Home » Metafysica » Waarom bestaat God?

Waarom bestaat God?

Als Emanuel Rutten één vraag aan God zou mogen stellen dan zou dat deze zijn: “God, weet U waarom U bestaat? Kent U de ultieme reden en laatste grond voor uw eigen bestaan?” Dát God bestaat, daarvoor zijn redelijke argumenten aan te voeren. Maar  waarom God bestaat, blijft voor ons mensen principieel onbeantwoordbaar. Dat neemt niet weg dat het redelijk is om te denken dat er laatste waarheden zijn, die wij weliswaar niet kennen, maar die het eigenlijke eerste beginsel van alles vormen, zelfs van God.

Door Emanuel Rutten

In een dansclub in Amsterdam zag ik ooit iemand die zich op de dansvloer ineens omdraaide en tegen een vrouw waarmee hij aan het begin van de avond kort gesproken had, onverschrokken zei: “Lief, je zoekt glamour, maar ik kan jou de kosmos, het leven zelf, schenken. Ik geef je God en zelfs wat daar nog aan voorafgaat.” Hier toonde de mens zich als een radicaal transgressief wezen dat de grenzen van de vanzelfsprekende alledaagse orde en regelmaat wil overschrijden om te reiken tot aan het onmogelijke. Hier toonde zich een wil tot macht waarbij zelfs die van Nietzsche verbleekt. Sindsdien bleef dit zinsdeel vaak door mijn hoofd spelen: zelfs wat daar nog aan voorafgaat... Wat gaat er aan het bestaan van God vooraf? Waarom bestaat God? In wat volgt ga ik nader op deze ultieme vraag in.

Zintuigelijke ervaring

De filosofie kent een lange traditie van het redelijk argumenteren voor het bestaan van God. Veel van deze godsargumenten zijn a posteriori. Ze maken gebruik van een of meerdere premissen die geheel of gedeeltelijk aan de zintuiglijke ervaring zijn ontleend. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de premisse dat het universum een eindige tijdsduur geleden is ontstaan en dus een begin heeft gehad. Een ander voorbeeld is de premisse dat er geen universum geschikt voor leven zou zijn ontstaan indien een van de natuurconstanten of begincondities van het universum een net iets andere waarde gehad zouden hebben. Ook deze premisse is mede gebaseerd op empirische waarnemingen.

Wat leert een succesvol a posteriori godsargument ons eigenlijk? Een dergelijk argument vertrekt zoals gezegd deels vanuit een zintuiglijk vastgesteld feit over de wereld om het bestaan van God af te leiden. Wanneer bijvoorbeeld Gods bestaan succesvol wordt afgeleid uit de empirische premisse dat de kosmos een begin heeft gehad dan mogen we in elk geval concluderen dat God bestaat. We hebben het bestaan van God immers stap voor stap afgeleid uit een netjes waargenomen feit over de wereld. Maar had de kosmos niet net zo goed géén begin gehad kunnen hebben als de wereld anders was geweest dan zij feitelijk is? En zo ja, waarom is dat dan niet het geval? Waarom heeft het universum eigenlijk een begin gehad? Het feit dat het universum een begin heeft gehad wordt door het argument niet verklaard. Het argument maakt er slechts gebruik van. Een a posteriori argument voor het bestaan van God leert ons dus niet waarom God bestaat. Vergelijk dit met het horen dat er aan de voordeur wordt geklopt. Dit zintuiglijk vastgestelde feit leert ons dat er iemand aan de voordeur staat. Het leert ons echter niet waarom er iemand aan de voordeur staat.

Zelfevident

De vraag waarom God bestaat kunnen we dus nimmer met a posteriori godsargumenten beantwoorden. Naast a posteriori godsargumenten zijn er echter ook a priori godsargumenten. Een a priori argument voor het bestaan van God maakt geen gebruik van empirische observaties. De conclusie wordt afgeleid vanuit premissen die voor ons denken volstrekt zelfevident oftewel volkomen onbetwijfelbaar zijn. Een succesvol a priori godsargument maakt eveneens duidelijk dat God bestaat. Wat door logisch redeneren uit zelfevidente oftewel onbetwijfelbare inzichten kan worden afgeleid is immers redelijkerwijs waar.

