Koos

Paulien van Bohemen is geestelijk verzorger in een verpleeghuis. Ze tekent scènes op uit het dagelijks leven aldaar. “Ik weet dat ik mijn verstand aan het verliezen ben, maar je moet geloven wat ik je nu ga vertellen.”

Door Paulien van Bohemen

“Ach zuster, ik sta elke dag gezellig af te takelen, ik verveel me hier dus nooit.” Ze grijnst. Met haar rechterhand zoekt ze houvast aan de muursteun. In haar linkerhand heeft ze een foto. “En terwijl ik aan het slijten ben, kan ik net zo goed vertellen over Koos. Maar dan moet deze ouwe taart eerst zitten, hoor.” Behoedzaam schuifelt ze naar de houten bank halverwege de gang. Ze laat zich zakken op een lichtgroen tuinkussen. “Kijk, dit is hem dus.” Ze tikt op de zwart-witfoto met daarop een peuter in een gestreept overhemdje, en met een ernstige blik in zijn ogen. “Koos was eigenlijk het pleegkind van een gezin buiten ons dorp. Dat echtpaar had ook twee eigen jongens. Maar toen belandde de moeder in het ziekenhuis. Hun twee zoons konden naar een tante, maar die wilde de kleine Koos er niet bij hebben. Omdat hij geen echte familie was. Hardvochtig kreng.” Ze snuift.

“Ik weet dat ik mijn verstand aan het verliezen ben, maar je moet geloven wat ik je nu ga vertellen. Die moeder werd alsmaar zieker. En Koosje kon nog steeds nergens terecht. Nou, dat vond ik sneu. Ik ben door de regen en de novemberstorm naar hun huis gefietst om die pleegvader aan te bieden zolang voor Koos te zorgen. Maar hemeltjelief, wat ik tóen zag. Koosje zat buiten in een kinderstoel. In de stromende regen op het gazon in de voortuin. Ja echt. Hij huilde niet, hij zat alleen maar te klappertanden in zijn doorweekte jasje. Ik vergeet nooit die lege blik in zijn ogen. Op zijn tafeltje stond een kommetje pap, vermengd met regenwater. Ik heb Koos vlug uit zijn stoeltje getild en tegen me aangedrukt. Hij rilde. Ik voel nog zijn koude knuistjes in mijn nek. Ik heb hem in mijn regenjas gewikkeld. Thuis heb ik hem meteen in bad gedaan en poffertjes gebakken. Het kereltje at als een bootwerker. Na het eten viel hij als een blok in slaap. Toen heb ik de kinderbescherming gebeld. De mevrouw aan de telefoon bedankte me niet eens. Ze vroeg alleen of Koos zolang bij ons kon blijven. Ze zouden wel bellen als ze een nieuw gezin voor hem hadden gevonden.”

Ze drukt de foto tegen haar borst en sluit haar ogen. “Ik zeg je: hij kwam bij ons vlak voor zijn tweede verjaardag en op zijn achttiende hadden we nog steeds geen telefoontje gehad.”

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*