Home » Essay » Seks als ‘wederzijdse zelfschenking’

Seks als ‘wederzijdse zelfschenking’

Het seksueel misbruik in de kerk, waarover in Rome vorige week een bijzondere bisschoppensynode plaatsvond, noodzaakt niet alleen tot concrete maatregelen, maar roept ook de vraag op naar een fundamentele herbezinning op seksualiteit in een christelijk perspectief. Dat deze herbezinning al daadwerkelijk gaande is, bewijst de recente inspiratiedag in het Dominicanenklooster Zwolle onder de titel ‘Liefde, lijf en kerk: een mislukte drie-eenheid’. Theoloog Erik Borgman legt uit waarom de kerk over liefde en lichaam moet blijven spreken – en wat ze dan te zeggen heeft.

Door Erik Borgman

Hun boek is al wat ouder, maar de titel is nog onverminderd raak. In 1990 verscheen van de hand van de Duitse socioloog Ulrich Beck (1944-2015) en zijn vrouw Elisabeth Beck-Kernheim, Das ganz normale Chaos der Liebe, de volkomen normale chaos van de liefde. ‘Liefde’ duidt vandaag de dag op een unieke combinatie van kameraadschap, erotische aantrekkingskracht en seksuele vervulling, zo stellen de auteurs, die wordt geacht mensen emotioneel te laten ontsnappen aan de grauwheid van het bestaan.

Zoals vroeger volgens Beck de religie dat deed, zo stelt nu de liefde alles in een ander licht. Meer nog, het vermogen om de beleving van de wereld te transformeren, dat is volgens Beck in onze cultuur de specifieke functie van de liefde geworden. De liefde ontlast mensen korte tijd van de ondraaglijke plicht voortdurend mondige, zelfstandig kiezende individuen te zijn die bekwaam laverend tussen alle bedreigingen succesvol hun eigen leven weten op te bouwen. Zo krijgt het onmogelijke een schijn van mogelijkheid.

Theologisch gesproken stelt het echtpaar Beck vast dat liefde en seksualiteit onze afgod zijn. Afgoden creëer je door aan iets dat niet goddelijk is een goddelijke status toe te kennen. Dat loopt er altijd op uit dat mensen zich onderwerpen aan wat hen tot ongekende hoogten pretendeert op te tillen, en ze met hernieuwde kracht worden teruggedrukt in de modder waaraan zij wilden ontstijgen. Wat in de jaren zestig van de vorige eeuw werd verkondigd als seksuele bevrijding, lijkt inderdaad een nieuwe vorm van knechting geworden. ‘Gij zult extatisch genieten’ blijkt als gebod zeker zo meedogenloos als de waarschuwing dat genot het zicht niet mocht blokkeren op het doel van de seks, het voorbrengen van kinderen.

Mislukte drie-eenheid

In katholiek Nederland was het verlangen los te komen van een al te rigide seksuele moraal al ruim voor het Tweede Vaticaans Concilie een breekijzer voor degenen die meenden dat een ingrijpende hervorming van de kerk nodig was. Dat liefde, lijf en kerk een mislukte drie-eenheid vormden weten we dus al enige tijd. Maar dat je je in gemoede kunt afvragen of liefde, lijf en hedendaagse cultuur dan wel een gelukte triniteit vormen is een stuk minder duidelijk.

Toch is dat mijn uitgangspunt bij wat volgt. Ik zal niet pleiten voor een nieuwe preutsheid – al snap ik oprecht niet hoe het toch komt dat roken en drinken steeds meer uit beeld moeten blijven, en dat niet zonder meer naaktheid, maar over-geseksualiseerd naakt steeds meer ons blikveld vult. Ik zal ook de knechtende kanten van de seksuele moraal van de kerk niet bagatelliseren. Mijn eigen ouders excommuniceerden zichzelf – letterlijk, zij gingen niet te communie – toen zij er door middel van anticonceptie voor zorgden dat er na mijn anderhalf jaar jongere broer en mij acht jaar lang geen kinderen meer geboren werden. Toen mijn moeder tientallen jaren laten vertelde hoe moeilijk zij mijn vraag had gevonden, nadat ik mijn eerste communie had gedaan, waarom zij dan niet communiceerden, was haar pijn nog steeds te voelen.