Maakt nu een succesvol a priori godsargument ons niet eveneens duidelijk waarom God bestaat? Het bestaan van God wordt immers afgeleid uit premissen waarvan de waarheid door “het natuurlijke licht van onze rede” direct wordt ingezien. Dergelijke premissen zijn voor het verstand dermate evident en onbetwijfelbaar dat ze onmogelijk niet waar lijken te kunnen zijn en dus wel waar moeten zijn. Ze lijken noodzakelijk waar. Maar dan moet ook de conclusie dat God bestaat noodzakelijk waar zijn. Deze conclusie volgt immers onvermijdelijk uit de premissen. Een succesvol a priori godsargument lijkt zo een antwoord te geven op de vraag waarom God bestaat. Waarom bestaat God? Omdat het onmogelijk is dat God niet bestaat. God bestaat omdat Gods bestaan simpelweg onvermijdelijk is. God bestaat omdat God noodzakelijk bestaat. God kan niet anders dan bestaan. Maar waarom bestaat God noodzakelijk? De reden hiervoor is dat de conclusie dat God bestaat onvermijdelijk volgt uit een aantal zelfevidente, onbetwijfelbare en daarom noodzakelijk ware waarheden. In die waarheden is het waarom van Gods bestaan gelegen. Deze zelfevidente onbetwijfelbare en dus noodzakelijk ware waarheden maken het onvermijdelijk dat God bestaat en vormen dus het eigenlijke eerste beginsel van de werkelijkheid. Of preciezer gezegd: Het eerste beginsel van de werkelijkheid is een collectie absolute of noodzakelijk ware waarheden waartoe in elk geval alle premissen van onze succesvolle a priori godsargumenten behoren.

Een stap te ver

Zijn we er zo? Nee, want wat voor ons verstand volstrekt evident en onbetwijfelbaar is mag dan redelijk gesproken weliswaar waar zijn, maar waarom zou het ook noodzakelijk waar zijn? Dat lijkt een stap te ver. Het is niet vreemd om te denken dat alles wat ons verstand als zelfevident en onbetwijfelbaar inziet ook waar is met betrekking tot de wereld waarin ons verstand ontstaan is en waarop zij hecht betrokken is. Al onze zelfevidente inzichten zijn redelijkerwijs waar voor deze wereld oftewel de wereld zoals zij feitelijk is.[1] Maar dat geeft ons geen enkele garantie dat onze zelfevidente en onbetwijfelbare inzichten ook waar zouden zijn als de wereld onherkenbaar anders was geweest of zelfs helemaal niet bestaan zou hebben. Ons denken is immers niet uit zo’n wereld voortgekomen. Laat staan dat ze geldigheid zou hebben in het geval dat er helemaal geen wereld was geweest. We kunnen dus niet zomaar menen dat onze zelfevidente en onbetwijfelbare inzichten ook in absolute zin oftewel noodzakelijk waar zijn.

Zo zijn volgens sommige filosofen onze zelfevidente en onbetwijfelbare logische wetten (zoals dat iets niet tegelijkertijd waar en onwaar kan zijn of dat iets altijd waar of onwaar is) niets meer of minder dan een beschrijving van de meest algemene structuur van onze wereld oftewel van de wereld zoals deze feitelijk is.[2] Onze logische weten zijn volgens hen dus slechts een weergave van de meest fundamentele structuur van deze wereld. Als de logische wetten beschrijvingen zijn van de meest universele structuur van onze wereld dan vertrekken onze logische wetten dus altijd al vanuit het bestaan van deze wereld met zijn specifieke aard en ordening. Het is dan inderdaad maar zeer de vraag of onze logische wetten noodzakelijk waar zijn, dus ook waar zouden zijn als er helemaal geen wereld was geweest of als de wereld een totaal andere ordening gehad zou hebben. Wie onze logische wetten opvat als slechts een expressie van de meest algemene ordening van onze wereld heeft dus een goede reden om te twijfelen aan de noodzakelijke waarheid van deze wetten. Maar zelfs wanneer we dat niet doen, zelfs wanneer we de logische wetten alleen maar begrijpen als uitdrukkingen van voor ons verstand onvermijdelijke denkregels, missen we voldoende grond om uit te gaan van hun noodzakelijke waarheid. Geen mens kan immers uitsluiten dat er net zo goed een heel andere wereld met andere logische wetten geweest had kunnen zijn. En onze logische wetten zouden niet waar zijn als dat in feite het geval was geweest.

