Home » Metafysica » Het wonder van de werkelijkheid

Het wonder van de werkelijkheid

Je kunt feeling hebben voor het wonder van de natuur zonder in God te geloven. Religieuze gevoeligheid en atheïsme sluiten elkaar niet uit. Voor de atheïst staan meer opties open dan een koud nihilisme. De natuur is grootser dan de natuurwetenschap. Natuurwetenschap verklaart verschijnselen binnen de natuur, maar put haar volheid daarmee niet uit. En bovenal: de natuurwetenschap verklaart niet waarom er überhaupt natuur is.  Filosoof Arnold Ziegelaar pleit voor een derde weg. Tussen godsgeloof en natuurwetenschappelijke reductie: een non-theïstische, aardse mystiek, die openstaat voor het wonder van de werkelijkheid.

Door Arnold Ziegelaar

Het begrippenpaar ‘atheïsme en religiositeit’ wordt vaak als tegenstelling gebruikt. Dit is deels onjuist. Men kan religieus en toch atheïstisch zijn. Religie definieer ik formeel en innerlijk als het ‘verlangen en streven naar zingevende innigheid met het ultieme’, waarbij het ultieme het meest diepe of oorspronkelijke niveau van de werkelijkheid is. Het hangt van de specifieke inhoud van dit ultieme af of men atheïstisch is of niet. Atheïsme is de stelling dat er geen God als transcendente, persoonlijke schepper van de kosmos, bestaat. Maar als het ultieme gedefinieerd wordt als (Bewust-)zijn, Leegte, Tao, Natuur of het Idee, dan kan een atheïst religieus zijn. Elke conceptie van het ultieme definieert een eigen soort religiositeit.

De crisis van het theïsme is dus niet noodzakelijk een crisis van de religiositeit als zodanig. De levensbeschouwelijke vraag van vandaag is of er een ultieme gedacht en ervaren kan worden dat eigen is aan de levensbeschouwelijke situatie van nu.

De crisis van het theïsme

De crisis van het theïsme is in de loop van de Europese ideeëngeschiedenis ontstaan. Intellectueel zijn er vier redenen voor: 1. De rationeel-argumentatieve wegen naar God zijn problematisch of zelfs onbegaanbaar. Immanuel Kant laat zien dat de traditionele godsargumenten geen bewijskracht hebben. Weliswaar worden deze argumenten nog steeds hernieuwd en verdedigd, maar deze pogingen lijken niet overtuigend (wat een aparte discussie is). 2. Steeds meer werd ingezien dat het godsidee voort kan komen uit menselijke projectie en psychologische behoeften (zoals door Nietzsche en Freud gesteld) en dat het godsidee daarom geen waarborg is voor het bestaan van God buiten dat idee. 3. De rol van God als verklaringsprincipe van natuurlijke verschijnselen en gebeurtenissen is steeds verder teruggedrongen ten gunste van natuurwetenschappelijke verklaringen. God lijkt binnen de natuurwetenschap een overbodige hypothese. 4. Dat er zinloos lijden in de wereld is, lijkt in tegenspraak met het bestaan van een liefdevolle, morele God.

Deze punten zijn cumulatief een belangrijke intellectuele verklaring voor de opkomst en groei van het atheïsme. De meeste atheïsten zijn voorvechters van de natuurwetenschap die zij als de enige weg naar de waarheid zien. Het atheïsme als filosofische positie kan zich tooien met de successen van de natuurwetenschap in het begrijpen van natuurlijke processen en doet dat ook.

De twee grondvragen

Het verwerpen van een theïstische verklaringsgrond van de wereld beantwoordt de vraag naar de verklaring van die wereld echter niet, integendeel, er wordt alleen een mogelijke verklaring weggenomen. Weliswaar zijn er steeds meer werkelijkheidsdomeinen in het bereik van de natuurwetenschap gekomen, toch zijn twee fundamentele vragen niet beantwoord. Sterker nog, ik meen dat deze twee vragen onbeantwoordbaar zijn voor de natuurwetenschap omdat zij daar niet geschikt voor is:

Grondvraag 1. Waarom is er iets en niet eerder niets?
Grondvraag 2. Waarom is er iets voor mij aanwezig en niet eerder niets?