Ik begrijp daarom heel goed de bevrijding die de uitspraak van bisschop Bekkers betekende voor mijn ouders, en voor veel anderen van hun generatie katholieken, toen hij zei – en het is de moeite waard nu even letterlijk te citeren uit zijn toespraak tijdens befaamde Brandpuntuitzending van 21 maart 1963: vanuit de menselijke beleving van het huwelijk, dus uit de liefde en de verantwoordelijkheid voor elkaar, voor de vruchtbaarheid en het reeds gevormde gezin, kunnen de gehuwden – en ook zij alleen – de vraag beantwoorden wat Gods roeping en levensopdracht voor hen concreet betekenen, om welke grootte van hun gezin die vraagt en hoe de opeenvolging van de kinderen moet zijn. (…). Dit is hun gewetenszaak, waarin niemand treden mag.

Dit werd direct al, en later nog veel meer, vooral verstaan als ‘daar ga ik dus zelf over, daar heeft de kerk niets mee te maken’, dat is privé. Maar de privésfeer als iets waar niemand anders mee te maken zou hebben en waar geen andere wetten gelden als die van mijn eigen voorkeur is een liberaal, geen christelijk idee. Bekkers bedoelde dat niet alleen het bestieren, maar ook de vormgeving en de samenstelling van het gezin de verantwoordelijkheid was van de ouders als volwaardige leden van de kerk als het volk van God en als mededragers van haar zending. Als het dan niet gaat om een setje geboden en verboden, dan vragen seksualiteit en voortplanting om een samenhangende christelijke visie. Ik denk dat het probleem is dat deze nooit echt ontwikkeld is, ook al heeft mijn leermeester en dominicaan Edward Schillebeeckx in de jaren zestig een nog altijd belangwekkende aanzet gegeven.

Zelfschenking

Wat Bekkers zei lag in lijn van de wijze waarop tijdens het Tweede Vaticaans Concilie op een voor de katholieke traditie vernieuwende manier gesproken werd over huwelijk en seksualiteit. De gehuwden dienen open te zijn voor het ontvangen van kinderen, heet het in de pastorale constitutie over de kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et Spes die eind 1965 werd afgekondigd, maar over de samenstelling van het gezin moeten de echtgenoten ten overstaan van God zelf in geweten beslissen – zij het, zo wordt daar nadrukkelijk aan toegevoegd, niet naar willekeur (no. 50). In het kader van deze lezing gaat het er mij vooral om dat dit leidde tot een opmerkelijk eerherstel van wat in het altijd wat omfloerste kerkelijke jargon ‘de eigenlijke huwelijksdaad’ heet – seks dus. De eigenlijke huwelijksdaad brengt, aldus Gaudium et Spes, ‘de wederzijdse liefde op een geëigende manier tot voltooide zelfexpressie’. De tekst gaat verder met: De daden… waardoor de echtgenoten in kuise intimiteit één worden betekenen en realiseren, mits menswaardig voltrokken, de wederzijdse zelfschenking waardoor de echtgenoten elkaar in gevend en ontvangend geluk verrijken (no. 49).

Ik snap wel dat u hier in deze formulering niet meteen opgewonden van raakt, maar wat hier staat is zeer opmerkelijk. Er staat: goed vrijen is een concrete en belichaamde uitdrukking van een goede relatie, van het spel van geven en nemen, van de wederzijdse verrijking die er het hart van uitmaakt. Door te vrijen lever je je aan elkaar over, maak je je afhankelijk van de ander en probeer je de ander te geven wat zij of hij verlangt.

Dat is ook de betekenis van het op het eerste gehoor wat oubollige woord ‘kuis’ in dit verband. Kuis betekent niet dat je afziet van een al te grote hartstocht, of dat je onder de dekens vrijt en het licht uitlaat. Het betekent dat je de ander niet gebruikt ten dienste van je eigen doelen, in dit geval je eigen seksuele bevrediging. Wij zijn geen middelen voor elkaars orgasme: als we van daaruit kijken naar hoe seksualiteit in onze cultuur verschijnt, op alle niveaus, dan is er wel het nodige te doen.