Precies hetzelfde geldt eigenlijk voor al onze zelfevidente en onbetwijfelbare inzichten. Ze mogen dan weliswaar redelijkerwijs waar zijn als claims over onze wereld, maar we missen een goede reden om er vanuit te gaan dat ze ook noodzakelijk waar zijn oftewel waar zijn in alle mogelijke werelden.

Geen wereld

We hebben dus zelfs in het geval van een geslaagd a priori godsargument nog niet de vraag beantwoord waarom God bestaat. Ja, het wordt duidelijk dat God bestaat. Maar dat wordt alleen duidelijk omdat we uitgaan van ons denken in deze wereld en dus van het bestaan van deze wereld met zijn hele specifieke aard en structuur. Maar had er niet net zo goed helemaal geen wereld kunnen zijn? Zo ja, waarom is dat dan niet het geval? En zou in dat geval een in deze wereld succesvol a priori argument voor het bestaan van God nog steeds succesvol zijn? Die vraag kunnen we niet beantwoorden. We weten namelijk niet of onze zelfevidente en onbetwijfelbare inzichten noodzakelijk waar zijn, dus ook waar zouden zijn als er helemaal geen wereld zou zijn. En had er bovendien niet net zo goed een wereld kunnen zijn met een structuur die zo fundamenteel van de onze verschilt dat onze a priori godsargumenten in dat geval helemaal niet succesvol geweest zouden zijn? Zo ja, waarom is dat dan niet het geval?

Kortom, waarom is er eigenlijk überhaupt een wereld en waarom heeft de wereld de structuur die ze feitelijk heeft? Op deze vragen geeft een succesvol a priori godsargument geen antwoord. Maar dan weten we inderdaad alsnog niet waarom God bestaat. Een a priori godsargument laat ons dus netjes zien dat God bestaat maar niet waarom God bestaat. Om die stap te maken zouden we ervan moeten uitgaan dat alles wat voor ons verstand zelfevident en onbetwijfelbaar is noodzakelijk waar is. Alles wat wij als zelfevident en onbetwijfelbaar inzien moet dus niet alleen waar zijn in deze wereld of mogelijke werelden met dezelfde structuur, maar moet ook waar zijn als er helemaal niets was geweest of als de wereld qua structuur radicaal anders was geweest. En daar kunnen we zoals gezegd niet vanuit gaan omdat we niet weten of het in onze wereld ontstane denken ook van toepassing is als er helemaal niets zou zijn of als de wereld een totaal andere structuur zou hebben.

Onbeantwoordbaar

Nu kunnen wij natuurlijk evenmin uitsluiten dat onze zelfevidente en onbetwijfelbare inzichten in feite wel degelijk noodzakelijk waar zijn. Het kan zo zijn dat het natuurlijke licht van onze rede zodanig is dat alles wat voor ons zelfevident en onbetwijfelbaar is tevens in absolute zin waar is. In dat geval geven onze succesvolle a priori godsargumenten wel degelijk antwoord op de vraag waarom God bestaat. Het probleem is echter dat wij nooit zullen weten of dit het geval is. Want er is buiten ons denken voor ons geen methode om het toepassingsbereik ervan te bepalen en zo te achterhalen of onze onbetwijfelbare inzichten in alle andere mogelijke werelden waar zijn – zelfs in de omstandigheid dat er helemaal niets zou zijn. De wellicht enigszins teleurstellende conclusie is dan ook dat de vraag waarom God bestaat in tegenstelling tot de vraag of God bestaat voor ons dus onvermijdelijk onbeantwoordbaar blijft.

