Home » Interview » Kerkelijk werker Anne Bolhuis: “De spiritualiteit ligt op straat”
Anne Bolhuis: "Je hebt niet het idee iemand eens flink te gaan helpen maar je wilt duidelijk maken: ik zie je, ik wil bij je blijven, ik sta naast je."

Kerkelijk werker Anne Bolhuis: “De spiritualiteit ligt op straat”

Bij de populaire cabaretier Ronald Goedemondt is het nooit stil in de zaal omdat het ene lachsalvo het andere snel opvolgt, maar één keer krijgt hij zijn publiek doodstil als hij vertelt welke vier woorden hij wil horen als hij alleen is, of oud, of opgegeven: “Nee, niet ‘ik hou van jou’ maar ‘ik blijf bij je’.” “Prachtig”, zegt kerkelijk werker Anne Bolhuis (1993) die de motivatie van straatpastors onderzocht, die werken voor de circa 60.000 dak- en thuislozen. “Dat is waar het om gaat:  er zijn voor de ander. Wat straatpastors ten diepste raakt, valt niet snel te vangen, maar duidelijk is wel dat zij zich focussen op de samenleving en op de wereld. Ze zeggen dat onze maatschappij verhardt.”

Door Cees Veltman

Anne Bolhuis groeide op in een rooms-katholiek dorp. Ze waren daar het enige protestantse gezin. “Ik was een vroom kind en had veel belangstelling voor religie. De Bijbelverhalen vond ik fantastisch. Maar ik mocht geen communie doen zoals mijn klasgenoten. Er is over onderhandeld maar het mocht echt niet. Dat vond ik vanuit een kinderlijke verongelijktheid oneerlijk, want ik vond mezelf veel vromer dan zij. Wij gingen elke zondag tweemaal naar de kerk, zij nooit. Het riep bij mij de vraag op: waar gaat het geloof nu eigenlijk over? Wat betekent het als je zegt dat je christen bent? Welk handelen koppel je daaraan?

In mijn kerk werd veel gesproken over barmhartigheid en solidariteit. Iedereen mocht er zijn, maar voor mijn gevoel bleef het te veel binnen de kerkmuren. Toen ik ging studeren, ben ik gestopt met naar de kerk gaan. Ik koos wel voor een theologiestudie. Iemand tipte me dat er in mijn toenmalige woonplaats Nijmegen, een straatpastor was, een inloophuis en een muziekgroep voor dak- en thuisloze jongeren. Was dat niets voor mij? Dat heb ik toen gedaan. Voor de zondagsviering daar zorgde ik voor de koffie en was ik een luisterend oor. Het was een bont gezelschap van mensen die er zomaar waren: dakloze Gerard, de wijkagent, een Pool, een betrokken huismoeder, noem maar op.

Op zomaar een zondag was er een gewone viering, niks speciaals. Er werden kaarsen aangestoken, mooie woorden gesproken en voorbeden gedaan. Plotseling kreeg ik het gevoel: nu zijn we echt samen, dit is mijn kerk. Wat hier gebeurt, is voor mij de essentie van mijn persoonlijke geloof, van christelijk zijn, maar vooral van religieus zijn. Het zoeken naar verbinding zie ik namelijk als kern van mijn persoonlijke levensovertuiging. Verbinding met God, maar ook met de ander of met elkaar, om dan te ervaren wat er gebeurt en wat er ontstaat. Het allerliefst wil ik in mijn leven uitdrukking geven aan deze zoektocht.

Wie daar bij de viering zaten, waren lang niet allemaal christelijk. Dus ik vroeg me af: wat gebeurt hier? Straatpastor Harry vond ik inspirerend door zijn contact met de mensen. Hij leidde de zondagsviering op een mooie, toegankelijke en authentieke manier en hield zo iedereen erbij. Daar proefde ik iets van een spirituele grondhouding die ik graag wilde onderzoeken. Ik koos het als onderwerp voor mijn scriptie. Spiritualiteit is een enorm breed terrein met veel stromingen. Je hebt onder andere mystieke spiritualiteit, profetische spiritualiteit, intellectuele spiritualiteit en diaconale spiritualiteit.”

Er zijn meer onderzoeken gedaan naar de aanwezigheid van de kerk in de samenleving. Waarin is jouw onderzoek nieuw?

