Home » Cultuur » Muziek van nu en het einde van de religie – Over ritualisering en religionisering van de concertpraktijk

Muziek van nu en het einde van de religie – Over ritualisering en religionisering van de concertpraktijk

Nu religie niet meer exclusief binnen de kerken wordt beleefd, is de vraag: wat is dan die buiten-kerkelijke religiositeit? Musicoloog en theoloog Martin Hoondert laat dit zien aan de hand van muziek. Soms grijpen componisten naar traditionele muzisch-religieuze vormen, zoals het requiem. Of ze gebruiken een muzikale taal die door velen als sacraal of spiritueel wordt herkend. Maar geeft uiteindelijk niet elke muziek ons ‘te denken’ op een manier die juist het denken overstijgt?

Door Martin Hoondert

Minder dan de helft van de Nederlanders is nog religieus, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onlangs. Het bericht deed enige stof opwaaien en kreeg veel kritiek, met name omdat het CBS religiositeit gelijk stelt aan kerkelijkheid, terwijl, zo zeiden de critici, veel religie individueel is geworden en zich juist afspeelt buiten de kerkelijke instituten. Religie neemt niet af, claimen de critici van het CBS-onderzoek, nee, religie verschuift.

Ik wil het over die verschuiving hebben, waarbij ik ‘verschuiving’ versta als een verplaatsing van het ene domein naar het andere. Vanuit mijn perspectief als religie- en ritueelwetenschapper, zie ik twee verschuivingen, aangeduid met die twee lelijke woorden uit de titel van mijn lezing: ritualisering en religionisering. Ik zie een verschuiving van rituelen en religie van het institutioneel-religieuze domein naar het domein van de kunsten. Dus: ritual transfer en religious transfer. Toegepast op muziek: een transfer van kerk naar concertzaal – met daarbij de aantekening dat soms kerkgebouwen ook als concertzaal functioneren.

Ritual transfer

Twee mooie voorbeelden van ritual transfer kreeg ik onlangs op een presenteerblaadje aangeboden. Ten eerste vond op 2 november jl. de uitvoering van het indrukwekkende ‘Requiem’ van Kate Moore plaats. Recensent Frederike Berntsen in dagblad Trouw schijft hierover: “Ze [Kate Moore, M.H.] creëerde een kerkelijke ervaring anno 2018, met een onkerkelijk instrumentarium.”[1]

Een tweede voorbeeld hoorde ik op zondag 4 november jl. tijdens een Requiem concert in de abdij Koningshoeven door het kamerkoor Ad Parnassum. Daar werd het werk Welle of Mercy van Anthony Fiumara uitgevoerd (naast onder meer het Requiem van Mozart). Welle of Mercy is een compositie voor koor en strijkersensemble met vier gregoriaanse Maria-antifonen als uitgangspunt. Fiumara zegt hierover: “Die melodieën van de Maria-antifonen zijn perfect (…) ze roepen een eigen wereld op (…). Die melodieën raken je steeds weer, er gebeurt iets mee. Je wordt er door getroffen.”[2]

Deze twee voorbeelden illustreren wat in de ritual studies genoemd wordt: ritual transfer. Dit houdt in: een rituele vorm, in dit geval: een ritueel-muzikale vorm gaat over van het kerkelijk naar het cultureel domein. De ritueel-muzikale vorm (het Requiem, de gregoriaanse antifonen) worden in het nieuwe domein toegeëigend.

Die toe-eigening doet iets met de vorm en met de betekenisgeving. Componisten voelen zich vrij de voorgegeven vorm te veranderen, ze voegen teksten en onderdelen toe en laten weg wat zij niet kunnen gebruiken. Daarmee veranderen ook betekenissen. We kunnen dit goed laten zien aan de hand van Kate Moore’s Requiem. Van oudsher is het Requiem een dodenmis, bedoeld om te bidden voor het zielenheil van de overledene. Bij Moore horen we een Requiem voor moeder aarde, “een sacrale mis voor een aardbol die uitgeput dreigt te raken.”[3]

De ritual transfer leidt tot mooie en boeiende concerten, maar het is te eenvoudig om de ritual transfer te zien als een verschuiving van religie, zoiets als: religie niet meer in de kerken, religie in de concertzaal. Of toch? Is het bewust ritualiseren van concerten (herdenkingsconcerten, requiemconcerten, ligconcerten, stilte-concerten, concerten bij kaarslicht enz.) een manier om van de concertzaal een betekenisvolle ruimte te maken, waar meer ‘te halen’ is dan alleen mooie muziek? Is het toe-eigenen van met religieuze betekenissen geladen vormen (zoals het Requiem, psalmen, Stabat Mater) door componisten van nieuwe muziek een uiting van het verlangen en zoeken naar zin en betekenis?

Diepe ervaringen

Ik wil een volgende stap zetten. Naast de muzikale vormen die ontleend zijn aan de institutionele religies hoor ik veel muziek die ik als religieus, sacraal of spiritueel zou kunnen typeren. Ik begeef me daarmee op glad ijs, want deze typeringen zijn sterk afhankelijk van mijn luisterervaring en interpretatie. Ik ben geneigd om de compositie Blue Encounter van Joep Franssens sacraal te noemen, maar ik ben me ervan bewust dat die typering een expressie is van mijn luisterervaring.