Maar is de vraag waarom God bestaat ook principieel onbeantwoordbaar? Is er een ultieme reden voor het bestaan van God? Als ik één vraag aan God zou mogen stellen dan zou dat deze zijn: “God, weet U waarom U bestaat? Kent U de ultieme reden en laatste grond voor uw eigen bestaan?” Het lijkt absurd te veronderstellen dat God als de ultieme eerste oorzaak van alles wat er bestaat het antwoord op deze vraag niet zou weten. In en door en uit God is alles geworden wat er geworden is en zonder God zou er niets geworden zijn. God staat dus aan de grond van de werkelijkheid en overziet alles wat bestaat. Het lijkt dan ook niet goed voorstelbaar dat God de ultieme reden voor zijn eigen bestaan niet zou kennen en zou antwoorden: “Waarom ik besta? Geen idee. Misschien is er helemaal geen reden voor mijn bestaan.” Niet veel minder absurd zou dit antwoord zijn: “Er is geen reden voor mijn bestaan. Ik besta gewoon domweg. Punt uit.” God weet naast dat God bestaat dus redelijkerwijs ook waarom dit zo is.

Ultiem antwoord

Maar dan moet die reden voor Gods bestaan er dus zijn. De vraag waarom God bestaat moet een ultiem antwoord hebben. Zoals gezegd zullen we dit antwoord nooit weten. Maar kunnen we toch iets over de aard van dit antwoord zeggen? De reden van Gods bestaan kan in elk geval niet liggen in een externe oorzaak. God is als de eerste oorzaak van de wereld immers zelf niet veroorzaakt. God kan evenmin zichzelf veroorzaakt hebben. Zelfveroorzaking is namelijk onmogelijk omdat je al moet bestaan om jezelf te kunnen veroorzaken. Ook kan de reden van Gods bestaan niet gelegen zijn in Gods aard of natuur. Gods aard of natuur bestaat immers alleen als God bestaat terwijl de reden voor het bestaan van God niet van Gods bestaan afhankelijk kan zijn. Antwoorden dat het wezen of de essentie van God samenvalt met te bestaan helpt evenmin. Want waarom zou zo’n mysterieuze essentie bestaan? Wat is daar dan de reden voor? En bestaat genoemde essentie eigenlijk wel onafhankelijk van het bestaan van God?

De enige mogelijkheid die redelijkerwijs overblijft is dat God bestaat omdat God noodzakelijk bestaat vanwege een reden die niet is terug te voeren op iets in of van God. Die reden kan dan alleen nog maar zijn dat Gods bestaan wordt geïmpliceerd door een aantal absolute waarheden oftewel waarheden die zo dermate onafwendbaar en onvermijdelijk zijn dat ze in iedere mogelijke wereld waar zijn en ook waar zijn wanneer er helemaal geen wereld zou zijn. Deze waarheden gelden dus noodzakelijk. Ze zijn hoe dan ook onontkoombaar. De dwingend eruit volgende conclusie dat God bestaat is daarmee eveneens onvermijdbaar. Precies dat is dan de ultieme reden waarom God bestaat. Deze ultieme waarheden vormen dus het antwoord op de vraag waarom God bestaat. God zelf kent ze redelijkerwijs. Ze vormen de absolute oorsprong van Gods bestaan. Maar dan zijn deze laatste waarheden het eigenlijke eerste beginsel van de werkelijkheid. Niet God maar zij vormen de ware grond en oorsprong van de wereld.

Maar kunnen we niet alsnog doorvragen naar de reden voor het noodzakelijk waar zijn van deze laatste waarheden? Precies omdat ze het eigenlijke eerste beginsel van de wereld zijn moet de reden voor hun noodzakelijk waar zijn geheel in henzelf liggen. Ze zijn in en voor zichzelf volstrekt zelfevident en daarom onvermijdelijk. Ze kunnen vanuit een absoluut perspectief bezien evident niet anders dan waar zijn. Deze in absolute zin zelfevidente waarheden zijn waar onafhankelijk van welke mogelijke wereld gerealiseerd is en onafhankelijk van of er überhaupt een wereld gerealiseerd is. Daarom zijn ze noodzakelijk waar.[3]

