Home » Interview » Willemijn Dicke: “Ik was een militante atheïst”
Willemijn Dicke

Willemijn Dicke: “Ik was een militante atheïst”

“Ik heb een paar bijzondere eenheidservaringen gehad. Soms kunnen dat soort gevoelens als zand door mijn vingers glijden, maar ik blijf het vlammetje in anderen zien”, zegt de Rotterdamse bestuurskundige Willemijn Dicke (1970), auteur van ‘De sjamaan en ik’. Zij ondernam een tocht van tien jaar langs zenboeddhisten, sjamanen, handopleggers, swami’s en een dominicaanse priester. Dicke is sinds kort lobbyiste voor de Nederlandse Vereniging van Universiteiten in Den Haag.

Door Cees Veltman

Je inzet en ernst in je zoektocht naar zingeving zijn bewonderenswaardig.

“De nood was hoog, ik moest echt op zoek gaan. Ik vroeg me af: waarom rennen we zo hard. Waarom lijkt niemand zich af te vragen of dat wel zin heeft? Ik zie mensen lekker in hun vel zitten, ze zien geen beren op de weg, ze kunnen lachen, ook om zichzelf. Waarom gaat dat bij hen vanzelf en bij mij niet? Ik had zin gezocht in mijn werk, in mijn – heel fijne – gezin, in lekker uitgaan en in lang-leve-de-lol, maar dat was het allemaal niet. Ik voelde een enorme dofheid. Ik had niets anders dan deze zoektocht en dat heb ik inderdaad met ernst en overgave gedaan.”

“Ik voelde een enorme dofheid. Ik had niets anders dan deze zoektocht. De nood was erg hoog”

Zonder voorbeeld te hebben?

“Inderdaad, niet in mijn familie of in mijn omgeving, maar wel op mijn zoektocht. Ik kwam veel mensen tegen die ook naar zin zochten. Ik heb een fijne jeugd gehad en ik heb op een christelijke basisschool gezeten. De Bijbelverhalen waren prachtig. Psalmen en gezangen leren, vond ik fijn. In de hervormde kerk samen zingen ook. Af en toe heb ik nog zo’n echo in mijn hoofd. Ik ken ex-gereformeerden die koude rillingen krijgen als ze een orgel horen, ik helemaal niet.

Mijn moeder was katholiek en heel gemakkelijk, mijn vader werd ongelovig. Ze zijn beiden geen voorbeeld voor me geweest wat dat betreft. Het geloof heeft me niks aangedaan. Ik werd nergens toe gedwongen waardoor ik atheïst werd. Ik zette me in mijn late puberteit wel af tegen de kerk en het middenstandsmilieu waaruit ik kwam. Ik wilde heel graag deel uitmaken van de intellectuele voorhoede. Daar hoorde volgens mij bij dat het geloof iets voor dommeriken was, niet voor ontwikkelde mensen.

Op school kregen we geschiedenisles over de Verlichting. Die periode zag ik als een logische stap na de periode waarin mensen nog in God geloofden. Ik zocht vrienden die zich afzetten tegen het ouderwetse geloof. Het was ook een manier van leven, boeken lezen, van Reve bijvoorbeeld, films zien en het geloof ‘bashen’. Op de Radboud Universiteit in Nijmegen waar ik studeerde, waren ook wel christenen, maar die meed ik.”

Je beschrijft in je boek hoe fel atheïsten kunnen zijn, bijvoorbeeld de term christenhond gebruiken.

“Ja, het waren nare mensen die hard waren in hun oordeel, maar ik heb zelf de meest hardvochtige atheïsten opgezocht. Alles wat ik nu zeg in het boek over atheïsten die ik tegenkwam op de universiteit en op mijn latere werk bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, gaat ook over mezelf. Ik was net zo kortzichtig en dacht alleen maar vanuit de ratio. Ik stond niet open voor een andere manier van denken. Ik begreep totaal niet dat mensen in religieuze sprookjes konden geloven en ook nog eens vrijwillig.

