Home » Het maakbare leven » Religieprofessional Marije Vermaas: “Alles is vergankelijk, behalve de liefde”

Foto Vincent van Gaalen

Religieprofessional Marije Vermaas: “Alles is vergankelijk, behalve de liefde”

In haar vader, die predikant was, zag Marije Vermaas (31) een liefde werkzaam die niet alleen uit hemzelf kwam. Als ze twaalf is, ervaart ze zelf Gods nabijheid echt fysiek: “Een heel diep gevoel van vrede, liefde, geborgenheid, dat het goed is”. Sindsdien weet ze dat God bij alle facetten van haar leven betrokken wil zijn. Theo van de Kerkhof sprak met haar in het kader van de Volzinserie ‘Jonge Denkers’.

Door Theo van de Kerkhof

Godgeloof, de kracht van bijbelverhalen, de levende aanwezigheid van Jezus. Voor domineesdochter Marije Vermaas heeft dat alles een spontane vanzelfsprekendheid. Met een haast verwonderde blik kijkt ze de wereld in. De moderne religiekritiek lijkt verrassend weinig vat op haar te hebben. Wereldwijsheid kan haar evenwel niet ontzegd worden. Ze studeerde religiewetenschappen, was geestelijk verzorger, werkt als redacteur voor een blad over zorgethiek en is auteur van verschillende boeken; ze verdiepte zich in islam en theologie en verbleef langere tijd in het buitenland. Daarnaast is ze getrouwd en moeder van twee kinderen. “Nee, ik vind God niet moeilijk plaatsbaar in de moderne cultuur. God is van alle tijden en alle plaatsen, voorbij de culturen en voorbij de tijdgeest. Hij wil op alle momenten van de dag bij ons gewone leven betrokken zijn. Dat zie je ook in veel bijbelse roepingsverhalen. Die verhalen spelen zich doorgaans niet in de tempel af, maar juist als mensen aan het werk zijn, of onderweg, of in gesprek. Daar, in het alledaagse, openbaart God zich.”

Hoe heeft God zich in jouw leven geopenbaard?

“Ik ben opgegroeid in een domineesgezin. Geen garantie voor een gelovig nageslacht, overigens. Maar ik heb thuis, in de passie van mijn vader, wel iets gezien. Hij was echt bevlogen. Bewogen door iets. Iets buiten hem zelf ook. De kracht die hij had om zó voor andere mensen te zorgen; buitenproportioneel soms. We gingen soms een week later op vakantie omdat er iemand van zijn gemeente overleden was. Van hem heb ik meegekregen dat liefde grenzeloos is. Die liefde was niet iets dat alleen uit hemzelf kwam. Ik zie het als Gods geest die in hem woonde. En ik geloof dat die geest in alle mensen wil wonen.

Ik heb ondervonden dat als je je met die geest inlaat, je anders naar mensen gaat kijken. Je krijgt liefde voor mensen van wie je je in eerste instantie zou afkeren.

Ik was twaalf toen ik tijdens een Flevofestival echt fysiek Gods geest voelde. Een heel diep gevoel van vrede, liefde, geborgenheid, dat het goed is. Het is moeilijk te omschrijven. We waren in een tent aan het aanbidden en ik ervoer dat er meer was dan alleen ikzelf en mijn vriendengroep. Het was meer dan zo maar een subjectief gevoel. Ook anderen voelden die liefdevolle aanwezigheid. Op die ervaring heb ik de jaren daarna voortgebouwd. Ik ben in de Bijbel gaan lezen. Ik zag dat God bij mijn leven betrokken wilde zijn.

Ik heb me daarin ook wel een tijd, zo rond mijn vijftiende, eenzaam gevoeld. Ik had die ervaring met God, maar niet echt christelijke vriendinnen. Ik heb toen God gevraagd of hij mij mensen wilde geven met wie ik mijn ervaringen kon delen. Die zomer ontmoette ik een jongerengroep waar ik mij in kon herkennen. En zo is het voortdurend gegaan in mijn leven. Ik wil niet zeggen iedere dag, maar er zijn zoveel momenten dat ik als het ware een gedenksteen kan neerzetten: ‘Kijk, daar is Hij weer.’ Hij antwoordde mij, zag mij, droeg mij.”

