal genoeg bevatten juist deze psalmen ook de meest afschuwelijke passages, waarin de psalmist zijn haat en woede uit en God vraagt om zijn vijanden te verdelgen en volkeren te verjagen. Hoe ga je om met deze passages. Kun je die wel betrekken in je gebed, laat staan zingen in de liturgie? Psalmkenner Gerard Swüste zoekt een antwoord.

Door Gerard Swüste

Een vriendin vertelde onlangs over het verblijf van een paar dagen in een abdij. Ze vond het indrukwekkend. Alleen die psalmen. Ja, ze werden erg mooi gezongen, maar die teksten!

Er zijn natuurlijk prachtige en ontroerende psalmen. Met misschien wel de herder van Psalm 23 voorop. En de psalmen die we in onze vieringen zingen zijn meestal ook ontdaan van scherpe kantjes: ‘Naar U gaat mijn verlangen’, ‘Houd mij in leven’, ‘Hoe is uw naam’, we zingen het van harte mee. Maar hoe zit dat met die scherpe kantjes? Is dat toch een minpuntje bij al die gedichten of horen ze er wezenlijk bij? Ik wil wat dieper ingaan op twee aspecten die in de psalmen naar voren komen en die voor menigeen een steen des aanstoots zijn. Ten eerste de teksten over woede en haat. En vervolgens de verzen die verhalen hoe God de andere volkeren uit het (beloofde) land verjaagt, zodat zijn mensen daar kunnen wonen.

Woede en haat

Het gebeurt op menige avond als in een groep Psalm 139 op tafel ligt. Ieder is getroost. Wat is dit toch mooi! Een God die je kent. Niet dat boze oog van ‘God ziet u’, maar een liefdevol kennen. Je hoeft je niet eens voor God te schamen, want hij weet het al lang en houdt toch van je. En dan ineens komen daar vers 19 en 21-22:

O God, maak een eind aan slechte mensen:

‘Jullie met bloed aan je handen, weg van mij!’

….

Zou ik niet haten die jou haten, Jij,

niet walgen van hen die opstaan tegen jou?

Ik haat ze met alle haat die in mij is,

mijn eigen vijanden zijn het.

 

‘Als we Psalm 139 in de viering zingen, staan deze verzen niet in onze liedbundel’, merkt iemand op. ‘Gelukkig maar’, wordt beaamd. Ik heb de groep dan al voorgehouden dat bijna alle psalmen veelkleurig zijn. Een klacht bijvoorbeeld, hoe intens ook, wordt bijna altijd gevolgd door een gebed en een uiting van vertrouwen (Psalm 13). Maar dit lijkt wat anders. Dit is niet zomaar veelkleurig, dit stuit tegen de borst. Worden wij niet juist aangespoord om onze vijanden lief te hebben (Mattheüs 5:44)?

De passage in Psalm 139 staat niet alleen. Voor sommigen is het hele Boek van de Psalmen nauwelijks te verteren vanwege die venijnige gevoelens van vijandschap, haat en wraak die steeds weer worden uitgezongen. Zoals bijvoorbeeld:

Psalm 35, 4-6

Schade en schande over hen

die mij naar het leven staan;

een vernedering, een afgang voor hen

die mij kwaad willen doen;

laat ze zijn als stof in de wind,

dan kan de engel van de Levende ze opvegen!

Maak hun weg pikkedonker en spekglad,

dan kan de engel van de Levende ze opjagen!

 

Berucht is het slot van Psalm 137, dat prachtige lied van intens heimwee naar Sion, gezongen in ballingschap aan de stromen van Babel. Vers 8 en 9:

Dochter Babel, gewelddadige vrouw!

Gelukkig hij die je betaald zet

wat je deed, wat je ons hebt aangedaan.

Gelukkig hij die je kinderen grijpt

en te pletter slaat op de stenen.

Alle zeggen

Kunnen we zo bidden? Als we nog even Psalm 139 ter hand nemen, zou je daarin tot de conclusie kunnen komen dat je tegenover de Levende mag zeggen wat je op je hart hebt. Je mag alles zeggen, in feite weet hij er al van. De psalmen nemen geen blad voor de mond en dat hoeft ook niet. Je zou kunnen stellen: de Schrift is het Woord van God, daarin lezen we hoe God de wereld bedoeld heeft. Maar het Boek van de Psalmen is het woord van de mens tot God. En dan mogen alle gevoelens en emoties aan bod komen van jubel en dank tot en met die van woede en haat.