In het boek ben ik misschien iets te fel geweest over atheïsten. Naar aanleiding van dit boek heb ik mooie gesprekken met hen gevoerd. Ik merk dat je, als je niet het woord God gebruikt, maar ‘liefde’ of ‘mooie muziek’ of ‘landschappen’, ‘ontdekkingen in de wetenschap’ of ‘zingeving’ best een eind kunt komen met elkaar. Dan ben je samen ontroerd en vind je samen geen woorden voor iets. Maar zodra de woorden God of religie vallen, werkt dat als een rode lap op een stier.”

Dus we moeten van het woord God af en we kunnen het toch over dezelfde dingen hebben?

“Ja. Met gelijkgestemden heb ik mooie gesprekken over spiritualiteit. Atheïsten slaan bij dat woord op tilt, maar ze hebben dezelfde zingevingsvragen als ik: waarom zijn we hier op aarde? Kunnen we wel zeker weten waar we naartoe gaan? Voor sommigen heeft het woord God te maken met ontzag en dankbaarheid, grootsheid en mysterie. Ik ben daar zelf ook van onder de indruk. Daarom gebruik ik het woord God nog wel, maar niet bij mensen die ervan schrikken. Het is voor mij geen noodzaak om het woord God te noemen.”

Mensen lijken veel meer op elkaar dan we vaak denken. We hebben allemaal dezelfde behoeften en de culturele verschillen zijn niet diepgaand.

“Ja mensen en tradities lijken erg op elkaar. We willen allemaal hetzelfde: liefde, gezondheid. Geweldig toch? De culturele verschillen zijn een laagjes vernis. Ik zag religieuze verschillen op Bali en dacht: wat maakt het uit hoe we onszelf noemen, christen, hindoe of moslim? We proberen allemaal uiting te geven aan iets wat we niet begrijpen en waar we dankbaar voor zijn. Ik begrijp heel goed dat je dan tien of honderd goden verzint. Het is voor mij gemakkelijk om de grootsheid van een Indiase leider te zien of van een katholiek, het maakt mij niet uit. Ik herken in hen waar ik ontzag voor heb en waar ik blij van word.

Iedereen die zichzelf religieus noemt, kan zich oefenen om het vlammetje in de ander te zien. Als je vanuit die houding leeft, is de rest aan religieuze verschillen bijzaak. Het helpt mij als ik spirituele oefeningen blijf doen. Als je gedachten hebt die niet zo hoogstaand zijn – als je geen verbinding maakt met iets dat groter is dan onszelf – kun je jezelf corrigeren en je gedachten prima sturen. Als we ons realiseren dat bepaalde gedachten niet goed zijn voor onszelf en voor anderen, zullen we anderen anders tegemoet treden. Dan zie je altijd ook licht en liefde in de ander.

Je kunt oefenen om het vlammetje in de ander te zien. Jezelf corrigeren en je gedachten sturen

Bij zingevingsvragen gaat het uiteindelijk niet om grote concepten en de invulling ervan, maar om de dagelijkse uiting van God. Een kopje thee voor elkaar maken, zorgen voor je buren, lief zijn voor ouderen, opstaan in de tram. Dan zullen we zien dat we allemaal behoorlijk op elkaar lijken. Goed, de een zal het ritueel bij de bruiloft of het sterven zus hebben en de ander zo, maar uiteindelijk verschillen we in het denken hierover weinig van elkaar.

In Rotterdam, waar ik woon, heeft 60 procent van de scholieren een migratieachtergrond. Daar kun je een probleem van maken, zoals in Den Haag nogal eens gebeurt, maar ik heb er zelf niets van teruggezien in Rotterdam-Zuid, wat als probleemgebied geldt. Alle vaders en moeders blijken precies hetzelfde te willen voor hun kinderen. Zolang je het niet hebt over grote instituties en problemen, maar over wat we samen willen, hier en nu, kom je overal probleemloos uit. Zo moeilijk is het allemaal niet.”