Niet-zijnden

Het zijn bovendien geen zaken die in de werkelijkheid bestaan zoals God en alles wat door God (in)direct is veroorzaakt. De laatste waarheden zijn anders gezegd geen zijnden. Het zijn niet-zijnden. Ze gelden in absolute zin voor alles wat bestaat of mogelijk bestaat. Zelf behoren ze daarentegen niet tot het zijn. De ultieme absolute waarheden zijn gelegen aan gene zijde van het zijn. Ze vormen de uiteindelijke reden en grond voor Gods bestaan en zo voor al het zijnde en het zijn zelf. Kortom, ze betreffen het absolute en een denkbeeldige lijst waarop ze allemaal staan kan aangeduid worden als de absolute metafysica.[4]

Wat is nu precies de relatie tussen het absolute en Gods bestaan? De laatste of absolute waarheden zijn de ultieme reden voor het feit dat God noodzakelijk bestaat. God kan niet anders dan bestaan omdat deze waarheden waar zijn. Nu onderscheidt Aristoteles vier verklaringsmodellen. We kunnen iets verklaren op grond van waarvoor het dient, waaruit het bestaat, wat het tot stand brengt, of waarop het gericht is. Geen van deze vier verklaringsmodellen lijkt van toepassing op de relatie tussen de absolute waarheden als verklaring en God als datgene wat erdoor verklaard wordt. Er lijkt hier sprake van een vijfde verklaringsmodel. We verklaren God vanuit het feit dat Gods bestaan geïmpliceerd wordt door onvermijdelijke in zichzelf evidente waarheden. Ze maken het als het ware waar dat God bestaat. Ze zijn constitutief voor Gods bestaan. Ze dwingen zogezegd God te bestaan. Er is voor God geen ontsnappen aan en dat komt louter en alleen door die laatste waarheden. Gods bestaan wordt erdoor afgedwongen. Ze forceren het bestaan van God zonder vorm-, materie-, werk- of doeloorzaak van Gods bestaan te zijn. We stuiten hier op een vijfde type van oorzakelijkheid. Dit type komen we elders ook wel tegen. Neem een weegschaal met aan beide kanten even zware gewichten. Stel nu eens dat het in zichzelf zelfevident en onvermijdelijk is dat niets zonder reden gebeurt. In dat geval moet de weegschaal wel in evenwicht blijven omdat bij even zware gewichten aan weerskanten er geen enkele reden is voor de weegschaal om naar links of naar rechts door te slaan. In dit geval hebben we dus een absolute waarheid die het als het ware afdwingt dat de weegschaal in evenwicht blijft. Deze waarheid maakt het zogezegd waar dat de weegschaal in evenwicht blijft zonder daarvan de vorm-, materie-, werk- of doeloorzaak te zijn.

De vier oorzakenleer van Aristoteles is dus incompleet. Er is een vijfde type oorzaak. Waarom blijft een symmetrische weegschaal in evenwicht? Los van zwaartekracht werkt hier een logische oorzaak. Het principe dat niets zonder reden gebeurt maakt het evenwicht waar, dwingt het af. Het evenwicht treedt op omdat het op grond van die wet onvermijdelijk is dat het optreedt. De relatie tussen het absolute oftewel het eerste beginsel van de werkelijkheid en God dient analoog hieraan begrepen te worden. Gods bestaan wordt onvermijdelijk geforceerd door een aantal absolute onvermijdelijke waarheden.