Soms is de titel een trigger, zoals bij Franssens’ Harmony of the Spheres (de titel roept de hele kosmos op) of zijn Sanctus (een van mijn favoriete composities, er klinkt geen tekst, het is geen traditioneel ‘Sanctus’ als onderdeel van de rooms-katholieke mis). Er is veel muziek die bij het luisteren – echt luisteren – leidt tot wat ik maar noem: ‘diepe ervaringen’. De filosoof Erik Heijerman spreekt over de existentiële betekenis die muziek kan hebben voor mensen. Ik citeer:

“Dat komt omdat we ons kunnen identificeren met muziek. Die identificatie kan zo volledig zijn dat de grenzen tussen ons en de muziek kunnen verdwijnen. Dan verliezen we onszelf in de muziek, en lijkt zij ons te confronteren met een andere wereld waarin we volledig kunnen opgaan. Dat is een ervaring van transcendentie, van een opgaan in iets dat ons als eindige wezens overstijgt. Het verlangen ons eigen ik te overstijgen is een van de oerthema’s van het leven. Muziek levert daar een mogelijkheid voor.”[4] (Elke muziek heeft haar hemel)

Ten dele is dat persoonlijk, de muziek die leidt tot dergelijke diepe ervaringen is gebonden aan mijn luisterervaring, maar helemaal subjectief is dit niet. Er is muziek die door velen als religieus of sacraal ervaren wordt. De componisten die gerekend worden tot de stroming van de New Spirituality (Tavener, Pärt, Franssens, Vasks, Vermeeren) weten hoe dat moet: muziek schrijven die als sacraal ervaren wordt.

De muziekjournalist Thea Derks plaatst deze groep componisten in de stroming, vanaf de jaren 1970, van minimalisme en neoromantiek die leidt tot een herbezinning op de atonaliteit. Er is verlangen naar “een meer toegankelijk soort muziek, waarin ook ruimte is voor het uitdrukken van emoties.”[5]

De componisten van de New Spirituality gebruiken een muzikale taal – tonaal, harmonisch, langzame tempi, klankrijk, veel herhaling – waarin mensen als het ware kunnen schuilen, een muzikale sound die troost biedt en die door velen als betekenisvol wordt ervaren. De populariteit van deze stroming – concertzalen programmeren de genoemde componisten graag – kunnen we zien als een toenemende behoefte aan plaatsen waar mensen betekenisvolle, diepe ervaringen kunnen opdoen.

Muziek staat hierin niet alleen. In de kunstwereld in het algemeen zien we expressies die religie, het religieuze, sacraliteit of spiritualiteit tot onderwerp hebben, die het heilige present willen stellen. Een sterk en tot de verbeelding sprekend voorbeeld zijn de schilderijen van Mark Rothko (1903-1970): grote kleurvlakken die bij het publiek sterke emoties oproepen en leiden tot de eerder genoemde ‘diepe ervaringen’. Bij de tentoonstelling van zijn werk in 2015 in het Gemeentemuseum in Den Haag stonden bezoekers voor zijn schilderijen te huilen.

“De interactie met de bezoeker was voor Rothko van groot belang. Een overweldigende emotionele ervaring, voor zowel de kunstenaar als het publiek was voor hem de sublieme vorm van inspiratie, een aan het religieuze grenzend gevoel. “Mensen staan voor mijn schilderijen te huilen, omdat ze dezelfde spirituele ervaring hebben als ik had, toen ik het schilderde.”  Rothko was niet de eerste abstracte kunstenaar voor wie het spirituele aspect belangrijk was, ook kunstenaars als Mondriaan en Kandinsky zagen hun werk als een geestelijke oefening.”[6]

Een mooi overzicht van de opleving van religie in de beeldende kunst vinden we in het driedelige boekwerk van Johannes Rauchenberger: Gott hat kein Museum / No Museum has God (2015). Exemplarisch is ook de elfdelige Poetische Dogmatik van de theoloog Alex Stock waarin hij de theologie opnieuw doordenkt vanuit muziek, teksten en beelden.

Alle muziek

De religionisering van de concertpraktijk (de religious transfer) is niet alleen toe te schrijven aan de muziek van de componisten die we kunnen rekenen tot de New Spirituality, of componisten die heel bewust ritueel-muzikale vormen uit het religieuze domein opnieuw ontdekken en toe-eigenen. Het is ook muziek zelf – elke muziek – die ons ‘te denken geeft’.

Ik gebruik bewust de wat vage uitdrukking ‘te denken geeft’, want waar ik naar zoek is naar de soort kennis die muziek ons geeft als we haar echt beluisteren. Luisteren naar muziek is een volstrekt andere ervaring dan bijvoorbeeld het lezen van een boek. Woorden verwijzen, roepen beelden op, hebben een relatie met de werkelijkheid. Muziek heeft niet deze directe relatie met de werkelijkheid en toch roept zij van alles op.