De filosoof Ken Wilber adviseert niet te veel aandacht te geven aan ‘de geesten van de ontwrichting’ en een beter verhaal te vertellen over je idealen.

“Ja, we moeten vertellen wat we willen. Daarvoor heb ik iedere keer stilte nodig, tijdens retraites maar ook elke dag thuis. Dat is nog geen garantie dat je dat goede gevoel verder de hele dag bij je draagt, maar de kans is groter dat je je even niet laat meeslepen door gebeurtenissen en emoties. Dat je even bedenkt: o ja, ik kan kiezen tussen liefde en angst. Het leven wordt dan echt leuker. Ik vind het veel fijner om zo in het leven te staan dan tien jaar geleden. Ik hoef me niet meer te verdedigen. Mijn waarde hangt niet af van anderen, maar is al gegeven.”

Atheïsten hebben in bijna alles gelijk, zegt de Tsjechische priester-filosoof Tomás Halík, ze hebben alleen te weinig geduld met de komst van Gods koninkrijk. Als atheïsten Gods afwezigheid constateren, hebben ze het over een deel van de geloofsschat. Atheïsten leren ons dat we veel banale godsbeelden – zoals God als een bovennatuurlijke kracht – achter ons moeten laten.

“Helemaal mee eens. Ik vermoed dat atheïsten en gelovigen dichter bij elkaar staan dan ze zelf weten. Iedereen die gelooft, heeft zich weleens afgevraagd bij ellende in het eigen leven, in de omgeving of in de wereld: hoe kan God dit toelaten? Dan twijfel ik zelf ook, maar ik heb momenten dat ik me gedragen voel, in de palm voel van wiens hand dan ook. Op andere momenten vraag ik me af of er iets geks in mijn hoofd zit. Ik heb geen rotsvast geloof. Toch heb ik, als ik een tijdje stil ben geweest op retraite bijvoorbeeld, nog nooit meegemaakt dat ik twijfel. Dan is er altijd wel iets geweest dat me zo ontroert, dat ik zeker weet: dit is de weg die ik wil wandelen, hier hoor ik thuis, ik word gedragen en ik word gezien, ik ben goedheid, ik ben liefde. Maar ik moet dat gevoel wel onderhouden.”

Waar zit de twijfel dan precies? Het goddelijke is toch dagelijks aanwijsbaar tussen mensen?

“Ik kan je helemaal volgen. Je ziet God immers gebeuren om je heen. Daar hoef je inderdaad niet aan te twijfelen. De dominicaanse pater Leo de Jong zei dat laatst ook in het tv-programma ‘De Verwondering’, zich baserend op Meister Eckhart. God is een leeg projectiescherm. Wij projecteren ons godsbeeld met onze beperkte woorden en kennis. Misschien is dat niet meer genoeg voor deze tijd en verdwijnt het concept God. In plaats daarvan gebruiken we liever woorden zoals barmhartigheid en liefde. Daar voel ik me erg in thuis. Eckharts spiritualiteit gaat niet uit van orthodoxie, richtlijnen en heilig verklaarde teksten die je een godsbeeld voorschrijven. Hij geeft mij heel veel ruimte. Als dit ook God is, denk ik dan, als dit ook geloof is, ja dan zou ik heel misschien wel kunnen geloven.

“Het is voor mij geen noodzaak om het woord God te noemen. Misschien verdwijnt het concept God wel”

Ik heb het nooit voor mogelijk gehouden dat er een andere God is dan de God uit de Bijbel, zoals in de PKN-kerk wordt verkondigd. De theoloog Harry Kuitert zei het al: alles wat over God bekend is, komt van beneden. Het zijn onze woorden en onze constructies. Kuitert was een rationeel denker. Ik kon zijn redenering goed volgen. Hij wilde af van al die concepten over God en wilde graag dat God hem verloste van al die concepten.”

Zoals Eckhart zei: “Ik bid elke dag tot God mij van God te verlossen.