Hoe verhouden onze zelfevidente en onbetwijfelbare inzichten zich tot de absolute waarheden van de absolute metafysica? Het antwoord op deze vraag zullen we zoals besproken nooit weten. Nooit zullen we weten of wat voor ons zelfevident en onbetwijfelbaar is ook in zichzelf evident en onvermijdelijk is. De absolute metafysica kan maar hoeft dus zeker niet overeen te komen met de premissen van onze a priori godsargumenten. Hoewel de vraag waarom God bestaat principieel kan worden beantwoord zullen wij als mensen nimmer in staat zijn om het waarom van God te achterhalen.[5]

Het eigenlijke eerste beginsel

In elk geval is het op grond van bovenstaande redelijk om te denken dat er laatste waarheden zijn die zelfs voor God het eigenlijke eerste beginsel vormen. Op deze manier wordt het bestaan van God en daarmee het wereldraadsel maximaal gedesacraliseerd oftewel gedemystificeerd. Het bestaan van God wordt zo immers begrepen als een logisch onvermijdelijk gevolg van een aantal in en voor zichzelf volstrekt evidente absolute waarheden. Het ultieme raadsel van het waarom van God en daarmee van het zijn van de wereld krijgt zo uiteindelijk een nogal voor de hand liggende en in feite zelfs bijna banale oplossing. Er zijn nu eenmaal laatste in zichzelf totaal evidente, onvermijdelijke en daarom noodzakelijke waarheden die Gods bestaan onontkoombaar afdwingen en zo logisch veroorzaken. God bestaat omdat deze in zichzelf evidente en onontwijkbare waarheden dat eenvoudigweg onafwendbaar waarmaken. Niet God maar zij vormen de ultieme absolute oorsprong. Niet God maar zij zijn het eerste beginsel. In het imaginaire geval dat aan God die bovengenoemde ene vraag wordt gesteld, zijn zij het antwoord.

Emanuel Rutten (1973) is wiskundige en filosoof. Hij promoveerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam op het proefschrift Toward a Renewed Case for Theism en is als postdoc-onderzoeker verbonden aan ‘The Abraham Kuyper Centre for Science and Religion’ van de faculteit der Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit. Zijn werkterrein ligt op het vlak van de kennistheorie, metafysica en esthetica.

Verwant onderwerp: interview met Emanuel Rutten: “Alles wijst naar God”

Of lees andere bijdrage van Emanuel Rutten

———————–

Noten

[1] Wie bekend is met mijn wereld-voor-ons kennisleer zal zich misschien afvragen of ik hier niet toch veronderstel dat wij cognitief toegang hebben tot hoe de wereld in en voor zichzelf is. Dit is niet het geval. De overwegingen in dit artikel hebben allen betrekking op hoe de wereld voor ons is. Ook wanneer ik spreek over het absolute, het zijn en God betreft dit dus een spreken binnen de context van de-wereld-voor-ons in plaats van de-wereld-in-zichzelf.

[2] Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan Russell die meent dat logica net zo goed over de wereld gaat als biologie en geologie met als verschil dat de logica zich richt op de meest abstracte universele kenmerken ervan.

[3] Aristoteles maakt gebruik van het onderscheid tussen wat in de orde van het denken voor ons als mensen het eerste gekende is en wat in de orde van het zijn in en voor zichzelf het eerst gekende is. Volgens hem bouwen we onze kennis op door vanuit wat voor ons het eerst gekende is (namelijk dat wat de zintuigen ons leren) langzaam op te schuiven naar wat in en voor zichzelf het eerst gekende is (namelijk het eerste beginsel van de werkelijkheid). De hieraan ten grondslag liggende veronderstelling is dat er los van ons waarheden zijn die vanuit het perspectief van de werkelijkheid zelf gekend worden. Aristoteles begreep dit vanuit de idee dat de werkelijkheid uiteindelijk teruggaat op een goddelijke oorsprong waarvan de essentie denken is. Zeggen dat iets los van de mens vanuit het perspectief van de werkelijkheid zelf in en voor zichzelf gekend wordt komt bij Aristoteles neer op zeggen dat de goddelijke oorsprong oftewel God het weet. In mijn uiteenzetting ga ik niet van deze veronderstelling uit. Zeggen dat een waarheid in en voor zichzelf zelfevident is betekent in mijn betoog slechts dat deze waarheid inherent zo absoluut onvermijdelijk is dat de werkelijkheid hoe dan ook eenvoudigweg niet anders dan zo in elkaar kan zitten.

