bestnyescorts.com Manhattan Escorts girllookup.com Long Island Escorts
Home » Essay » Jan Oegema bidt
Jan Oegema en Jorge Luis Borges

Jan Oegema bidt

Je kunt vragen: ‘Wat is geloof eigenlijk?’ Afstandelijk, een vraag in het algemeen. Dichter bij huis kom je als je vraagt: ‘Wat blijkt het geloof nu, feitelijk, voor mij te zijn?’ De Argentijnse schrijver en dichter Jorge Luis Borges schreef een poëtisch gebed met die vraag in het achterhoofd. Essayist Jan Oegema treedt in zijn voetspoor.

Door Jan Oegema

Gebed in de trant van Borges

Elke ochtend herhalen mijn lippen de Geloften van de Bhodisattva, waarvan de eerste regel de andere regels uitlokt en omvat: hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze alle te bevrijden.

Maar deze ochtend, de 31ste juli 2012, wil ik een gebed proberen dat persoonlijk is, niet overgeleverd. Het zal niet kunnen klinken als de Geloften, evenmin als het Onzevader, dat ik ken sinds mijn vroegste jeugd en dat een eenvoud kent waarbij elk volwassen protest verstomt.

Toch heb ik ooit de slotregels van dit gebed willen herschrijven. Na: ‘en leid ons niet in verzoeking’ diende zich op een dag deze afsluiting aan: ‘en leid ons terug naar het kind dat dit gebed verwonderd beluistert.’

Ik zou willen dat ik in de trant van Meister Eckhart kon zeggen dat God met deze gewaagde variant niet wordt verlaagd maar veeleer verhoogd – maar ik ben daar niet zeker van. Ik heb er slechts mee willen uitdrukken welke vreugde besloten ligt in de subtiele geest van ontwrichting waarvan ik de schaduwen bespeur op enkele plaatsen in het evangelie, soms in een gedicht, soms in het samenzijn met anderen, voorspelbaar zelden in de eigen dagelijkse verrichtingen.

Ik geloof dat die geest een verzachtende en verruimende, mogelijk zelfs verlossende kracht heeft, dat ze kan bijdragen aan het ontsluiten van de oneindige goedheid die als potentieel in elk individu besloten ligt. De stille stemmen van de religie en spiritualiteit, van de schoonheid en van het intellect zeggen dat het individu vermoedelijk voor weinig zo bang is als voor deze goedheid en voor het moment haar ten volle toe te laten; volgens een Mahayana-hymne is ze zelfs vreeswekkend.

Ik kan slechts bekennen dat ik die angst deel en vermoedelijk mij tot aan mijn sterfbed bewust zal zijn van de treurige gemiddeldheid waarmee ik haar heb proberen te weerstaan. Als ik sterf, dan vermoedelijk met de halfheid die veel van mijn doen aankleeft, waarbij ik niet weet of ik deze onfortuinlijkheid meeneem of achterlaat. In het eerste geval vertrouw ik op de liefdevolle gestalten die mij aan de overzijde zullen tegemoet treden; in een heldere droom heb ik ze aanschouwd. In het tweede geval wordt het vermoeden van mijn intellect bewaarheid en zal de persoon die mijn naam draagt voorgoed verleden tijd zijn.

Ik veronderstel dat ik zal sterven in vrede, opgelucht en ook nieuwsgierig, met vreugde om alles wat mij is geschonken, met verdriet om wie ik moet achterlaten, met pijn om alles uit het achterliggende leven dat mij aanklaagt. Mocht mij een ernstig lijden wachten, dan hoop ik de eerbied en helderheid te hebben het op te dragen aan de ontelbare wezens die dat lot met mij delen en evenals ik uitzien naar het ondenkbare moment waarop zelfs het kleinste grasje en plantje zullen zijn verlost. Diepste wijsheid voorbij alle wijsheid, amen.

Toelichting 

“Mijn mond heeft duizenden malen, en in de twee talen die mij vertrouwd zijn, het Onzevader uitgesproken en zal dat blijven doen, maar ik begrijp het slechts ten dele. Op deze morgen, de eerste juli 1969, wil ik een gebed proberen dat persoonlijk is, niet overgeleverd.” Zo begint ‘Een gebed’ van de Argentijnse schrijver en dichter Jorge Luis Borges, opgenomen in de bundel Het geheimschrift en andere gedichten (Bezige Bij, 2003, blz. 155-156).