Vraag 1 is voor het eerst expliciet gesteld door de filosoof en wiskundige Leibniz in 1714 en komt voort uit het door hem geformuleerde principe van de toereikende grond. Dat het universum bestaat en dat het bestaat zoals het bestaat, dienen volledig begrepen te worden uit een geheel van vereisten daarvoor. Leibniz’ antwoord is theïstisch, maar lijkt door genoemde punten 1-4 weerlegd. De natuurwetenschap beantwoordt deze vraag echter ook niet omdat er altijd onverklaarde verklaarders nodig zijn, zoals ruimte, tijd, energie en natuurwetten. Deze stelling kan in dit korte bestek niet onderbouwd worden[1], maar deze onderbouwing leidt tot de conclusie dat er geen volledig antwoord op grondvraag 1 is. Dit is het bestaansmysterie.

Vraag 2 vraagt naar het bewustzijn. Mijn definitie van bewustzijn is: ‘dat er iets voor mij aanwezig is’[2]. ‘Aanwezigheid’ betekent dat iets zich toont, zich aan mij tegenwoordig stelt als verschijnsel. Dit kan van alles zijn: gedachten, gevoelens, herinneringen, dingen, alles wat op een of andere manier aan mij kan verschijnen in tijd en ruimte. Deze ‘aanwezigheid van iets voor mij’, kan er zijn of niet. Als ik bewusteloos ben, of diep slaap, of nog niet ontstaan ben, of dood ben, is er, voor zover we weten, niets voor mij aanwezig. Ik ben dan, voor zover we weten, niet voor mijzelf aanwezig, want er is geen bewustzijn, er ‘is’ particulier absoluut niets.

De triniteit

Bewustzijn is geen ding, het is de openheid waaraan de dingen verschijnen. De open plek (de Lichtung van Heidegger) waarin de aanwezigheid van de dingen in ruimte en tijd mogelijk wordt. Zodra ik bewust ben, ben ik in het heden op een plek tussen de dingen. Ruimte, tijd en bewustzijn zijn oorspronkelijke dimensies omdat ze niet uit iets anders zijn af te leiden, elk hun eigenheid hebben, elk een speelruimte bieden aan vele manifestaties en constitutief zijn voor mijn ervaringswereld.  Dat de dingen van de natuur aan mij verschijnen, betekent dat bewustzijn in een bepaalde zin een eenheid is met ruimte en tijd. Deze eenheid noem ik innigheid omdat in de eenheid het onderscheid tussen hen intact gelaten wordt. De innigheid van bewustzijn, ruimte en tijd noem ik de triniteit.

Binnen de triniteit zijn er verschillende funderingsrelaties. Ruimte maakt de dingen mogelijk, want zonder ruimte zijn de dingen er niet. Omgekeerd maken de dingen de ruimte mogelijk, want zonder hen kan de ruimte zich niet als diepte ontplooien. Tijd maakt de dingen mogelijk, zonder de tijd zouden de dingen geen dingen zijn, dat wil zeggen veranderlijk in de zich manifesterende eigenschappen die wetmatig ontstaan, bestaan en vergaan. Dingen maken de tijd mogelijk, want tijd kan pas tijd zijn als er dingen zijn die een duur hebben, na elkaar of gelijktijdig bestaan en aan verandering onderhevig zijn. Ruimte en tijd enerzijds en de dingen erin anderzijds hebben elkaar nodig om te bestaan.

Bij bewustzijn ligt dit anders omdat we aannemen dat de dingen ook bestaan als ze niet voor mij aanwezig zijn. Er is onderscheid tussen bestaan en aanwezigheid. Het bestaan betreft de fysische werkelijkheid, aanwezigheid betreft bewustzijn van die fysische werkelijkheid. Daarmee wordt een ‘idealistische’ positie, zoals we die vinden bij bijvoorbeeld Berkeley, Kant en de late Husserl vermeden. Bewustzijn creëert de natuurlijke werkelijkheid niet, maar is dat waaraan zij zich openbaart. Verder lijkt de fysische werkelijkheid noodzakelijk voor bewustzijn, want een bewustzijn dat zich nergens van bewust is, is geen bewustzijn. Ook kunnen we niet uitsluiten dat specifiek fysisch bestaan een noodzakelijke voorwaarde voor bewustzijn is, zonder er een voldoende voorwaarde voor te zijn.