Eenvoudig gezegd: het lezen van een boek levert ons kennis op een cognitief niveau op – het verstand is primair, het luisteren naar muziek levert ons kennis op via onze zintuigen, via het lichaam. Dankzij muziek begrijpen we de wereld, maar dan op een fysieke manier, pre- of non-verbaal. De kennis die we opdoen is ‘embodied knowledge’: niet wij drukken iets uit in de muziek, maar muziek geeft ons ‘iets’, ‘acts upon us’. Of, zoals de filosofe Alicja Geschinska zegt in haar recente essay Thuis in muziek: “Mensen maken muziek, maar muziek maakt ook mensen.”[7]

Wat muziek ons geeft, is niet te beschrijven door te verwijzen naar de toonsoort, de structuur van de compositie of het aantal Herz van de klinkende tonen. Als ik duidelijk wil maken wat muziek ons geeft, heb ik metaforen nodig, moet ik een meta-taal spreken die op een onhandige manier de muziek representeert, maar niet de ervaring zelf is. Als ik duidelijk wil maken wat muziek ons geeft, moeten we (opnieuw) gaan luisteren. Onder verwijzing naar de filosoof Roger Scruton zegt Erik Heijerman:

“‘a theory of musical understanding is a theory of what we understand when we listen with understanding’. Vrij vertaald: als muziek betekenis heeft, dan is die betekenis dat wat je begrijpt als je haar begrijpt. De betekenis toont zich in de ervaring die we bij het aandachtig volgen van de muziek van moment tot moment hebben. (…) In zekere zin geeft ze een voorbeeld van het hogere leven en nodigt ze je uit om zuiverder te leven en te voelen, jezelf te bevrijden van alledaagse pretenties. (…) Ze roept je naar een andere en hogere wereld, een wereld waarin het leven zijn vervulling en zijn doel vindt.”[8]

Religie?

Zijn deze woorden van Scruton over wat muziek vermag, niet wat veel en al te hoogdravend? Wellicht. En toch is dat de ervaring die muziek ons kan geven, alle muziek. Als ik dus spreek over de religionisering van het concertleven (in brede zin), dan doel ik niet alleen op het werk van componisten die bewust zoeken naar het sacrale, of die ritueel-muzikale vormen overnemen om de oude religieuze vragen over leven, moraliteit en dood opnieuw te doordenken. Ik doel ook op muziek an sich.

In een wereld die los is gekomen van de institutionele religies, biedt muziek een ruimte om over zin en betekenis na te denken. De vraag is: gaat het daarbij om religie, zoals we dat gewend zijn te verstaan? Gaat het bij de transcendente ervaringen die muziek ons geven kan (waarbij we onszelf overstijgen) om transcendentie in de traditioneel religieuze zin? Eigenlijk is deze vraag ongepast, want zij veronderstelt dat wij het transcendente – datgene wat ons overstijgt – kunnen ‘grijpen’. Alsof wij kunnen bepalen welke ervaringen van zin en betekenis, zoals gegeven in en door muziek, ‘van God’ zijn en welke niet. Laat de muziek maar klinken, we horen wel wat er gebeuren gaat!

 

Martin Hoondert (* 1967) was van 2007 tot en met 2011 bijzonder hoogleraar ‘Muziek en Christendom’ aan de Universiteit van Tilburg. Sinds 2012 is hij universitair (hoofd-)docent ‘Muziek, Religie & Ritueel’ aan deze universiteit. In zijn onderzoek houdt hij zich bezig met muziek en de dood: het moderne Requiem als verklanking van visies op de dood, Requiemconcerten, muzikale repertoires bij uitvaartrituelen, muziek en rouw, muziek en troost. Daarnaast richt zijn onderzoek zich op rituelen en (muzikale) monumenten in de context van herdenkingen, met name herdenkingen van oorlogen (Eerste en Tweede Wereldoorlog) en genocide (met name Rwanda en Srebrenica). Martin Hoondert is hoofdredacteur van het Gregoriusblad (tijdschrift voor liturgische muziek), redacteur van het tijdschrift Vieren, en lid van de redactieraad van het Jaarboek voor liturgie-onderzoek en de boekenreeksen Meander, Netherlands Studies in Ritual and Liturgy en Liturgia Condenda. Tevens is hij dirigent van het liturgiekoor Katharsis (Tilburg).

————

[1] Trouw, 5 november 2018.

[2] Programmaboekje Requiem in Koningshoeven 2018.

[3] Programmaboekje, 45.

[4] E. Heijerman, in M. Hoondert e.a., Elke muziek heeft haar hemel. Budel 2009.

[5] Thea Derks, Een os op het dak. Amsterdam 2018, 30.

[6] https://www.gemeentemuseum.nl/nl/tentoonstellingen/mark-rothko (geraadpleegd op 9 november 2018).

[7] A. Gescinska, Thuis in muziek. Amsterdam 2018, 112.

[8] Ontleend aan lezing van Erik Heijerman over ‘muziek en het heilige’.

 

Dit artikel is de neerslag van een lezing bij het symposium ‘Muziek en Religie: hemels of hels?’ Georganiseerd door November Music, Tilburg University en het tijdschrift VolZin

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*