[4] In Over de zoektocht naar de eerste beginselen bij Aristoteles, Avicenna en ten tijde van ‘de tweede aanvang’ in het Latijnse westen introduceer ik het denkbeeld van de absolute metafysica. Ik betoog dat de duiding van het eerste beginsel van de wereld als een collectie in zichzelf onvermijdelijke waarheden oorspronkelijk alleen bij Heraclitus in beeld komt. Want hij meent dat de wereld wordt geleid door de “logos” als haar eerste beginsel. Wellicht komt de absolute metafysica echter ook bij Plato in beeld. Begrijpt hij zijn hoogste Idee van het Goede immers niet als een in zichzelf onvermijdelijke waarheid? Waarom is er zijn? Omdat het goed is dat er zijn is.

[5] Elke uitspraak over welke waarheden tot de absolute metafysica behoren is en blijft dus puur speculatief. Het is echter niet vreemd te vermoeden dat de meest fundamentele wetten van de logica ertoe behoren, zoals die van de tegenspraakvrijheid. In Het einde van het materialisme, fysicalisme, naturalisme en nog wat “ismen” betoog ik dat er geen universele eigenschappen bestaan. Wellicht valt dit er ook onder. En wellicht geldt hetzelfde voor de these dat iets niet uit niets ontstaat. Logische wetten zijn in elk geval onvoldoende om Gods bestaan te forceren.

 

Print Friendly, PDF & Email

6 reacties

  1. A. van Driel Kluit

    M.i. is de vraag waarom God bestaat onzinnig als je uitgaat van het classical theism. Daarin wordt God niet als een zijnde beschouwd, maar vallen zijn existentie en essentie samen. Om met Thomas van Aquino te spreken: God is ispe esse subsistens. God is de loutere daad van bestaan. En volgens de Pseudo Dionysius is God voorbij al het zijn: Hij is gelegen aan gene zijde van het zijn. De filosofen van het classical theism merken dus de zogenoemde laatste voor zichzelf volstrekt evidente waarheden van Rutten aan als God. En de God van Rutten zouden zij aanmerken als een wezen in de wereld. Dat is wellicht een machtig wezen, maar niet de ware God. M.a.w.: waarom zouden de laatste waarheden die het eerste beginsel vormen niet God zijn?

    • Beste A. van Driel,

      Dank voor uw reactie. In mijn stuk ga ik expliciet in op de claim dat Gods existentie en essentie samenvallen: “Antwoorden dat het wezen of de essentie van God samenvalt met te bestaan helpt evenmin. Want waarom zou zo’n mysterieuze essentie bestaan? Wat is daar dan de reden voor? En bestaat genoemde essentie eigenlijk wel onafhankelijk van het bestaan van God?”

      En eerder ook: “Ook kan de reden van Gods bestaan niet gelegen zijn in Gods aard of natuur. Gods aard of natuur bestaat immers alleen als God bestaat terwijl de reden voor het bestaan van God niet van Gods bestaan afhankelijk kan zijn.”

      Verder zou het een categoriefout zijn om te stellen dat de laatste waarheden God zijn. Want God is een zelfbewust wezen dat in staat is tot willen, denken en handelen. (Propositionele) waarheden zijn dat uiteraard niet. Ze gelden slechts. Het is dan ook onzinnig om te beweren dat God een stel waarheden is. Net zoals het onzinnig zou zijn om te beweren dat een mens een getal is of een stuk gereedschap een driehoek.

      Groet,
      Emanuel

      • A. van Driel Kluit

        Beste Emanuel,

        Bedankt voor je antwoord. Ik ben nog niet overtuigd van je positie, omdat die op gespannen voet lijkt te staan met de argumenten voor God die in de middeleeuwse filosofie zijn ontwikkeld. Die zijn erop gericht om te bewijzen dat er een eerste oorzaak, een ultieme verklaring bestaat. In geloofstaal: de Schepper van hemel en aarde. Als de existentie en essentie van God niet samenvallen, moet er een verklaring hoe deze bij elkaar zijn gebracht. Maar dan is God niet de eerste oorzaak.