De poëzie van Borges was de rode draad van het zomerklooster 2012. Elke vespers klonk een gedicht van hem in combinatie met een psalm of een soetra. Een zomerklooster is een retraite van zeven tot tien dagen en een initiatief van het Open klooster, een los-vast verband van mensen die de interspirituele dialoog zijn toegedaan. Tijdens een retraite brengen de deelnemers de dagen door op kloosterlijke wijze, volgens het ritme van getijden waarin teksten worden gezongen of gereciteerd uit drie tradities: de boeddhistische, de joods-christelijke en die van de moderne kunst & literatuur. Om routine te voorkomen zijn de retraites steeds op een andere plek en is er betrekkelijk weinig herhaling in de liturgie. De enige tekst die altijd klinkt is de tekst aan het begin van de lauden, ’s ochtends om half zeven:

Eeuwige, in de morgen hoort u mijn stem
in de morgen wend ik mij tot u en wacht. (Ps. 5,4)

Als deze tekst twee keer is herhaald volgen twee keer twintig minuten zitmeditatie afgewisseld met tien minuten loopmeditatie.

‘Gebed in de trant van Borges’ ontstond op de ochtend van 31 juli 2012 en werd diezelfde dag na de middagmaaltijd voorgelezen; naderhand werd nog een enkele zin gewijzigd. Het is een gebed direct geïnspireerd op het gebed van Borges, begrepen als een poging de flarden van een altijd voortgaand zelfgesprek (of zielsgesprek) bijeen te brengen in een spiritueel zelfportret: zo denk ik blijkbaar, dit verlang ik blijkbaar, nu, op dit moment. Bij het gebed hierboven is duidelijk dat het de sporen draagt van de context waarin het is ontstaan, het is misschien goed enkele daarvan te benoemen.

De geloften van de Bhodisattva, afkomstig uit China, zijn een sleuteltekst in het Mahayana boeddhisme en worden nog altijd veel gereciteerd, zowel in Oosterse als in Westerse sangha’s. Een bhodisattva is een heilige die de finale verlichting uitstelt uit verdriet over het blijvende lijden en besluit zich volledig te wijden aan het wegnemen daarvan. Daaraan herinneren deze geloften (die zich in hun beknoptheid voor zeer uiteenlopende exegeses lenen):

Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze alle te bevrijden.
Hoe peilloos de oorzaak van het lijden ook is, ik beloof haar geheel te verwijderen.
Hoe talloos de poorten tot inzicht ook zijn, ik beloof ze binnen te gaan.
Hoe oneindig het pad van ontwaken ook is, ik beloof het te gaan tot het einde.

Een tweede verwijzing naar het Mahayana boeddhisme is een lied met als titel ‘Hymne van de wijsheid voorbij alle wijsheid’, geschreven door de Indiase leraar Rahulabhadra (tweede eeuw na Chr.). Bij hem krijgt de ultieme wijsheid de klank van een godsnaam, meer nog, ze krijgt bij hem een vrouwelijke gestalte; hij noemt haar ‘Moeder en oergrond van al wat is’. Hij roept haar een hymne lang aan als een ‘Jij’, een persoon oneindig verheven en ongrijpbaar, niet religieus inkaderbaar en tegelijk zeer nabij en zeer liefdevol. Volgens Rahulabhadra is haar liefde grenzeloos, zelfs zozeer dat die vreeswekkend is: ze herinnert de mens aan diens eigen, meestentijds verdrongen talent voor liefde (een formulering die ik nu zo kies met in gedachten een uitspraak van Freud: ‘der normale Mensch ist nicht viel moralischer als er glaubt, sondern auch viel moralischer als er weiss’). Rahulabhara zegt het in een van zijn strofen zo, in de vertaling van Ton Lathouwers:

Wees gegroet, Jij die ons slechts dan vreeswekkend lijkt,
als wij in onwetendheid verstrikt zijn.
Want in wijsheid en de zekerheid des harten
verschijn Jij steeds als liefde, als genade schenkend.