De Engelse sociaal-theoreticus Zygmund Bauman maakt duidelijk dat het beeld dat een samenleving heeft van de liefde direct samenhangt met de wijze waarop socialiteit en gemeenschap gedacht worden en vorm krijgen. Als de eigen beleving centraal staat, verschijnt elke vorm van verbondenheid haast vanzelf als middel om beleving op te wekken en dan verschijnt verbondenheid als zinvol zolang ze inderdaad deze beleving opwekt.

De cabaretier Youp van ’t Hek heeft ooit eens, als reactie op Willem Eijk die toen net bisschop van Groningen was geworden en die het als een dreigend gevaar signaleerde, snerend gezegd dat seks per definitie wederzijdse zelfbevrediging is. Wat zou het anders zijn?! Van ’t Hek heeft in zijn onbegrip ongetwijfeld onze hedendaagse cultuur en alles wat voor haar vanzelfsprekend is aan zijn zijde, maar precies dit ontkent de christelijke traditie.

Seks is geen wederzijdse zelfbevrediging, seks is wederzijdse overgave, je letterlijk blootgeven aan elkaar in het vertrouwen dat de ander je niet zal misbruiken of gebruiken, maar je zal eren en respecteren. Het is niet voor niets zo geregeld dat niets zo opwindend is als de seksuele opwinding van de ander – dat ook de porno-industrie hier op een geraffineerde manier gebruik van maakt, doet hier niets aan af. Je zou Willem Eijk dus bijna een compliment geven, ware het niet dat hij in 1999 gezegd heeft dat homoseks niet anders is dan wederzijdse zelfbevrediging. Per definitie. Hopelijk overbodig om te zeggen, maar voor de zekerheid toch maar: er is heel onkuise heteroseks en er is heel kuise homoseks.

Polarisatie

Zoals meer openingen van het Tweede Vaticaans Concilie raakte ook het zicht op een nieuwe visie op seksualiteit in de periode van polarisatie die erop volgde buiten beeld. Ik denk echter dat het nog altijd zin heeft als de gedachte zou worden uitgepakt en uitgewerkt dat liefde in christelijke zin de geliefden tot een vrije en wederzijdse zelfgave brengt, waarvan de tederheid die zij voelen en uitdrukken getuigenis aflegt en… de ziel (is) van heel het leven der gehuwden; bovendien groeit zij in volkomenheid in en door haar edelmoedige praktijk. Zij overstijgt derhalve aanzienlijk de louter erotische neiging die bij egoïstische koestering jammerlijk snel uitdooft (no. 49).

Waarachtige liefde in christelijke zin is gebaseerd op het verlangen niet allereerst om te krijgen, maar om te geven. Het draait er niet om zelf gelukkig te worden, maar om het gelukkig maken van de ander en daardoor zelf gelukkig worden in de gemeenschap die je langs deze weg mede opbouwt. Liefde in deze zin is geen noodzakelijk afvlakkende emotie – het moderne misverstand bij uitstek – maar een praktische omgangsvorm waar je steeds beter in kunt worden door te oefenen. Het staat haaks op de raad ‘voor jezelf te kiezen’ die wij onszelf en elkaar geregeld geven, en op het advies je niet door de liefde te laten meeslepen, maar verstandig te zijn en er rekening mee te houden dat een relatie mis kan lopen.

Ik denk inderdaad dat het menselijk verlangen naar zelfverlies niet een paradoxaal grensgeval is, maar een uitdrukking van het feit dat wij beeld van God zijn. Een God die, zoals de christelijke traditie getuigt, zichzelf uit liefde zonder reserve weggeeft en in deze nederigheid zijn verhevenheid toont.

Ik zal niet suggereren dat ik van al deze noties een uitwerking kan presenteren. Het probleem is, zoals al aangeduid, dat de noties die het concilie in dit verband naar voren bracht blijkbaar zo eigenzinnig waren dat hun eigen merites niet gezien werd – niet gezien kon worden, moet je misschien wel zeggen. De concilieteksten werden niet alleen in dit geval, maar ook in dit geval, waar het ging om seksualiteit en het huwelijk, allereest gelezen als opening naar de moderne, de eigentijdse cultuur en de daar heersende visie. Sommigen vonden dat een goede zaak, anderen zagen het vooral als een bedreiging van het geloof.