“Ja. Na de Tweede Wereldoorlog voelden de kerken zich schuldig over hun teruggetrokkenheid binnen de eigen kerkmuren. Ze wilden daarbuiten ook belangrijk zijn. Daar zijn de inloophuizen en het straatpastoraat uit voortgekomen. In die eerdere onderzoeken werd ook een impliciete spirituele houding beschreven, net zoals ik heb gedaan, maar ik heb die houding geprobeerd te actualiseren, ook met citaten van straatpastors. Een van hen zegt: ‘Ik weet niet waar het vandaan komt, maar ik voel me aangetrokken tot de echt hopeloze gevallen. Marietje hopeloos, haha. Dat ik denk: het kan niet zo zijn dat er niemand meer naar je omkijkt, dat kan niet zo zijn.’ Dat herken ik ook bij mezelf. Dat gevoel is niet zo concreet. Je weet niet precies wat je wilt en je hebt niet het idee iemand eens flink te gaan helpen maar je wilt duidelijk maken: ik zie je, ik wil bij je blijven, ik sta naast je. Een pastor zei: ‘Ons geloof in Jezus laat zien waar je moet zijn: bij de armen.’ En: ‘Het laatste wat de kerk moet opgeven, is het aanwezig zijn bij deze mensen.’”

De straatpastors zijn nogal verschillend, blijkt uit je onderzoek.

“Ja, ik merkte bijvoorbeeld dat een gedeelte van de pastors expliciet christelijke bronnen aanhaalt wanneer ze spreken over hun motivatie. Een ander gedeelte benoemt dat niet. Ongeveer de helft van hen is christelijk geïnspireerd, de andere helft niet, in ieder geval niet expliciet. De kerk lijkt niet langer per definitie belangrijk in de dagelijkse werkbeleving van straatpastors. De wil om geloofsgesprekken te voeren met mensen staat niet langer centraal, maar door hun manier van omgang en hun aanbod kunnen hulpvragers wel vertrouwd raken met de kern van het geloof. De houding die verondersteld wordt bij wie zich inzet voor dak- en thuislozen is voor iedereen dezelfde, zou je denken: open staan voor de ander die aandacht nodig heeft.”

Hoe verschillend ook, ze zijn allemaal maatschappijkritisch.

“Ja, ze hebben zelfs hun lichaamshouding gemeen, heb ik gezien. Er spreekt een zekere felheid uit, een niet willen accepteren van onrecht en onrechtvaardigheid. Als ze merken hoe mensen die op straat leven, worden behandeld, dan moeten ze daar iets mee, dan bijten ze zich daarin vast. Ik ben zelf ook maatschappijkritisch. Niet dat ik op alles loop te mopperen. Maar als het gaat om armoede, uitsluiting, racisme, seksisme en discriminatie kan ik me daar over opwinden.

Door het werk van de rond twintig drugs- en straatpastors die Nederland telt, ben ik meer geïnspireerd om mijn huidige werk te doen als kerkelijk werker in een PKN-gemeente in Heerde bij Zwolle, aan de rand van de Veluwe. Daar heb ik niet direct te maken met dakloosheid of armoede, maar ik ben wel met mensen in gesprek over hoe we kunnen omgaan met anderen. Een keer per maand ga ik voor in de viering en ik merk dat ik vaak op dit onderwerp terugkom.”

Verschilt het straatpastoraat veel van wat de burgerlijke gemeente doet aan maatschappelijk werk?

“De inspiratiebronnen verschillen vaak wel. Er is ook een verschil in benadering van de mensen. Straatpastors hebben niet een bepaald doel voor ogen, maar voelen een opdracht om bij hun mensen te blijven, wat er ook gebeurt. Ook als het de verkeerde kant opgaat. Zij willen de totale persoon zien en die vrij laten kiezen wat hij of zij wil. Mensen kunnen zelf het beste beoordelen wat goed voor hen is. Straatpastors willen hen een vrijplaats bieden waar ze zich niet anders hoeven voor te doen dan ze zijn. Dat vraagt soms aanpassing. Geen drugs of alcohol in de kapel, dat kan moeilijk zijn voor sommigen. Af en toe is daar wel eens stampei over, want soms zijn mensen verslaafd, maar de meesten begrijpen het wel. Op straat leeft de straatpastor zich meer in in het leven van daklozen dan de maatschappelijk werker. Stel je maar eens voor dat je een paar uur op een bankje zit en hoe mensen dan op je reageren. Wat houd je dan op de been?

Verschillend is ook het mensbeeld. Straatpastors hebben een genadig mensbeeld. Ieder mens is zonder meer geliefd en verdient altijd nieuwe kansen. De mens is niet goed en niet slecht, we zijn het allemaal een beetje en zo mogen we ook gezien worden. Ik laat je niet los, ik laat je niet vallen. Als iemand dan de fout in gaat, kun je samen proberen de draad weer op te pakken. In de praktijk zijn er honderd situaties waarin het heel lastig is om mensen te helpen, maar met dat mensbeeld hou je het als straatpastor vol.

