Home » Boeken » Krasse uitspraken van psychiater Herman van Praag over religie en Israël zijn slecht onderbouwd

Krasse uitspraken van psychiater Herman van Praag over religie en Israël zijn slecht onderbouwd

Het knettert flink in het nieuwste boek van psychiater Herman van Praag. Krachtig zet hij zich af tegen Dick Swaab (wij zijn ons brein). Of: “Iemand die geen religiositeit ontwikkelt, heeft eigenlijk een ontwikkelingsstoornis.” Interessant, zegt recensent Taede Smedes, maar mag het met ietsje meer argumentatie alstublieft? En: de radicaliteit waarmee de joodse Van Praag zich uitlevert aan de politiek van de staat Israël is zijn oeuvre onwaardig, aldus Smedes.

Door Taede A. Smedes

Een tweeluik had de gepensioneerde psychiater Van Praag voor ogen. Twee boeken, waarvan het eerste recentelijk verscheen onder de titel Het verstand te boven: Beproevingen van een verstandig mens. Kwaliteitsuitgeverij Boom heeft het weer prachtig uitgegeven, net als een eerder boek van Van Praag, God en psyche, uit 2008. Maar na een paar keer lezen moet ik vaststellen dat ik Het verstand te boven echt geen goed boek vind. Het is te weinig samenhangend, te weinig beargumenteerd, het is een verzameling essays zonder een heldere rode draad, en – vooral in het laatste hoofdstuk – met een radicaliteit die mijn verstand te boven gaat.

Spannende polemiek
Wie de achterflaptekst leest, verwacht een spannende polemiek over de stelling van Dick Swaab dat wij ons brein zijn. En ja, inderdaad, daar gaat het eerste essay ook over. Maar dan – helaas – ook alleen het eerste hoofdstuk. Van Praag is het hartgrondig oneens met Swaabs deterministische en materialistische mensvisie. Bij Swaab verdwijnt de menselijke eigenheid en authenticiteit, meent Van Praag. Die eigenheid kun je in het brein niet vinden. Van Praag noemt zichzelf een “neo-dualist”, iemand die beweert dat geest en brein bestaan “uit fundamenteel verschillende stuff; dat de stuff waaruit de geest is opgebouwd op zichzelf moet worden bestudeerd, en wel met specifieke methoden die met biologie niets uitstaande hebben; dat de stuff van de geest vermoedelijk nooit volledig tot hersen-stuff te herleiden zal blijken te zijn” (31). Kijk, daar knettert het!

Maar na zo’n uitspraak, verwacht je wel stevige argumentatie om de plausibiliteit van die nogal controversiële positie te onderbouwen. En die ontbreekt volledig. Van Praag geeft slechts een opsomming van zijn (toegegeven: indrukwekkende) levensloop – de joodse Van Praag overleefde drie jaar concentratiekamp waarna hij besloot om alles uit het leven te halen wat erin zat – en concludeert daaruit dat hijzelf in zijn leven vrije keuzes heeft gemaakt, en dat niet zijn brein voor hem de besluiten nam: “Ik was de bouwmeester van mijn leven, ikzelf, mijn denkende zelf, niet mijn brein” (41). Ik wil het graag geloven, maar heb dan toch wat meer argumenten nodig.

Ontwikkelingsstoornis
Het tweede essay gaat over de spanning tussen het verlichtingsdenken en religiositeit. Aan de hand van een dispuut tussen Ger Groot en hemzelf over de interpretatie van Heijermans’ toneelstuk Ghetto haalt Van Praag een hele boekenkast aan ideeën over religie omver om uiteindelijk te betogen dat religiositeit tegemoet komt aan een aantal psychologische behoeften, dat religie gezond en een normaal bestanddeel is van de menselijke persoonlijkheid (iemand die geen religiositeit ontwikkelt heeft volgens Van Praag eigenlijk een ontwikkelingsstoornis). Bij denkers die religie een overgebleven reliek uit voorbije tijden vinden, is volgens Van Praag dan ook geen sprake van verlichting, maar hooguit van schemerverlichting. Ook hier weer stevige uitspraken die met betrekkelijk weinig argumentatie worden onderbouwd.

Hoofdstuk drie gaat over zin en betekenis, en vooral over zinverlies. Wanneer iemand de zin van zijn of haar leven verliest, ontstaat een beslagen voorruit. Religie kan dan, volgens Van Praag helpen om met dat zinverlies om te gaan en om hernieuwde zin in het leven te vinden. Het thema van zinverlies wordt gecontinueerd in hoofdstuk vier, dat gaat over de rol van religie bij zelfdoding. Ook hier is het grondthema dat religie gezond is, een flexibele persoonlijkheid oplevert die tegen een psychisch stootje kan. Maar hier komt ook een andere kant van religie naar voren: ongezonde religie, religie waarin God wordt gezien “als een ongenaakbare, overmatig strenge, dreigende en bedreigende, tirannieke en schuld oproepende autoriteit” (117) verhoogt juist het stressniveau en kan depressies en zelfs een doodswens versterken. Religie blijkt niet alleen maar goede kanten te hebben, maar hoe dat dan precies zit, dat wordt niet duidelijk.