        Je positie lijkt ook op gespannen voet te staan met de leer van de creatio ex nihilo: de leer dat alles zijn bestaan aan God dankt. Als er een eerste beginsel is dat boven God staat, dankt dat eerste beginsel zijn bestaan niet aan God. Hoe kan God dan nog Schepper worden genoemd? In de theologie is er daarom vaak voor gekozen die noodzakelijke waarheden in de gedachten van God te plaatsen. Daarmee wordt voorkomen dat de soevereiniteit van God wordt ondergraven.

        Een derde bezwaar tegen je positie is dat daarmee de uniciteit van God wordt ondergraven. Als er een essentie “God” is die losstaat van het bestaan van God, houdt dat in dat er meer wezens kunnen zijn die de essentie “God” hebben. Daarmee wordt de deur opengezet voor het polytheisme. Wat is dan nog het fundamentele verschil tussen God en bijvoorbeeld de Griekse god Zeus?

        Groet,
        Arjen

        • Beste Arjen,

          Als de essentie en existentie van God samenvallen, dan bestaat er dus een essentie ‘bestaan’.
          Dat is nogal een mysterieuze essentie. Waarom bestaat deze essentie überhaupt? En dient deze essentie eigenlijk niet veel meer dan louter ‘bestaan’ te omvatten om werkelijk de essentie van God te zijn? Stenen en stoelen ‘bestaan’ immers ook. Zo komen we dus niet tot een finale oplossing.

          Groet,
          Emanuel

          • Beste Emanuel,

            M.i. moet de wijze waarop God bestaat worden onderscheiden van de wijze waarop dingen als stoelen en stenen of wij als mensen bestaan. Bij dingen is er een onderscheid tussen de essentie en bestaan. De aard van een tafel zegt nog niets over het bestaan ervan. Een tafel kan ook niet bestaan. Dat betekent dat een tafel zijn bestaan aan iets anders dan zichzelf ontleent. Dat kan niet tot in het oneindige doorgaan, want anders zou iets wat niet bestaat zichzelf bestaan kunnen verlenen. Dat is onmogelijk. Uiteindelijk moet er iets zijn waarin er geen onderscheid is tussen essentie en bestaan: puur bestaan zelf. Alleen in God is er geen onderscheid tussen essentie en bestaan.

            Wat “puur bestaan zelf” inhoudt, is inderdaad mysterieus, onbegrijpelijk. M.i. is dat niet bezwaarlijk. Ook als we het hebben over Gods “spreken” of “handelen” lijkt mij dat we niet weten wat we daarmee bedoelen. God handelt en spreekt niet zoals wij, aangezien hij geen lichaam heeft. De wetenschap kan ook niets zeggen over het handelen en spreken van God. Het spreken over God, waaronder zijn bestaan, is m.i. dan ook van een andere categorie dan het spreken over dingen als stenen en stoelen. Het is eerder poëtisch en metaforisch dan beschrijvend. God is m.i. in de kern onbegrijpelijk, een mysterie

  2. Misschien is de belangrijkste reden wel, dat het bestaan van G’d de mens (in de aanbidding telkens voor even) losmaakt uit de (hoewel noodzakelijk voor z’n ontwikkeling tot mens in de wereld, maar) overdreven, loutere betrokkenheid op zichzelf, zijn ego en persoonlijke belangen. Dat blijkt heilbrengend! De mens is namelijk – zo leert de ervaring – het gelukkigst en op z’n mooist als ie niet leeft voor zichzelf alleen, maar (evenwichtig) voor de ander/Ander. (vrij naar Paulus in 2 Kor. 5) Wij zijn immers – ons diepste, meest onthechte weten getuigt ervan – gemaakt om lief te hebben, d.w.z. gericht te zijn en vorm te geven aan onze liefde, de goddelijke vonk in onszelf. Dat impliceert de aanwezigheid van een immer benaderbare, volledig beschikbare, niet oordelende ander/Ander! (In een notendop: G’d – de dragende grond onder je bestaan – beminnen met geheel je hart plus verstand, en de naaste als jezelf!) De in wezen altijd eenzame mens kan dus niet zonder zo’n figuur, en daarom schept hij er immer een of meer, als hulp/steun/vertrekpunt.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*