“Ja, van de beelden van God. Die beelden hinderen je dingen te zien. Als je je meer openstelt, zie je ook hoe mooi een bloem of een schilderij en hoe lief een moeder tegen haar baby kan zijn. Meister Eckhart zegt ook dat je je nooit hoeft te schamen, want God weet alles en kent je beperkingen. Als je je al ergens over zou kunnen schamen, is het over het feit dat je je schaamt. Ook die gedachte geeft veel ruimte.

Door Eckhart kijk ik anders naar mezelf. Ik heb grote en kleine fouten gemaakt in mijn leven en ik heb dingen niet netjes gedaan. Ik ben onaardig geweest en erger dan dat. Als je op Eckharts manier naar jezelf kijkt, besef je dat je vroeger niet beter wist en dat je nu de kans hebt het anders te doen. Dan hoef je geen schuld en schaamte meer te voelen.”

Je beschrijft een paar bijzondere persoonlijke ervaringen.

“Dat waren enorm grootse ervaringen. Gewoon een keer op de fiets, een bijzondere eenheidservaring, een gevoel omringd en gezien te worden door God. Het was een inzicht dat we allemaal uit hetzelfde voortkomen en dat er geen afscheiding bestaat tussen ons en wat ons omringt. Zo kwam ik tot de overtuiging dat er meer moet zijn. Ik heb wel vaker gevoelens die daarop lijken, maar het kan als zand door mijn vingers glijden. Ik blijf geloven in het goede van de mens, in het vonkje in iedereen, ik zie altijd de mooie dingen van iedereen. Ik zie tussen mensen fantastische dingen ontstaan. Ik zie achter vervelend of cynisch gedrag een vraag om liefde.

“Ik zie achter vervelend of cynisch gedrag een vraag om liefde”

Toch twijfel ik soms aan het transcendente. Ik zie het aanwezig in individuen en in mezelf, maar ik kan het ook simpel liefde of mededogen noemen. Ik twijfel dan aan het panentheïsme: God is in jou en tegelijkertijd overstijgt hij of zij je. Soms twijfel ik aan het laatste, want het transcendente is er niet wanneer ik erom vraag. Het verschijnt niet op afroep. Ik ben wel een paar keer overvallen door een transcendente eenheidservaring. Lang wilde ik die ervaring steeds opnieuw beleven, maar dat lukte niet. Dan twijfel ik: is er werkelijk iets wat ons overstijgt, of zit het alleen in mijn hoofd? Is het zinsbegoocheling? Waren mijn ervaringen echt weerspiegelingen van God? De Nijmeegse hoogleraar Han Fortmann zei dat dat geen goede vraag is en dat het niet relevant is of het goddelijke buiten of binnen je aanwezig is. De vraag is wat zo’n mystieke ervaring met je doet. En of die ervaring je inspireert om dat licht door te geven. Dat is wel gebeurd, dus in die zin heb ik God ontmoet.”

Je boek doet ook denken aan ‘De alchemist’ van Paulo Coelho. De hoofdpersoon daarin ontdekt zijn schat na een lange reis gewoon thuis.    

“Ik had niet thuis kunnen blijven, maar had die reis nodig. Nu pas vraag ik me af waarom ik niet eerder heb gezien dat ik al die tijd al was waar ik moest zijn. Anderen hebben zo’n reis niet nodig. Dat is jaloersmakend. Je hebt mensen die al vanaf hun geboorte thuis zijn. Ze weten wie ze zijn en wat ze willen. Ze kunnen bijna vanzelf liefdevol voor zichzelf en voor anderen zijn. Dat heeft vast te maken met hun opvoeding en omgeving. Als je steeds bevestigd wordt: je bent precies goed zoals je bent, we staan als ouders onvoorwaardelijk achter je, helpt dat enorm. Ouders zien iets in het kind dat groter is dan de daden van het kind. Wat zou het mooi zijn als iedereen dat ook bij anderen probeert te zien, bij collega’s of buren. Altijd, ook al zegt iemand iets vervelends, kun je het vonkje in de ander zien.