Vervolgens Meister Eckhart. Voor alle duidelijkheid: de herschrijving van de slotregel van het Onzevader is niet van hem. Zijn naam valt hier vanwege een retorische wending die typerend is voor zijn stijl van preken, voor de omkeringen die hij graag maakt. Eckhart heeft er plezier in vertrouwde zaken op de kop te zetten en dat doet hij bovendien met prikkelende flair, alsof elke bewering op het moment van beweren onweerlegbaar juist is. “Eerder zei ik het zus, nu echter zeg ik het zo.” In die lijn ligt ook de figuur van het verhogen en verlagen: door nu b te zeggen in plaats van a lijk ik God te verlagen, maar in feite verhoog ik hem. Met een voorbeeld uit de preek ‘Quasi stella matutina’: “Maar door te zeggen dat God niet een zijn is en dat Hij boven het zijn staat, heb ik Hem niet zijn ontzegd, integendeel, ik heb dat in Hem verhoogd.” Het gebed hierboven herinnert aan dit type wendingen bij Eckhart, zij het dan in grootste verwondering over diens spreekwoordelijke zelfverzekerdheid.

Dan iets over ‘de subtiele geest van ontwrichting’. Dat is een dierbaar thema uit een boek van eigen hand, De stille stem. Niet-weten als levenshouding (Nieuw Amsterdam, 2011). Dat hoofdstuk gaat over de Heilige Geest en doet een poging deze een eigen mythe te geven, een eindelijk volwaardige functie in de kring van de Drie-eenheid.

De Heilige Geest, zegt deze nieuwe mythe, is degene die elke voorstelling omtrent God of Christus problematiseert, stuk slaat, verbrijzelt, dit alles om te voorkomen dat ik als mens me al te zeer ga hechten aan beelden. De Geest wil dat ik alert blijf en zie welke gevaren er loeren wanneer ik beelden absoluut neem en vergeet dat beelden beelden zijn. Hij of zij – want ze wisselt bij elke verschijning van geslacht, deze god is bij uitstek een god van de metamorfose – wil dat ik een bewustzijn ontwikkel voor de werking van mijn bewustzijn. Dat doet ze in de hoop dat mijn lijden aan beelden een beeld van lijden wordt en dat ik me, geholpen door dat besef, leer verbinden met al diegenen die even als ik slachtoffer zijn van gedachteloze hechting aan opvattingen en zekerheden, vooral die van de religieuze en spirituele soort.

De Heilige Geest is dus de Ontwrichter, een god(in) van tijd eerder dan van waarheid, want hij of zij (of allebei) is met niets zo gelukkig dan met mijn verraste ontdekkingen van de werking van leegte, ironie, relativiteit. Reden waarom je de Ontwrichter ook de Zachtmaker mag noemen, indachtig die prachtige regel uit het middeleeuwse ‘Veni, Sancte Spiritus’: flecte quod est rigidum, maak alles wat verhard is zacht.

Tot slot: Borges’ gebed is zonder aanhef en besluit. Dat laatste is in het gebed hierboven niet gelukt; kennelijk moest het eindigen met een traditioneel amen.

———-

Jan Oegema is uitgever en organiseert retraites, leesclubs en zangdagen (zie www.openklooster.nl). Najaar 2016 publiceert hij Diep uit het oor. Taal en poëzie in de retraites van het Open klooster, Vantilt, 96 blz., € 13,50 en Lichaamsziel. Een retraite om rouw, Vantilt, 124 blz., € 14, 95.

Bron Tijdschrift voor Geestelijk Leven (TGL), september-oktober 2016, themanummer: Bidden, Levensader van de gelovige

Voor verdere informatie over TGL zie www.tgl.beBesteladres Nederland: ahmmetz1941@kpnmail.nl. Besteladres België: abonnementenTGL@kerknet.be of info@tgl.be. Kosten per los nummer: 7,95 plus verzendkosten.

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*


Frilco Philippines Corporation Hazardous Waste Transport Laguna clickonetic best photobooth photo-coverage laguna Free themes elementor pro web services web development