Naturalisme en fysicalisme

Er is niets op tegen om bewustzijn als iets natuurlijks te zien en naturalistisch te denken. Bewustzijn en zijn toestanden zijn een inherente mogelijkheid van de natuur. Ze ontstaan uit en zijn afhankelijk van bepaalde fysische of chemische processen. Deze afhankelijkheid blijkt uit alledaagse fenomenen: de inhoud van mijn bewustzijn wordt beïnvloed door chemische stoffen (alcohol, LSD, etc.), door materiele gebeurtenissen, door waarneming, door lichamelijke aandoeningen. Het optreden van bewustzijn lijkt afhankelijk van allerlei voorwaarden. Er zijn correlaties tussen specifieke neuronale processen en bewustzijnstoestanden. Als bepaalde neuronen vuren ervaar ik pijn, als andere vuren ervaar ik geluk, bij weer andere heb ik de gewaarwording van rood. Ik kan mijn bewustzijn verliezen door een materiele klap tegen het hoofd, door zuurstofgebrek, etc.. Er lijken dus fysische vereisten voor bewustzijn, omdat bewustzijn verdwijnt als niet aan die fysische vereisten wordt voldaan.

Deze gegevens leiden bij veel filosofen en wetenschappers ertoe dat naturalisme omslaat in fysicalisme: bewustzijn is volledig te begrijpen uit fysische processen in netwerken van neuronen. De fysicalistische identiteitstheorie stelt bijvoorbeeld dat hoewel neuronale processen enerzijds en bewustzijn en bewustzijnsinhouden anderzijds op het eerste gezicht verschillend zijn, ze bij nader onderzoek identiek zijn. Dit zou analoog zijn aan dat water identiek aan H20 blijkt te zijn of dat de avondster en de ochtendster identiek aan elkaar blijken te zijn. Bewustzijn en alles wat erbij hoort, kunnen dan restloos verklaard worden uit fysische processen en deeltjes.

Fysicalisme heeft echter een aantal fundamentele filosofische problemen[3]. We bespreken kort een probleem met de identiteitstheorie. Wanneer noemen we twee zaken identiek? Als ze dezelfde eigenschappen hebben of als hun verschijningswijzen herleidbaar zijn tot elkaar. Zo weten we dat geldt  ‘de avondster=de morgenster’ omdat ze in veel eigenschappen op elkaar lijken en waar ze verschillen (zoals de plaats aan de hemel) zijn die verschillen te begrijpen uit de astronomische context van ons zonnestelsel. Het ligt echter anders bij ‘pijn’ en ‘vurende C-fibers’. Deze lijken niet op elkaar en zijn niet tot elkaar te herleiden. We kunnen niet uit de objectieve aard van neuronale processen begrijpen dat ze innerlijk het gevoel van pijn geven, we kunnen het alleen empirisch vaststellen.

Neuronale processen bestaan uit complexe patronen van lokale veranderingen in het elektromagnetisch veld in de hersenen. Deze patronen hebben causale relaties met andere lichamelijke processen en met bewustzijnsfenomenen. Deze fenomenen kunnen we niet fysisch begrijpen als product van die patronen. Als X de oorzaak van Y is, dan is X pas een volledige verklaring voor Y als we begrijpen hoe Y logisch voortvloeit uit X. We begrijpen echter niet hoe uit patronen van het elektromagnetisch veld pijn ontstaat, hoe het objectieve subjectief en het uiterlijke innerlijk wordt.

Dat is steeds het probleem met het fysicalisme: het slaagt er niet in bewustzijn en zijn aspecten te begrijpen als uitvloeisel van onderliggende neuronale processen. Weliswaar zijn er empirische correlaties tussen bewustzijn en die processen, maar voor een verklaring van het bewustzijn is meer nodig. Ook in een dualistische opvatting zijn er immers, zoals in die van Descartes, causale relaties en dus correlaties tussen hersenen en geest. Een volledig fysicalistische verklaring van de geest dient te begrijpen hoe die geest volgens bekende natuurwetten uit het fysische kan ontstaan. Natuurwetten doen echter geen enkele uitspraak over die aspecten van de wereld die bewustzijn veronderstellen. We kunnen bijvoorbeeld de kleur rood correleren met licht met een golflengte van 700 nm, maar deze golflengte zegt niets over hoe de kleur rood eruitziet of dat ze er überhaupt uitziet. Ervaringen van een kleur als de kleur die het is, zijn niet door de fysica anticipeerbare ervaringen.