Maar hoe kunnen we ze lezen of bidden? Als ik bij mezelf te rade ga, weet ik dat ik zo nu en dan woedend kan zijn en dat er ook aardig wat verwensingen in me kunnen opkomen. Zou ik die ook niet in mijn gebed mogen meenemen? Het voorleggen aan de Levende? Intussen overwegend of die gevoelens terecht zijn of overdreven. Niet in de emotie blijven, maar proberen tot rust en inzicht te komen.

Wanneer in de psalmen de mens zijn woede neerlegt bij de Levende wordt dat bijna altijd gevolgd door een dankgebed of zoiets als: ‘bij Jou kan ik schuilen, ben ik veilig’. Blijkbaar kan het zo werken. Dat je al biddend ook iets met je woede doet. Niet overgaat tot het nemen van wraak, maar de woede in jezelf tot bedaren laat komen. Het is ook kenmerkend bij die uitbarstingen van woede dat de psalmist het recht niet in eigen hand neemt. Hij legt het voor aan de Levende. Die is koning en rechter. Aan hem kun je het dus met een gerust hart overlaten.

Fundamentele vraag

Het overlaten aan de Levende. En gaat die straffen? Dat is nog maar de vraag. In de psalmen lezen we herhaaldelijk de overtuiging dat het kwaad zal worden gestraft. Niet zozeer actief door de Levende, want die straf zit als het ware al opgesloten in de orde van de dingen. Wie kwaad doet, zal kwaad ontmoeten. De Levende is meestal niet actief binnen dat proces, maar hij slaat het goedkeurend gade. Hij wordt genoemd een god van vergelding. Dat wil zeggen: hij staat ervoor in dat een vergrijp op evenredige wijze wordt gestraft. Dat straffen is geen wraak, het is recht doen. Dat recht doen geldt niet alleen voor het kwade maar ook voor het goede. Wie goed doet, zal gelukkig zijn, wie kwaad doet zal het moeilijk krijgen. Dat is de stellige overtuiging.

Gaat het in de werkelijkheid ook zo?  In menige psalm wordt daar ook aan getwijfeld. Neem bijvoorbeeld Psalm 73: de slechte mens: nooit in het nauw, puike buik, nooit een centje pijn; anderen hebben het moeilijk, zij niet; hoogmoed is hun sieraad, onrecht hun pakkie-an; en zo gaat dat nog even door. Het is een fundamentele vraag: waarom gaat het slechte mensen goed en goede mensen slecht? Nou, zeggen de psalmen, dan moet je geduld hebben. Op de korte termijn hebben slechte mensen het geweldig, maar op de lange duur zijn ze niet gelukkig. Er zal gebeuren wat ze over zichzelf hebben afgeroepen.

Soms lijkt het erop dat de psalmen dit zeggen tegen beter weten in. Om mensen woorden aan te reiken om zichzelf moed in te zingen. En soms is de moed toch in de schoenen gezonken. Dan roepen de psalmen ‘hoelang nog?’ en ‘waarom verberg Jij je gezicht?’

Wat is goed, wat is kwaad? Het is de vraag die in ieder mensenleven steeds weer naar boven komt. Moet je je spiegelen aan wat je mensen in je omgeving ziet doen? Aan wat iedereen de gewoonste zaak van de wereld vindt? De psalmist voelt zich regelmatig te kijk staan voor zijn omgeving, zelfs voor zijn vrienden: ‘mensen lachen me uit’ (Psalm 22:7). Hoe houd je je staande in deze wereld? Hoe blijf je trouw aan jezelf, aan alles waarin je gelooft? De psalmen zingen vol lof over de rechte weg, de weg die de Thora wijst. En als het moeilijk is: zing je ergernis, je woede, je schaamte uit. Leg dat allemaal voor aan de Levende. En dan verkondigen, hopen, veronderstellen ze, ja in al die nuances, dat de Levende hoort en antwoordt.

Kijken in de spiegel

In de psalmen over de ‘vijand’, de ‘belager’ of de ‘slechte mens’ lijkt het er misschien op dat de dichter zichzelf al bij voorbaat tot de rechtvaardige en goede mensen rekent. Soms lijken schriftteksten daartoe uit te nodigen. Alsof ze je een meetlat geven waarmee je anderen kunt beoordelen. Het is een van de grote valkuilen van de Schrift en dus ook van de psalmen. Er zijn slechte mensen, die en die en daar en daar, en daar hoor ik niet bij.