Het straatpastoraat is deels opgenomen in het netwerk van gemeentes, dit op grond van de wet maatschappelijke ondersteuning. Als maatschappelijk werkers over de vloer komen in inloophuizen, denken straatpastors soms: loop toch niet zo te trekken aan de mensen, bepaal niet hoe zij iets van het leven moeten maken. Het zijn vaak mooie en markante mensen die een aangrijpende wijsheid bezitten, die zichzelf uiteindelijk wel redden en van wie je kunt leren. Daarom: je weet niet wat je mist als je niet met ze praat. De spiritualiteit ligt op straat.”

Te vaak wordt op dak-en thuislozen neergekeken?

“Ja, het is jammer dat ze zo negatief worden geframed als zwak. Tegelijk wordt de maatschappij harder. Als mensen in problemen komen, zullen ze dat wel aan zichzelf te wijten hebben, is het idee. Daklozen worden als zwakkeren beschouwd, terwijl ze zich met vallen en opstaan juist staande weten te houden onder moeilijke omstandigheden. Zij hebben te maken met heel veel tegenslagen die vaak ook nog eens tegelijk komen. Het is echt een illusie dat daklozen zwak of mislukt zijn.

De ‘sterkeren’ kunnen zich beter realiseren dat er maar iets hoeft te gebeuren – je kunt onverwacht schulden of gezondheidsproblemen krijgen – en zij staan ook dakloos op straat. Een pastor zei dat het hem niet zozeer om liefde voor de mensen gaat. Hij herkent zich eerder in de hulpvragers en beseft ook zelf in hun positie terecht te kunnen komen.”

Heb je de indruk dat steeds meer mensen dakloos worden?

“In de ene gemeente gaat het beter, in de andere slechter. Ik heb een verhaal gehoord dat dakloze mensen ’s avonds in een politieauto werden gezet en ergens in een buitengebied werden gedropt. Waarom? Om even van ze af te zijn? Het lijkt er wel op dat meer mensen in een voorstadium van dakloosheid komen omdat ze zich niet meer kunnen redden in een digitaliserende samenleving die te ingewikkeld wordt om nog voor hun belangen te kunnen opkomen. Steeds meer mensen worden overvraagd, al helemaal als ze het Nederlands onvoldoende beheersen. De taal is overigens voor iedereen wel eens moeilijk. Ik keek laatst mijn cao in, maar die was onleesbaar. Er wordt vanuit gegaan dat iedereen alles maar moet kunnen, en snel moet kunnen volgen, terwijl dat niet zo is.”

———————–

Voor meer informatie over buurtpastoraat en drugs- en straatpastoraat zie Stichting Netwerk DAK: www.netwerkdak.nl.

Print Friendly, PDF & Email

2 reacties

  1. Helaas lees ik hier weinig over de diepe begeestering van de straatpastor. Is het zijn of haar schuldgevoel als bevoorrechte (vrijgestelde; lid van de hogere sociale klasse; hoger opgeleide met inkomenszekerheid); is het kerkelijk sociale dwang of vanuit de beroepsgroep; een messiassyndroom, masochisme misschien, een levende relatie vol genegenheid, geloof, vertrouwen en dankbaarheid met God/Jezus Christus, of is het wat anders? Komt het onderzoek hier dus wel uit de verf, of is het niet diepgravend uitgevoerd?
    “Je wilt duidelijk maken (stelt de onderzoekster): ik zie je, ik wil bij je blijven, ik sta naast je. Een pastor zei: ‘Ons geloof in Jezus laat zien waar je moet zijn: bij de armen.’” Is het zo eenvoudig? En waarom zou je dat willen; louter omdat het moet van Jezus, van je geloof? Het christelijk geloven is toch wat anders dan de Wet (regels, plichten en verboden) opvolgen?!
    Kortom: sociaal activisme vanuit een spiritualiteit die op straat ligt is niet verkeerd, maar van kerkelijke sociale actie verwacht je toch wat meer dan te raden gaan bij de spiritualiteit van de straat, namelijk voortdurende oriëntatie op Jezus Christus. Anders hou je het gewoon niet vol, en mis je het kompas als kerkelijk werker.
    Misschien zou men daar eens dieper op willen reflecteren.

  2. Ik werk vanuit de presentie.
    Het is dat wat er verteld wordt, mensen neer kijken op dak -en thuislozen.
    Terwijl het zelfs hoog op geleiden mensen overkomt en de weg zoek raken.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*