Home » Essay » Waar wringt het tussen de moderne christen en de nieuwe spiritueel?

Waar wringt het tussen de moderne christen en de nieuwe spiritueel?

Nieuwe spiritualiteit en vrijzinnig christendom zijn beide pogingen om hedendaags religieus verlangen vorm te geven. Maar waar de vrijzinnige christen de moderne religiekritiek omarmt, richt de nieuwe spiritueel zijn pijlen op de metafysische bloedarmoede van de moderne cultuur.

Door Theo van de Kerkhof

Relikitsch, consumentisme, knuffelspiritualiteit. Het veelkleurige geheel van het nieuwe buitenkerkelijke geloven krijgt vanuit kerkelijke hoek nogal eens de wind van voren. Vooral onder reli-professionals is de weerzin groot. De doorsnee kerkgangers zijn gemiddeld genomen een stuk relaxter. Ook zij lezen Happinez of Eckhart Tolle, zitten op yoga, of geloven in engelen. “Vertegenwoordigers van de kerken kunnen je precies uitleggen wat er zo gevaarlijk is aan nieuwe spiritualiteit”, zegt godsdienstsocioloog Joep de Hart in Volzin. “Maar de dagelijkse praktijk van gewone gelovigen ziet er heel anders uit.” En hij constateert: “De schotten tussen oude religie en nieuwe spiritualiteit blijken poreuzer dan we dachten.”

Dat traditioneel orthodoxe christenen kritisch staan tegenover deze ontwikkeling was te verwachten, maar opvallend is dat de kritiek op het ‘nieuwe geloven’ niet zelden uit de meer moderne, vrijzinnige hoek waait. Wat wringt er toch zo tussen juist het modern christelijk geloven en het nieuwe geloven van de nieuwe spiritueel?

Zingevingscrisis

 Wie religieuze oriëntaties met elkaar vergelijkt loopt het gevaar het ideaal van de een af te zetten tegen de mislukking van de ander. Laten we daarom enigszins abstraheren van concrete praktijken en kijken naar de meer fundamentele grondslagen van beide oriëntaties.

“In het Westen is sprake van een zingevingscrisis”, constateert hoogleraar en zenboeddhist André van der Braak in Trouw “We kunnen niet meer op de klassieke manier over God praten en moeten nieuwe vormen vinden om aan onze religieuze verlangens tegemoet te komen.” Zowel nieuwe spiritualiteit als de vrijzinnigheid kun je zien als actuele pogingen om aan dat religieus verlangen opnieuw vorm te geven.

Fröbelgeloof

In christelijke hoek wordt nieuwe spiritualiteit nogal eens neergezet als een amateuristisch fröbelgeloof, maar dat is eenzijdig. Ook het christelijk geloof wordt steeds opnieuw uitgevonden en door nieuwe generaties opnieuw ‘in elkaar geknutseld’. Zo beschouwd zijn de vrijzinnigen de hergebruikers onder de religieuze knutselaars. Zij vertellen met oude christelijk woorden een nieuw modern verhaal. Dat laatste is essentieel. Kenmerkend voor vrijzinnigen is namelijk dat zij zich niet afzetten tegen de moderne cultuur met haar rationalistisch, wetenschappelijk wereldbeeld, maar die cultuur juist in hun geloof trachten te integreren. Maar daarmee heeft de vrijzinnigheid ook een moeilijke kant van die cultuur geadopteerd, want juist op het vlak van de zingeving staat de moderne cultuur nogal onthand. In feite schuilt in de moderne cultuur een onmacht om de zin van het leven radicaal te doordenken. Voor de moderne mens is zin een menselijke constructie. Een metafysische kijk op de werkelijkheid als geheel lijkt voor de moderne mens onmogelijk geworden. ‘Religie zonder god’, is het meest spirituele wat de modern-westerse verlichtingscultuur te bieden heeft en menig vrijzinnig theoloog volgt de moderne mens op die weg. Om een recent voorbeeld te noemen: in het Reformatorisch Dagblad lees ik over het zojuist verschenen boek van ‘hofpredikant’ Carel ter Linden: Wat doe ik hier in godsnaam. Hij neemt daarin afscheid van de persoonlijke God, “het bovennatuurlijk Opperwezen”. Het besef dat onze wereld en het leven een diepere betekenis hebben, zegt hij te zijn kwijtgeraakt. Ter Linden: “Waarom deze wereld er is, waarom wij mensen er zijn, daar kan ik geen zinnig woord over zeggen.”