Zelfhaat
Hoofdstuk vijf is het laatste en langste hoofdstuk van het boek. Het is een hoofdstuk dat qua thematiek behoorlijk afwijkt van het voorgaande. En het is ook het hoofdstuk waar ik het meeste moeite mee had. In dit hoofdstuk gaat Van Praag in op de al eeuwenoude verscheurdheid van “het volk van het woord”, dus het jodendom. Van Praag laat zien hoe al in het Oude Testament de Israëlieten een verscheurd volk was dat balanceerde op de rand van zelfbehoud en zelfdestructie. En vandaag de dag is het niet veel anders.

Maar wie nu verwacht dat Van Praag een pleidooi houdt voor Israëlische politiek van gematigdheid, die heeft het mis. De zelfdestructieve tendens zit niet in de Israëlische politici die de Palestijnen onderdrukken. Nee, integendeel: volgens Van Praag zit de zelfdestructieve tendens in de joden die zich juist uitspreken vóór de Palestijnse zaak en daarmee zelfhaat propageren jegens hun eigen volk. Zonder enige nuance zet Van Praag kritiek op de Israëlische politiek weg als jodenhaat, als het resultaat van feitenmanipulatie, van list en bedrog, het is alles demonisering, laster, onverdunde, ongemitigeerde haat jegens Israël (152-153): “Het herrezen Zion appelleert klaarblijkelijk aan aloude onderbuikgevoelens. Eeuwenlang was de Jood de suspecte, bedreigende buitenstaander. Heden ten dage krijgt Zion, de Jodenstaat, die rol toebedeeld” (153). Het moet gezegd worden: de radicaliteit die van deze pagina’s spat zou zo in een pamflet van de PVV passen. Maar het is Van Praags oeuvre onwaardig.

Dus, inderdaad, ik heb het boek een aantal keren moeten lezen. Ik wist niet wat ik ermee aan moest. Ik vertrouwde mezelf niet, toen ik het voor de eerste keer had gelezen. Ik had het gevoel dat ik wellicht iets over het hoofd zag, de sleutel die de eenheid van dit boek voor mij zou ontsluiten. Waar was de vertellende, kalm redenerende Van Praag uit God en psyche en uit Tjerk de Reus’ interviewboek? Ik heb dus het boek nog maar eens gelezen. En toen nog eens. Maar helaas, de sleutel heb ik nog altijd niet gevonden. Teleurstellend, en dat meen ik. Ik heb mijn hoop nu gevestigd op het tweede deel.

Dr. Taede A. Smedes (1973) is godsdienstfilosoof en theoloog en specialist op het gebied van de relatie tussen theologie en natuurwetenschap.

Herman_van_Praag,_Het_verstand_te_bovenHerman M. van Praag, Het verstand te boven, Boom (2013) 183 blz., € 22,50.

Andere genoemde boeken

Herman M. van Praag, God en psyche: De redelijkheid van het geloven – visies van een jood, Boom (2008).
Tjerk de Reus, God, religie en ons brein: In gesprek met psychiater Herman M. van Praag, Kok (2011).

Print Friendly, PDF & Email

5 reacties

  1. Ieder mens is feilbaar en dus ook van Praag. Een ‘mensch’. Daarnaast blijft hij een boeiend en wijs man waar we veel van kunnen leren.

  2. Jan Vervarcke, Brugge

    Prof. Herman van Praag heb ik leren kennen tijdens mijn opleiding in Groningen. Ik vond hem toen één van de interessantste mensen die ik ooit had ontmoet; dat is hij blijkbaar nog steeds!

  3. Een man met bijzondere denkbeelden, waar ik veel aan heb. Dankuwel, Herman van Praag.

  4. ‘Iemand die geen religiositeit ontwikkelt, heeft eigenlijk een ontwikkelingsstoornis.’
    Van Praag lijkt hier terug te grijpen op H.C. Rümke’s beroemde kleine essay Karakter & Aanleg.
    Rümke zegt impliciet, maar ook met zoveel woorden, dat geloof hoort bij geestelijke gezondheid. Dat deze overtuiging wordt uitgesproken door een eminent psychiater mag te denken geven.
    Zie hierover mijn nog kleinere essay ‘Religieuze ontwikkelingsfasen aan de hand van Rümke en Heschel.

  5. Helaas, zo blijkt weer maar eens, betekent ouder worden niet altijd wijzer worden.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*