Home » Cultuur » Vorm en inhoud

Vorm en inhoud

Kunstkenners, maar ook voorgangers in de liturgie, zij lopen het gevaar te willen uitleggen wat het kunstwerk of ritueel nu eigenlijk betekenen. Maar er is geen ‘eigenlijke’ betekenis, betoogt Eric Corsius. De vorm is de inhoud. “Een symfonie van Haydn, een schilderij van Vermeer of een gedicht van Kemp zijn geen fraai ingepakte geschenken. Ze zijn het geschenk zelf.”

Door Eric Corsius

Of we nu zielzorger zijn of denker, leerkracht of kunstenaar: we moeten minder gaan uitleggen en meer gaan verleiden. We moeten meer inzetten op de aantrekkelijkheid van datgene wat we willen overbrengen en minder op het begrijpen en doorgronden ervan. Ik bedoel iets anders dan het afzweren van het verstand ten gunste van het gevoel – zoals een gemakzuchtige trend wil. Het gaat om iets veeleisenders:  het afleren van de dodelijke tegenstelling tussen inhoud en vorm, binnenkant en buitenkant, kern en buitenlaag. Sterker nog: het gaat om de erkenning dat er buiten die zogenaamde vorm of buitenkant niets anders bestaat dat onze aandacht verdient.

Eigenlijk

Laat ik concreet zijn en de hand in eigen boezem steken. In de prediking of de liturgie gaan wij zielzorgers ervan uit, dat het ‘wezenlijke’ ergens diep verstopt zit in de bijbel of in symbolen en rituelen. En we zien het dan als onze taak – en niet zelden ook als ons privilege of monopolie – om dat ‘wezenlijke’ los te peuteren uit de oude ‘vormen’ en het zodoende ‘duidelijk’ te maken. ‘De mensen’ snappen het immers allemaal niet meer. Door achterhaalde vormen ontgaat hun de inhoud. Gelukkig weten wij zielzorgers wel waarin de kern bestaat. Dus beginnen wij al die ouderwetse lagen af te pellen. We leggen aan de mensen geduldig uit wat er ‘eigenlijk’ met een verhaal of een ritueel is ‘bedoeld’. Om dat ‘duidelijk’ te maken gaan we liefst nog aan de tekst of de symboolhandeling sleutelen, zodat die eindelijk uitdrukt wat er ‘eigenlijk wordt bedoeld’.

Het resultaat is vaak tenenkrommend. De liturgische voorganger laat dingen weg of verzint zelf nieuwe dingen. Er worden bijbels in gewone taal of omgangstaal geschreven, door mensen die beter menen te weten wat de tekst bedoelt dan die tekst zelf. Of er worden gewoon hele stukken geschrapt of nooit gebruikt. Hiermee wordt niet alleen het ritueel geweld aangedaan of de tekst verkracht. Het is ook nog eens bevoogdend. In plaats van ‘de mensen’ te helpen om een toegang te vinden tot liturgie en bijbel, bepalen wij voor hen wat ze mogen zien en horen en schotelen wij hun voorgekauwd voedsel voor (En dan hebben we het nog niet eens over de wansmakelijke vertoning dat we tot alles bereid zijn om de ‘inhoud’ te redden en daarvoor onze toevlucht nemen tot ‘vormen’ die gewoon kitsch zijn.)

Geen kern

Behalve pijnlijk is het allemaal ook gewoon vergeefs. We zijn immers bezig met het afpellen van een ui: laag na laag. Tot er niets over blijft. Want er is helemaal geen ‘kern’. Er is alleen de buitenkant, die voor zichzelf spreekt, waar niets ‘achter’ of ‘onder’ moet worden gezocht, maar die we geduldig moeten aftasten. De tekst of het ritueel zijn niet voor niet precies zo geformuleerd en georganiseerd zoals ze zijn. Dit betekent dat we niet dichter bij de ‘inhoud’ komen, als we sleutelen aan de ‘vorm’, maar dat we gewoon de ene vorm vervangen door andere – en dus iets nieuws scheppen, meestal iets slechters trouwens. Misschien ligt het niet aan de teksten en rituelen, dat ze niet meer tot ons spreken, maar gewoon aan onszelf en aan de afstomping van onze zintuiglijkheid ofwel ons ‘esthetisch’ vermogen .