Frictie

De moderne theologie is door de religie- en metafysicakritiek heengegaan en terughoudend geworden ten aanzien van iedere inkleuring van transcendentie. Precies op dit punt zit de dieper liggende frictie met de nieuwe spiritualiteit, die ten aanzien van metafysische uitspraken nu juist volstrekt onbevangen lijkt. In tegenstelling tot de vrijzinnig christelijke  omarming van de moderne cultuur met haar nihilistische trekken is de nieuwe spiritualiteit te zien als een cultuurkritiek die precies haar pijlen richt op de metafysische bloedarmoede van die cultuur. Tussen de voegen van het platgeplaveide moderne cultuurlandschap bloeit tegen de verdrukking in het geloof in een Hinterwelt op dat de vrijzinnigheid nu juist trachtte te overwinnen. Vertelt de vrijzinnige christen met oude bijbelse woorden een in wezen modern anti-metafysische verhaal; bij de nieuwe spiritueel is het precies omgekeerd. In een bloemrijk eigentijds jargon, ontleend aan wetenschap of exotische religies, vertelt hij (of vaak zij) een in wezen oud metafysich verhaal over de ziel die neerdaalt in het stof om vandaaruit weer op te stijgen naar de wereld van de geest.

Religiejournaliste en spiritueel auteur Lisette Thooft spreekt in het magazine Ode zelfs van een nieuw Groot Verhaal. Zij signaleert  een U-vormige ontwikkeling van de mensheid. “We komen uit de linkerbovenhoek van de U: daar had de primitieve mens een volstrekt intuïtief en natuurlijk contact met de geestelijke wereld. In de loop van de millennia zijn we afgedaald naar de aarde, naar het materialistische wereldbeeld dat nu heerst. (…) Maar inmiddels zijn velen van ons al aan het opklimmen aan de rechterkant van de U. Omhoog, op naar het onbelemmerde contact met de geestelijke wereld.” Nietzsches ‘dood van God’, Heideggers Seinsvergessenheit, Kants ‘transcendentale schijn’, de nieuwe spiritueel zal het een zorg zijn. Met één soevereine zwaai veegt hij drie eeuwen religie- en metafysicakritiek van tafel.

Waar is wat werkt

Dat brengt mij op een ander belangrijk punt: heeft de vrijzinnige de neiging er een nogal cerebraal, intellectualistisch geloof op na te houden, de nieuwe spiritueel is vooral pragmatisch en op ervaring gericht. Waar is wat werkt. Het leven gaat aan de leer vooraf. Theoretisch kan de vrijzinnige theoloog dat nog wel beamen, maar nu er een generatie gelovigen is aangetreden die dat pragmatisme ook werkelijk concreet maakt, bezorgt dat de academisch gevormde reli-professional toch enige koudwatervrees. Moet hij zo dadelijk zelf de oerschreeuw slaken, de geboortepijnen van de rebirthing doorstaan, de hitte van de zweethut verdragen, meedeinen op de golven van de sacred dance? Het mag natuurlijk best ingetogener. Zenmeditatie, een stilteweekend, zelfs bidden of bijbellezen: het maakt de nieuwe spiritueel niet uit op welke manier het heil naderbij komt, als het maar komt en op enigerlei wijze ervaarbaar is. Het recept mag eeuwenoud zijn, de maaltijd moet iedere dag opnieuw worden bereid. En precies daarop wordt de hedendaagse religieuze voorganger afgerekend. Hij moet niet alleen in praktijk brengen wat hij predikt (practice what you preach), maar bovenal moet hij iets prediken dat praktisch bruikbaar is (preach a practice).

Het sterke punt van de nieuwe spiritualiteit is de radicaliteit waarmee zij, in een in wezen nihilistische cultuur, gestalte geeft aan een alomvattend zingevingskader dat er in de praktijk van alledag ook werkelijk toe doet. Het sterke van de vrijzinnigheid is dat ze de godsdienstkritiek van de laatste driehonderd jaar serieus neemt. Vrijzinnigen laten zich geen knollen voor citroenen verkopen. De vraag is alleen: komen zij überhaupt wel aan een aankoop toe?