Maar voor de moderne cultuur geldt nu juist dat we ‘de hypothese God’ niet nodig hebben in al die ervaringen die jij beschrijft.

“Van mij mag het. Prima als je liefde voelt, je geborgen weet, als je goed doet, zonder daarbij God te betrekken. Alleen, vanuit mijn perspectief denk ik dan: daar is God aan het werk. Ik denk dat uiteindelijk iedereen God nodig heeft. De moderne cultuur lijkt misschien zonder te kunnen, doordrongen als ze is van het maakbaarheidsgeloof. Maar uiteindelijk hebben we het leven niet in de hand en is het enorm kwetsbaar. Vroeg of laat loopt iedereen tegen de grenzen van het maakbare aan: een huwelijk dat stukloopt, een kinderwens die niet vervuld wordt. Of je krijgt een kind en het is ernstig ziek.”

De kwetsbaarheid is evident. Maar dat zegt toch niet dat Hij er is? Integendeel zelfs, zou je kunnen denken.

“Ja, vaak wordt het lijden als een aanklacht tegen God ingebracht. Alsof het lijden het bestaan van God onmogelijk maakt. Maar mijn ervaring is dat juist het lijden momenten biedt van Godsontmoeting. God is betrokken bij alles. Hij is degene die aan het begin en het eind staat. Niet alleen van ons leven, maar ook van het grote geheel…

Toen ik 18 was ben ik een jaar in Oeganda geweest. We werden daar midden in de rimboe gedropt. Daar was echt niks: geen ziekenhuis, geen elektriciteit, geen water. Onverantwoord eigenlijk. Maar juist daar zag ik, in de Afrikaanse mensen, hoe God heel praktisch aanwezig wil zijn. We hadden op een gegeven moment geen geld meer om eten te kopen. Daar zaten we, acht hongerige jongeren. Toen kwam er iemand langs die zei: ‘Volgens mij hebben jullie nog eten nodig. Ik kook vanavond voor jullie.’ In Afrika maak je bijna dagelijks dit soort wondertjes mee.”

Is dit nu juist niet het geloof waar het moderne denken op stukloopt? Waarom zou God jou uitkomst bieden, terwijl anderen in hun nood omkomen?

“Daar heb ik natuurlijk ook veel vragen over. Ik heb in Afrika mensen, kleine kinderen, door armoede en ziekte zien overlijden. Godgeloof is geen garantie dat alles lukt of goed gaat in je leven. Natuurlijk niet. Ook onder christenen wordt er veel geleden en ook in mijn eigen leven heb ik narigheid meegemaakt. Het gaat niet altijd zoals wij zouden willen. Maar dat wil niet zeggen dat God daarin niet aanwezig is. Op het moment dat ik mij kan overgeven, heb ik gemerkt, geeft hij mij moed, kracht, of mensen om mij heen om mij te dragen, een bijzondere ontmoeting, of iemand die precies het juiste woord weet te zeggen. Ook al is de uitkomst niet waar ik om gebeden heb.

Het ‘waarom’ is niet altijd te doorgronden. Het antwoord dat God ons laat lijden om ervan te leren, daar geloof ik niets van. Toen mijn vader ernstig ziek was, kon het mij erg storen als mensen zeiden ‘Oh, maar God heeft er vast een bedoeling mee.’ Je hoeft niet alles te begrijpen om je toch aan God over te geven. En soms komt begrip achteraf. Oude mensen die hun leven kunnen overzien kunnen soms vrede hebben met gebeurtenissen waar ze zich ooit vreselijk tegen verzet hebben.

En dan: het leven hier is niet het enige waar het om gaat. Er is een diepere laag van eeuwigheid. Ons leven duurt maar zeventig en soms maar twee jaar. Maar onze ziel gaat voor eeuwig mee, die hoort en blijft bij God.

Kijk, ik heb me ook in bijbel- en religiekritieken verdiept; andere religies bestudeerd. Maar ik kom er steeds bij uit dat de liefde eeuwig is. Al het andere is vergankelijk, alleen de liefde vergaat niet. En die eeuwige liefde is God. Dat is mijn ervaring. Dat strookt overigens ook met de Bijbel, lees 1 Korintiërs 13.”