Het hedendaagse materie-geest-probleem is rechtstreeks voortgekomen uit de opkomst van de nieuwe fysica in de 17e eeuw. Toen werd het probleem geparkeerd door de introductie van het lichaam-geest dualisme bij Descartes. Dit dualisme bracht het onderscheid met zich mee tussen primaire eigenschappen zoals grootte, vorm en beweging enerzijds en secundaire eigenschappen zoals kleur, gevoel, klank en betekenis anderzijds. In het fysicalisme van vandaag worden deze secundaire eigenschappen geacht reduceerbaar te zijn tot de primaire. Deze reductie slaagt echter niet. In de analytische filosofie wordt dit het ‘moeilijke probleem’ genoemd[4].

Er zijn verschillende argumenten die het fysicalisme weerleggen. Als we deze argumenten serieus nemen (zoals ik) dan is het bewustzijn en haar ervaringen niet volledig af te leiden uit hersenprocessen. Dat betekent dat de natuur meer fundamentele aspecten bevat dan die door de huidige fysica beschreven worden. Deze fysica is daarmee niet onjuist, maar wel  onvolledig. Zij beschrijft niet alle aspecten van de natuur.

Zijnsmysterie en bestaansmysterie

De fysica verklaart verschijnselen binnen de natuur, maar verklaart niet waarom er überhaupt een natuur is. Dit is het bestaansmysterie. De fysica verklaart ook niet waarom er openheid voor die natuur er is, waarom er iets voor mij aanwezig is. Bewustzijn verzet zich tegen inlijving in het begrippenstelsel van de fysica. Dit is het zijnsmysterie.

Op dit punt worden de begrippen religie, theïsme en atheïsme relevant. De vraag is immers: hoe gaan we met deze mysteries om? De atheïstisch-fysicalistische reactie is dat we ze uiteindelijk wetenschappelijk kunnen oplossen. De theïstische reactie is dat we naar God moeten springen om ze op te lossen. De derde weg, die ik voorsta, is die van de non-theïstische of aardse mystiek: we dienen ze, op filosofische gronden, open te houden als mysterie. We proberen in een contemplatieve verhouding tot hen te komen en bieden, op filosofische gronden, weerstand aan de reflex om ze onmiddellijk uit iets anders te verklaren.

Bewustzijn is door sommige denkers opgevat als een argument voor het bestaan van God[5]. Het zijnsmysterie wordt dan ingezet voor het theïsme. Bewustzijn is echter geen bewijs dat God bestaat. Als God bestaat, dan is er bewustzijn, maar niet andersom. Bewustzijn kan immers een oorspronkelijke dimensie zijn die niet afleidbaar is uit iets anders. Bewustzijn is eigen aan God als hij bestaat, maar we kunnen bewustzijn niet uit God verklaren voor zover God nog iets anders is dan bewustzijn. Het zijnsmysterie kan niet met een Godsidee worden doorgrond.

In het begin gaf ik mijn definitie van religie: het streven naar zingevende innigheid met het ultieme. Religieuze praktijken (zoals bidden en mediteren) kan men begrijpen als pogingen deze innigheid te bereiken. Als we met de atheïst meegaan en zeggen dat God niet bestaat, is dan daarmee elk begrip van het ultieme onmogelijk? Ik meen van niet. Zoals betoogd, staat ook de atheïst voor grondvragen 1 en 2. Rationeel en filosofisch kan beargumenteerd worden dat deze vragen niet theïstisch, maar ook niet atheïstisch kunnen worden beantwoord[6].

Na een eventuele dood van God is de plaats van het ultieme in eerste instantie vacant, maar wordt in tweede instantie ingenomen door het bestaans- en zijnsmysterie. Deze dienen we niet op te vatten als een psychologisch equivalente vervanging van God met dezelfde status, aard en zingevende werking. Ze zijn echter ideeënhistorisch actueel omdat ze in de evolutie van het Europese denken de intellectuele opvolgers van God zijn. Het is niet voor niets dat bij de twee grootste filosofen van de 20e eeuw, Ludwig Wittgenstein (1889-1951) en Martin Heidegger (1889-1976) het mystieke van dat-de-wereld-is een belangrijk thema is. En ook in de kunst zoals bij de Portugese dichter Pessoa die zijn alter ego Alberto Caeiro in 1914 laat zeggen:

Ik ben een man die op een dag het raam opendeed en deze fantastische ontdekking deed: dat de natuur bestaat. Ik constateerde dat bomen, rivieren, stenen, dingen zijn die werkelijk bestaan. Daar had nooit iemand aan gedacht.