Bron: Woord & Dienst, augustus 2013

Print Friendly, PDF & Email

2 reacties

  1. Beste Theo,

    Je artikel heb ik met veel interesse gelezen. Ik heb er echter wel enkele vragen bij.

    Gemakshalve beperk ik me tot een drietal vragen bij een van je conclusies, te weten:

    “Het sterke punt van de nieuwe spiritualiteit is de radicaliteit waarmee zij, in een in wezen nihilistische cultuur, gestalte geeft aan een alomvattend zingevingskader dat er in de praktijk van alledag ook werkelijk toe doet.”

    1. Is onze cultuur in wezen nihilistisch?
    Als ik een dominerend kenmerk van onze cultuur zou moeten noemen, houd ik het er (in het voetspoor van Max Weber) liever op dat ze ‘utilitair’ is. Een daarmee samenhangende vraag is hoe de nihilistische ‘onderstroom’ in onze cultuur moet worden gewaardeerd. Goudsblom komt in zijn dissertatie ‘Nihilisme en Cultuur’ wat dat betreft tot interessante conclusies. Zijn waardering is positief.

    2. Als onze cultuur in wezen utilitair is, dan is de pragmatische waarheidsleer van William James (waar is wat werkt) een belangrijke leidraad. Tientallen jaren geleden probeerde Nico Luijpen deze waarheidsleer al te integreren in zijn filosofie (Aula 415). Het waarheidscriterium van James, zo stelt hij: geldt voor alle niveaus van het menselijk existeren. En ‘de ‘vruchtbaarheid’ van de dialoog met de werkelijkheid geldt ook als criterium voor de waarheid van een godsdienst’, zo voegt hij hieraan toe. Het is dus maar de vraag of er met de opkomst van de ‘nieuwe spiritualiteit’ wat dat betreft iets nieuws onder de zon verschijnt.

    En ten slotte:
    3. Meen je nou echt dat de nieuwe spiritualiteit een ‘alomvattend’ zingevingskader verschaft? Een nieuwe metafysica? Of was het James die dat deed?

    Met vriendelijke groet, Guus

    • Theo van de Kerkhof

      Beste Guus,

      Dank voor je reactie. Wat ik als een dominante karakteristiek van de moderne cultuur zie, is de gedachte dat zin (betekenissen en waarden) uiteindelijk niet meer is dan een louter menselijke constructie. Dat impliceert dat de werkelijkheid in zichzelf uiteindelijk geen zin heeft (dat bedoel ik met nihilisme).

      Dit hangt m.i. samen met het volgende: onze tijd heeft een uitgesproken wantrouwen tegenover metafysisch denken, d.w.z. denken over de kwaliteit en grondslag van de werkelijkheid als geheel. (Voor dat wantrouwen zijn natuurlijk ook wel goede redenen te vinden.) Het metafysische wordt sinds Kant als liggend buiten het domein van het kenbare opgevat. Het wordt behandeld als een onbegaanbaar terrein. Maar ondertussen leven in onze cultuur wel degelijk allerlei opvattingen over de werkelijkheid als geheel. Alleen het blijft onbesproken, ongedacht: een impliciete metafysica. In een wereld als de onze, die erg doordrongen is van het wetenschappelijke denken, is die impliciete metafysica materialistisch georiënteerd. Je kunt denken aan de populariteit van de wij-zijn-ons-brein-gedachte van Dick Swaab, maar ook het gemak waarmee de-vrije-wil-bestaat-niet-gedachte zich verspreidt; of aan het waarderelativisme. Ook op religieus vlak, zie je veel auteurs die religie als fenomeen waarderen, maar op de een af andere manier als vanzelfsprekend al ‘weten’ dat religie ‘natuurlijk’ geen reële basis heeft.

      Nieuwe spiritualiteit omvat een breed scala aan theorieën en stromingen. Maar in al die stromingen wordt een soort levenshouding en praktijk gepropageerd die ligt ingebed in een omvattende visie op de werkelijkheid als geheel, die als zodanig expliciet wordt gethematiseerd. Dat zal niet altijd een even sterkte filosofie opleveren, maar ik zie er wel een terechte cultuurkritiek in gericht tegen de metafysische sprakeloosheid van de moderne cultuur.

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*