Humanae vita

Met de publicatie van Humanae vita op 25 juli 1968 zette het centrale leergezag van de rooms-katholieke kerk een nieuwe toon. Het keerde zich militant tegen de loskoppeling van seksualiteit en voortplanting en maakte de onverbrekelijke verbondenheid van beide in elke afzonderlijke huwelijksdaad tot maatstaf van zijn morele gehalte.

Vorig jaar werd het vijftigjarig jubileum herdacht van deze encycliek en sommigen prezen de vooruitziende blik van de schrijvers ervan, waaronder Karol Wojtyla, de toenmalige kardinaal-aartsbisschop van Krakau en de latere paus Johannes Paulus II. Zij zouden de voortgaande loskoppeling van seksualiteit en vruchtbaarheid hebben voorzien zoals deze in de volgende decennia vorm zou krijgen die zou leiden tot een promiscue en over-geseksualiseerde cultuur.

Ik zou echter veeleer zeggen dat zij niet alleen hebben nagelaten een geloofwaardig gelovig alternatief te bieden voor een liberale visie dat keuzevrijheid en het ervaren van welbevinden het ultieme doel zou zijn van het menselijke leven, maar dat zij bovendien het ontwikkelen van een dergelijke visie op het gebied van voortplanting en seksualiteit sterk hebben bemoeilijkt. De stijl van de Bergrede – de inzet op een grotere gerechtigheid dan de heersende (vgl. Mt. 5,20) – werd ingeruild voor de stijl van de culture wars.

Hierin ligt de fundamentele breuk dat het pontificaat van paus Franciscus met dat van zijn voorgangers betekent. Franciscus keerde terug van de retoriek van de strijd naar de retoriek van het herstel: denk aan zijn fameuze beeld van de kerk als veldhospitaal net na een slag.

In Amoris Laetitia, het geruchtmakende document van paus Franciscus over huwelijk en gezin uit 2016, verklaart de paus dat het de taak is van de kerk mensen juist ook op de terreinen van liefde en seksualiteit weer vertrouwen en hoop (te) geven, als het licht van een vuurtoren van een haven of van een fakkel die te midden van de mensen wordt gedragen om hen te verlichten die de koers zijn kwijtgeraakt of zich in stormachtig weer bevinden. Dit is de toon van het hele document: de wil om voor mensen ervaarbaar te maken dat waar ze ook zijn en onder welke omstandigheden zij ook verkeren, God ze niet verlaat en te allen tijde actief hun heil voor ogen heeft.

Elk teken van liefde

God heeft ons heil voor ogen, ook als wij seksuele relaties aangaan die buiten de kaders vallen die de kerk hiervoor aanhoudt. Dat blijkt in de aard van de seksuele relatie zelf. Ook Amoris Laetitia wordt vaak gelezen vanuit de vraag in hoeverre de kerk erin tegemoet komt aan de heersende cultuur die echtscheiding en het vervolgens aangaan van nieuwe relaties accepteert als een gegeven een verworvenheid. Wie de vraag stelt of de kerk nu ook in deze richting opschuift, kan alleen antwoorden ‘teveel’, of ‘niet genoeg’.

En zo zijn de reacties op Amoris Laetitia dan ook: leidt echtscheiding en een nieuw huwelijk nu wel of niet tot excommunicatie? Maar het echt revolutionaire van Amoris Laetitia is dat alles wat goed is in een liefdesrelaties wordt gezien als reële deelname aan wat de kerk vanouds in het huwelijk ziet: de afspiegeling in de liefde van twee mensen van de liefde van Christus voor zijn kerk. Het is de taak van de kerk, stelt het document, om te trachten ‘elk teken van liefde te bevorderen dat op enige manier de liefde van God weerspiegelt’ (no. 294). Ook als ze buiten een klassiek huwelijk vallen.

Hierbij lijkt Amoris Laetitia allereerst te denken aan de zorg voor kinderen, ook als het in biologische zin niet om eigen kinderen gaat, en de trouw van partners aan elkaar onder moeilijke omstandigheden, ook waar zij niet of niet kerkelijk gehuwd zijn. Ik zou het echter naar de seksualiteit zelf willen uitbreiden en die seksualiteit nadrukkelijk goed willen noemen en een afspiegeling van de liefde van God, waar partners in hun seksuele leven de wederzijdse zelfschenking betekenen en uitrukken waardoor mensen elkaar in gevend en ontvangend geluk verrijken. In welke context het verder ook plaatsvindt. Niet alle seks is in zichzelf goed – laten we die dwaling van de jaren zestig van de vorige eeuw toch alsjeblieft nooit meer herhalen – maar seks kan in zichzelf goed zijn, namelijk wanneer het een uitdrukking is van wat mensen voor elkaar geroepen zijn te belichamen.