Het mysterie van bewustzijn en kosmos worden bevrijd van de bezetting door het godsidee. Het mysterie komt vrij in de oorspronkelijke, want onherleidbare dimensies van ons bestaan: ruimte, tijd en bewustzijn en in mijzelf en in de medemens als mededrager van dat mysterie. Deze dimensies bevatten, omvatten en constitueren mijn bestaan en zijn het ultieme dat past bij het hedendaagse denken over de werkelijkheid.

Dit ultieme heeft een ander karakter dan God. In de christelijke traditie staat het woord centraal: God is een geest met ideële inhouden die schept door te spreken. ‘In den beginne was het woord en alles is door het woord geworden’. Nu echter wordt het woord secundair ten opzichte van de stille en ongenaakbare afgronden van ruimte en tijd. Het (menselijke) woord vormt zich in de confrontatie ermee, maar gaat er niet aan vooraf. De ervaring van het mysterie is niet per se tegemoet komend en openbaart geen directe zin. Het bewustzijn als onverklaarbare openheid geeft ons ons leven en tegelijk onze dood, want zonder die openheid zouden we geen besef van de dood hebben en zou die openheid niet kunnen eindigen (als zij eindigt).

We weten niet zeker of het bewustzijn inderdaad een noodzakelijke voorwaarde heeft in fysische processen. Het bewustzijn als openheid voor ruimte, tijd, medemens en als voorwaarde voor de dood, geeft zijn gronden niet aan ons mee. We zijn een voorwaardelijke openheid die haar voorwaarden niet (volledig) kent. In die openheid kunnen we echter wel contemplatief worden en ons verwonderen, verbijsteren en gelukkig prijzen dat we delen in het mysterie van bestaan en zijn.

———–

Bron Tijdschrit voor geestelijke leven,  4, 2018, Nabije vreemden. Themanummer over gelovigen en ongelovigen in gesprek

[1]In mijn onderzoek ontwikkel ik argumenten tegen de opvattingen dat grondvraag 1 betekenisloos of beantwoordbaar is. Ik verdedig een derde optie: de vraag is betekenisvol en onbeantwoordbaar.

[2]Deze definitie van bewustzijn wordt uitgewerkt in mijn Oorspronkelijk bewustzijn (2016) hoofdstuk 4.

[3]Voor een bespreking van fysicalisme, haar vormen en de argumenten ertegen zie Oorspronkelijk bewustzijn (2016) hoofdstuk 12.

[4] Deze term van ‘the hard problem’ is in 1996 geïntroduceerd door de Australische filosoof David Chalmers in zijn baanbrekende boek The conscious mind, In search of a fundamental theory.

[5] Zoals filosoof  J.P. Moreland (https://www.closertotruth.com/series/arguing-god-consciousness)

[6] Dit is een belangrijk aspect van het filosofisch project waarin ik verwikkeld ben. In Aardse mystiek (2015) staat het existentiële en morele centraal, in Oorspronkelijk bewustzijn (2016) het zijnsmysterie, als arationeel aspect van de kosmos.

Arnold Ziegelaar studeerde fysica en wijsbegeerte aan de universiteit van Leiden. Hij was werkzaam als beleidsonderzoeker en werkt sinds tien jaar als docent filosofie in het hoger onderwijs. Van zijn hand verschenen de boeken Aardse mystiek, een inleiding in de verwondering (2015) en Oorspronkelijk bewustzijn, een kritiek van de neuromane rede (2016). Momenteel verricht hij als buitenpromovendus promotieonderzoek naar de grondvraag van de metafysica. Nadere informatie: www.arnoldziegelaar.nl

 

Bron: Tijdschrift voor Geestelijk Leven, nr. 2018/4, themanummer:  Nabije vreemden. Gelovigen en ongelovigen in gesprek.

Voor verdere informatie over TGL zie www.tgl.be. Besteladres Nederland: ahmmetz1941@kpnmail.nl. Besteladres België: abonnementenTGL@kerknet.be of info@tgl.be. Kosten per los nummer: 7,95 plus verzendkosten.

Print Friendly, PDF & Email

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*