In de kunst is deze problematiek al sedert lang een punt van discussie. Ruim vijftig jaar leden wees de Amerikaanse geleerde en schrijver Susan Sontag (1933-2004) in haar  bundel Tegen interpretatie  al op het fatale onderscheid tussen ‘inhoud’ en ‘vorm’. Die leidde er volgens haar toe dat de kunst wordt aangerand door het intellect, dat de ‘inhoud’ achter de ‘vorm’ wil blootleggen. Bij kunst gaat het erom, wat er te zien, te horen, te voelen valt aan de zogenaamde buitenkant, de vorm, de stijl. Het is vooral de huid die de geheimen van de schoonheid bevat. Een kunstwerk is wat het is en zegt wat het zegt – en is geen raadsel dat ons wordt opgegeven of een doos die moet worden uitgepakt. Een symfonie van Haydn, een schilderij van Vermeer of een gedicht van Kemp zijn geen fraai ingepakte geschenken. Ze zijn het geschenk zelf.

Buitenkant

Het ‘uitpakken’ of ‘uitleggen’ is de makkelijkste weg. De moeilijke weg – bij kunst, maar mijns inziens ook bij bijbellezen en eredienst – bestaat erin om met toeleg stil te staan bij de buitenkant, die boekdelen spreekt. Toch hebben we geen keus. We moeten onze tastzin in de brede zin van het woord weer tot leven wekken en verfijnen. Voorgangers en predikanten moeten hierin voorop gaan.

Wat we nodig hebben is, zegt Sontag, erotiek in plaats van hermeneutiek. Wat mij betreft ook in de omgang met bijbel en eredienst.

Print Friendly, PDF & Email

2 reacties

  1. Peter J.I. Flaton

    ‘Een gedicht van Kemp is geen fraai ingepakt geschenk. Het is het geschenk zelf’ (om u lichtjes gewijzigd te citeren). Daarmee suggereert u minstens, dat het voor zichzelf spreekt en dus geen toelichting behoeft. Was het maar zo simpel of met Cruijff: ‘Je gaat het pas zien, als je het doorhebt’ en daarom helpt het, als er een leraar is die je op weg helpt. Neem de openingsregels van het gedicht ‘Glimlachen’ van Kemp: “Vandaag wil ik licht glimlachen / voor wie geglimlacht licht wil zien”. Oog voor het subtiele spel dat de dichter hier speelt, heeft de lezer alleen, als hij ziet dat het woord ‘licht’ hier zowel een bijwoord als een lijdend voorwerp is en dat ‘glimlachen’ zowel intransitief als transitief kan zijn (waarbij het vervolg tot de tweede lezing ‘dwingt’). Ik zie nog de verbaasde gezichten van ‘mijn’ leerlingen voor me, als ik hen op die ambiguïteit attendeerde: er ging hun een licht op. Het aantal voorbeelden is ‘ad libitum’ uit te breiden en ja, hier schrijft een oud-leraar letterkunde met zo’n veertig onderwijsjaren achter zich. Het minste wat ik van een homilie mag verwachten, is dat die me op wat ik gemakzuchtig in de Schriftlezing over het hoofd zie, attent maakt of naar Nijhoff: ‘Luister maar, er staat niet wat er staat’. Dat de buitenkant boekdelen spreekt, blijkt vaak pas als men het boek openlegt, zoals de verrezen Heer dat zijn leerlingen en dus ons laat zien op de weg naar Emmaüs.

  2. Frans E.M. Verhaar pr.

    Maar 1500 tekens, … nou vooruit dan maar, ofschoon dat onredelijk is: 1500 tekens zijn ca. 200 woorden.
    Waarmee dhr. Corsius in zijn oordeel geen rekening houdt, is het feit dat élke vormgeving van wat dan ook, (dus ook van kunst, liturgie en bijbellezen) mede een functie is van de cultuur. Dat kun je negeren en dan heb je tot heel veel geen toegang. Behalve het verwijt van privilege, bevoogding, gemakzucht als sfeer tekenend in het artikel, is er inhoudelijk geen keus: iedereen is een kind van zijn tijd met verlangens die mede door die cultuur worden geschapen en ten dele bepaald. De westerse cultuur heeft andere prerogatieven voor het brengen van de bijbelse boodschap dan bv. in India, Indonesië, Latijns Amerika of China. Als dhr. Corsius vasthoudt aan wat hij vindt (en bovendien Susan Sontag [mirabele dictu] beschouwt als een profetes van mondiale betekenis) dan wens ik hem veel sterkte in zijn pastorale praktijk en bid ik voor hen die aan zijn pastorale zorgen dienaangaande zijn toevertrouwd. Een flink aantal staat in de kou. Hie dan ook, sans rancune, maar toch.
    Met een hartelijke groet van Frans E.M. Verhaar pr. – 3.5.2018.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*