In de brief van de apostel Paulus aan de Efesiërs worden vrouwen aangespoord zich te schikken naar hun man als naar de Heer, omdat de man het hoofd is van de vrouw, zoals Christus het hoofd is van de kerk. Mannen worden aangespoord hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam (Ef. 5,22 en 28). Het Tweede Vaticaans Concilie heeft geprobeerd het patriarchale addertje onder het gras van deze tekst uit te schakelen door de tekst te parafraseren als een aansporing aan echtgenoten zich aan elkaar weg te schenken, zoals Christus zijn kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft overgeleverd (no. 49). Zo gelezen maakt Paulus duidelijk dat de omgang met ons lichaam en met elkaars lichaam onderdeel is van onze opdracht de agapè, de liefde waarmee mensen het goede gegund wordt, zichtbaar te maken als de grondslag van ons leven in al zijn aspecten. Ook in het erotische aspect.

Edward Schillebeeckx heeft al in de jaren zestig van de vorige eeuw voorgesteld om niet de huwelijkssluiting maar het huwelijksleven als door en door menselijke werkelijkheid te zien als sacramenteel, dat wil zeggen als teken en instrument van Gods heilzame nabijheid. Hij is er hierbij overigens van overtuigd in het spoor te gaan van Thomas van Aquino, die het huwelijk omschreef als ‘een levensassociatie van man en vrouw, die gericht is op geslachtsgemeenschap en alles wat daarbij hoort’, dat wil zeggen de wederzijdse genegenheid en de vruchtbaarheid.

De vraag is dan niet of seks al dan niet geoorloofd is, en onder welke voorwaarden, maar of seks in zijn concrete vormgeving getuigt van de goddelijke agapè waaraan wij ons bestaan danken en die ons mede via de onderlinge menselijke agapè door het leven draagt. De in christelijke zin religieuze betekenis van onze seksualiteit wordt niet zichtbaar in de seksuele roes, maar wanneer wij tot in al onze zintuigen voelen dat we geliefd zijn, geroepen om op onze beurt lief te hebben. En dat er niets beters en niets vervullenders denkbaar is dan dat.

Print Friendly, PDF & Email

2 reacties

  1. Marc van der Post

    Erg mooi artikel.

  2. De realiteit idealistisch beschouwd, klopt bovenstaande natuurlijk, maar ….
    De wereld is niet volmaakt en wij mensen zijn dat evenmin. En dan is de vraag:
    wat heeft de Kerk de ongewild beperkte mens, de eenzame, zieke, gebroken mens (in morele, spirituele maar ook praktische zin) over (zijn/haar lhbti aard én) seksualiteit te melden als ie er wel volledige voor uitgerust is, maar psychische, fysieke en of economische tekorten hem/haar beletten c.q. het onmogelijk of onwenselijk maken om een zichzelf wegschenkende, intieme, duurzame relatie aan te gaan met een medemens? Wat bijv. te denken van eenvoudige mensen die vruchtbaarheid verwachten, maar geconfronteerd worden met onvruchtbaarheid van de partner en voorhuwelijks zwijgen daarover? (In veel culturen rust bovendien een vloek op kinderloosheid en de kinderloze m/v; hun situatie wordt daar geduid als een straf van de god voor een slechte inborst of slecht gedrag. De cultuur/maatschappij houdt ook op geen enkele rekening met hen! Wat betekent vrijheid in die context?) U weet waarschijnlijk ook – onlangs kwamen deskundigen er nog mee in het nieuws – dat mensen die niet of onvoldoende aangeraakt worden, niet alleen psychisch verkommeren, maar er ook fysiek aan onderdoor gaan, ja sterven! (marasme heet dat ziektebeeld) Wat is voor hen de concrete blijde boodschap van Jezus Christus? Wat heeft de Kerk hen te bieden aan voorbeeld, solidariteit, wijsheid? Wat betekent voor hen concreet dat Christus de Weg is?

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*