Maar we kunnen de psalmen ook anders lezen. De ‘vijanden’ en de ‘slechte mensen’ zijn niet alleen de anderen, maar die zitten ook in mij. De psalmen kijken niet alleen met een streng oordeel naar anderen, maar nodigen ook uit in de spiegel te kijken. Dat begint al bij Psalm 1. ‘Gelukkig de mens die niet….’ Dat ‘niet’ zou je kunnen verklaren uit het gegeven, dat het nu eenmaal bijna niet te verwoorden is hoe een mens wél gelukkig wordt. Maar dat ‘niet’ laat zich toch in eerste instantie vooral lezen als vraag aan ieder mens: doe je dat inderdaad niet? Met wie ga je om? Wat koester je in je hart? Dan is het zoiets als een lijstje bij het gewetensonderzoek. Zo maak je onderscheid tussen goed en kwaad.

Alle volkeren

In het Boek van de Psalmen staat ook een aantal passages waar God wordt gedankt en geprezen omdat hij alle volken die in het Beloofde Land woonden heeft verdreven, zodat Israël zich daar kon vestigen. Die verzen staan haaks op ons gevoel voor gerechtigheid.

Psalm 44:3 en 6

Jij zelf, jouw hand nam het land af

van hen die daar al geslachten lang woonden,

maar hén plantte je daar,

je verpletterde volkeren,

maar hén liet je daarheen komen.

Met jou

rammen we onze belagers eruit,

met jouw naam

vermorzelen we onze tegenstanders.

 

De Psalmen bezingen met vreugde en dankbaarheid de grote daden van God: de schepping, de uittocht, het geschenk van de Thora en het geschenk van het land. Maar bij die laatstgenoemde verzen vragen we ons af: hoe kun je zo zingen over het veroveren van andermans land, hoe kun je het uitjubelen omdat je je tegenstanders hebt vermorzeld? Ook in Psalm 80 staat een soortgelijke passage in vers 9: ‘Een wijnstok heb je uitgegraven in Egypte, volksstammen verdreef je en je hebt hem hier geplant’. Iets minder gewelddadig, maar ik kan onmogelijk in de vreugde delen.

Is de Schrift daar niet met zichzelf in tegenspraak? De vreemdeling, zo staat daar toch uitdrukkelijk, moet met liefde worden bejegend. En de reden daarvoor is glashelder: jullie waren zelf vreemdeling in Egypte (Deuteronomium 10:17-18 en Leviticus 19: 33-34). Je weet wat het is. En God, zo zingen de psalmen, wil ook een god zijn voor alle mensen. De uitnodiging om te juichen, in de handen te klappen en te danken is maar al te vaak gericht tot alle volkeren en de hele aarde (Psalm 47:1; 49:2; 66:1; 96:1; 100:1; 117:1;148:11-13;150:6). De Levende is een god voor alle mensen. De Levende is een universele god, niet een nationale.

De gewelddadigheid die we lezen in Psalm 44 vinden we ook terug in Psalm 74 en 88. Daar zijn het de vijanden die alles vermorzelen, stukslaan en in brand steken. ‘Alles wat heilig is, heeft de vijand vernield’ (Psalm 74:3). Dat is misschien wel de kern: alles wat heilig is. Er lijkt niet zozeer sprake van een oorlog tussen het ene en het andere volk, maar eerder tussen wat heilig en niet-heilig is, tussen God en afgod.

Vreemde goden

Zou het dan niet zo kunnen zijn, dat niet zozeer de vreemdelingen en de vreemde volkeren met geweld verdreven moeten worden, maar de vreemde goden? Daar raken we een uiterst gevoelig punt, niet alleen in de geschiedenis van Israël, maar in de geschiedenis van mensen tot op de dag van vandaag. De God Ik-zal-er-zijn, de God van bevrijding uit de slavernij kan onmogelijk hand in hand gaan met de goden van verslaving, van macht. De mens moet kiezen tussen God en afgod, zegt de Schrift. Het duidelijkst blijkt dat wel uit het verhaal van de Sinaï. Het is kiezen tussen de Tien Woorden of het Gouden Kalf. En het eerste woord is duidelijk genoeg: ‘Ik ben de Levende, jullie God die jullie heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. Jullie zullen geen andere goden hebben ten koste van mij’ (Exodus 20:2-3).