In je boek over dankbaarheid schrijf je over bijbelse personen die ondanks hun zorgen naar boven keken. Is dat niet precies waar de moderne religiekritiek haar pijlen op richt? Geloof als een doekje voor het bloeden. Wegkijken in plaats van aanpakken.

“Zo bedoel ik dat natuurlijk niet. En dat is ook niet wat ik in de Bijbel lees. Die personages staan met de voeten in de klei. Ze zijn druk doende met het aardse leven. Als Abraham in de duisternis van de nacht, waarin je ook de duisternis van zijn eigen leven kunt lezen, naar boven kijkt, dan ziet hij de duizenden sterren. Stipjes van hoop. Of als Noach naar de hemel kijkt en de regenboog ziet als een teken van Gods verbond, dan ziet hij even een ruimer perspectief. Maar wil dat dan zeggen dat hij niet meer aan de slag gaat? Natuurlijk niet.

In perioden van moedeloosheid heb ik zelf wel eens gedacht: er is zoveel ellende in de wereld; waarom laat God weer een nieuwe dag beginnen? Blijkbaar is er naast al die ellende ook iets goeds. En als God het er niet bij laat zitten met de wereld, wie ben ik dan om niet de armen uit de mouwen te steken.

Een prachtig verhaal vind ik dat van de verheerlijking van Jezus op de berg. Jezus ontmoet daar Mozes en Elia en hij is doorstraald van een hemels licht. Petrus, een van de drie leerlingen die meegekomen is, zegt dan. ‘Laten we hier blijven en tenten opslaan.’ Maar dan wijst God hem terecht. Wat Petrus ziet zijn slechts voortekenen van wat komen gaat. Zijn taak ligt op aarde. Hij moet, hup, de berg af, aan het werk.

Als ik omhoog kijk, zie ik allereerst de gekruisigde. Jezus heeft zich niet afgekeerd van het lijden. Hij is er dwars doorheen gegaan.”

Veel mensen zoeken God buiten Jezus om. Kan dat ook in jouw geloofsbeleving?

“Tot op zekere hoogte denk ik dat het wel kan. God spreekt mensen ook in andere religies en culturen aan. Maar Jezus is toch uiteindelijk degene die ons vrijpleit. Is dat theologentaal? Laat ik het dan anders zeggen. Je kent vast die beroemde afbeelding van Michelangelo in de Sixtijnse kapel, waarop God en Adam naar elkaar reiken. Wat mij daarin opvalt, is dat God zich tot het uiterste inspant om Adam te bereiken. Je ziet God zijn arm uitstrekken. Je ziet de spieren en gestrekte vinger. En Adam? Die ligt daar zo’n beetje lafjes achterover. Ze raken elkaar net niet, terwijl Adam maar even zijn vinger hoeft op te tillen. Als mens kun je je daarin wel herkennen. We neigen er soms toe om onze taak in het leven te verzaken. Of we zijn zo met onszelf bezig, met onze dingen, dat we vergeten dat het ruimere perspectief van God zo dichtbij is. De bijbel noemt Jezus de tweede Adam. Hij brengt ons uiteindelijk met die ruimte van God in contact.

Het bijzondere aan Jezus is dat hij is opgestaan uit de dood. Hij laat zien dat het goddelijke eeuwig is en dat wij daaraan kunnen deelnemen. Ik voel me vaak als de discipelen van Jezus. Na zijn dood probeerden zij de draad van hun oude leven weer op te pakken. Hun ervaringen met Jezus leek een episode uit hun leven die voorbij was. Maar dan blijkt zijn dood helemaal niet het einde. Zo merk ik iedere keer dat God mij wil ontmoeten op mijn levensweg. Net als bij de Emmaüsgangers blijkt hij het te zijn die naast mij loopt. Ik ervaar Jezus’ geest. Hij is er. Hij leeft.”

Marije Vermaas is stafmedewerker bij Reliëf, christelijke vereniging van zorgaanbieders. Ze schreef onder andere de boeken Dank, Inspiratieboek (Boekencentrum, 2014) en Beschuit zonder muisjes, Als je lang moet wachten op een baby (Boekencentrum, 2012).

 

Zie ook andere interviews in de serie Jonge Denkers.

Bron: Volzin

Theo van de Kerkhof web » Lees ook andere artikelen van Theo van de Kerkhof

 

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*