Ook dit is één van de kern-verhalen van de Schrift. De mens moet vertrouwen op een god die niet te zien is, niet tastbaar aanwezig, die je maar op zijn (schrift)woord moet geloven. Mensen hebben liever een god die ze kunnen vasthouden, die glimt en blinkt. Psalm 115 zingt over die goden: ze hebben een mond en kunnen niet spreken, ogen en kunnen niet zien, oren en kunnen niet horen etc. Mooi om te zien, maar als god zijn ze waardeloos. Het zijn de afgoden die staan voor zekerheid, rijkdom, geld, aanzien, macht. Allemaal zaken die bij mensen hoog op het verlanglijstje staan.

Deze afgoden zijn een voortdurend gevaar, de profeten doen niet anders dan hun stem daartegen verheffen. De strijd tegen de afgoden loopt als een rode draad door de verhalen van de Schrift. En ook voor deze Schriftverhalen geldt: ze vertellen niet zozeer wat er gebeurd is, ooit, maar vooral hoe het altijd met mensen gaat. Het is een strijd die altijd weer de kop op steekt, in het leven van individuele mensen en in het maatschappelijke-politieke leven. Altijd weer dat gevecht tussen winstbejag en eerlijk delen, tussen macht en onmacht, tussen slavernij en bevrijding. Je zou het aan het woord niet zeggen, maar slavernij is in de geschiedenis van de mensheid de allergrootste verleider.

Zingen 

Ten slotte toch de vraag: moet je dergelijke dwarse regels uit de psalmen ook zingen? Er is, lijkt me, een verschil tussen het persoonlijke gebed en het lied van de gemeente. Bij het maken van liedteksten is het steeds de vraag welke woorden we de gemeente in  de mond kunnen leggen. De eerder genoemde passages uit Psalm 137 en 139 zou ik nooit met een gemeente willen of kunnen zingen. Naar mijn gevoel zou dat toch iets zijn als een uiting van zelfgenoegzaamheid en het aanzetten tot haat. Maar in een persoonlijk gebed kunnen wat mij betreft deze teksten heel goed. Ze zetten me aan het denken, ze zetten me op een ander been. Ze geven me ter overweging: waarom stoor ik mij aan deze tekst? Ken ik dit soort gevoelens bij mezelf ook? En hoe ga ik daar dan mee om? Volgens mij is de hele Schrift geschreven met de bedoeling me op een ander been te zetten, het van de andere kant te bekijken. Zodat het echt tot me doordringt. En dat kan alleen als er ook sprake is van teksten die schuren en dwars op mijn spontane beleving staan. Ik zou zeggen: we moeten ze niet overslaan, maar terdege overwegen en tot ons nemen. Ook al is het dan soms even slikken.

———–

Gerard Swüste  werkte jarenlang voor de KRO-Radio. Sinds 1976 preekt hij regelmatig in de Amsterdamse Dominicus. In 2015 verscheen van zijn hand bij Skandalon ‘Altijd hetzelfde lied, 150 psalmen bewerkt en toegelicht’. gswuste@kpnplanet.nl

Bron: Tijdschrift voor Geestelijk Leven, nr. 2017/6, themanummer  ‘Gemengde gevoelens. Kerk-zijn en ambivalentie’.

Voor verdere informatie over TGL zie www.tgl.be. Besteladres Nederland: ahmmetz1941@kpnmail.nl. Besteladres België: abonnementenTGL@kerknet.be of info@tgl.be. Kosten per los nummer: 7,95 plus verzendkosten.

Print Friendly, PDF & Email

3 reacties

  1. Juist de genunaceerdheid waarmee je over het thema schrijft, geeft aan dat ze ook in gemeenschap gebeden kunnen worden: dan dienen ze wel thema van de bezinning of de preek te zijn. Bibliodramatische zijn ze zeer goed in gemeenschap te spelen: ecclesiogenese.

  2. Heel dankbaar voor deze bezinning over de ‘vloekpsalmen’. Natuurlijk is psalm 139 geen vloekpsalmen. Maar ik zou niet graag hebben dat de harde verzen zouden geschrapt worden. Psalmen verwoorden levenservaringen en ze leren ons ook hoe wij er moeten mee omgaan.

  3. is het niet juist goed om dat proces van reflectie en zelfonderzoek, waartoe het zingen van psalmen aanzet, uit te voeren in gezamenlijkheid? de vraag aan jezelf gesteld komt toch altijd minder aan en is makkelijker te ontwijken, dan de vraag die een ander aan je stelt.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*