Het gaat in het leven om liefde: alles is een uiting van liefde of een roep om liefde, staat in het boek ‘Een Cursus in Wonderen’. Dat inzicht helpt je als je met iemand te maken krijgt die fel op je reageert, in het verkeer bijvoorbeeld. Door aan dat zinnetje over liefde te denken, ontspan ik al genoeg om niet agressief te reageren op agressie. Je moet altijd bereid zijn om terug te gaan naar jezelf: waarom reageer ik nou zo negatief op die ander? Die ander is altijd liefde. Zo’n houding vergt veel oefening. Je wordt immers af en toe uitgedaagd door mensen om je heen. Ik ben echt geen heilige. Ik moet dagelijks oefeningen doen om zo’n houding in praktijk te brengen. Het is niet nu al mijn levenshouding, al zou ik het heel graag willen.”

Je blijft op zoek naar zingeving?

“Ja, ik blijf lezen en gelijkgestemden zoeken. Vroeger dacht ik: o, deze leermeester of deze vrouw gaat me totaal nieuwe inzichten geven waardoor mijn leven heel anders wordt. Dat denk ik nu niet meer. Ik verwacht nu niet meer dat ik tot levensveranderende inzichten zal komen. Ik zoek ook niet meer naar een nieuwe traditie die alles weer overhoophaalt.”

Je kunt nooit een totaaloverzicht krijgen van alle religies en levensbeschouwingen?

“Nee (lacht) maar ik heb wel kennis gemaakt met een aantal tradities. Dat zoeken bergt echter het risico in zich van te veel afleiding. Je komt dan nooit tot rust en je bent minder ontvankelijk om je te laten vinden. Gelukkig kan ik nu zeggen dat mijn leven niet meer zo dof is als het tien jaar geleden was. De noodzaak van het zoeken is wat minder. Mijn waarde en ieders waarde is een intrinsiek gegeven, of we nu prestaties leveren of niet, of we aardig worden gevonden of niet, of we domme fouten maken of niet.

Als je op die manier om je heen kunt kijken, zoals Franciscus deed, voorbij de woorden kunt gaan, voorbij verschijningsvormen als een boom of een dier, zoals in ‘De alchemist’, zie je andere dingen. Ik geloof daar sterk in, maar het vergt veel training, geduld en overgave om te willen horen wat er allemaal is in het universum. Veel mensen kunnen je daarbij helpen, sjamanen en goeroes, ook al zitten er charlatans tussen.

“Mijn leven is niet meer zo dof als het tien jaar geleden was, de noodzaak van het zoeken is wat minder”

Prinses Irene luisterde naar bomen. Dat vond ik volstrekt belachelijk, maar daar denk ik nu heel anders over. Als je echt vanuit je hart probeert te luisteren – en dan maakt het niet veel uit of het een boom of een steen of wat ook is – wat het universum je te vertellen heeft, kun je ver komen. Als je veel geduld hebt. Je hoort niet altijd wat je denkt te gaan horen.”

———————————-

Willemijn Dicke, De sjamaan en ik, Een nuchter, geestig verslag van een zoektocht naar zingeving, Prometheus, 234 blz., € 19,99.

Print Friendly, PDF & Email

1 reactie

  1. Het is toch vreemd dat zelfs atheïsten een godsbeeld hebben waartegen ze zich afzetten zonder te raden te gaan bij waar dit begrip God in onze cultuur vandaan komt. Ze vechten dus tegen hun eigen waandenkbeelden zonder zich af te vragen of zij zelf niet de oorzaak zijn van hun denken, en niet G’d.
    De dominicaan Johannes Eckhart had zijn godsbegrip ook niet uit het niets opgedoken, maar gewoon gevonden in de Schrift, en wel in het Oude of Eerste Testament, zoals Exodus 3, m.n. 14 enz.!
    Egocentrisme, de IK-cultuur, zelfoverschatting, ontworteling, niet in de gaten hebben dat men niet zelf het middelpunt van de geschiedenis (wereld en religie) is zou dus wel eens de kern van het probleem van de secularisatie kunnen zijn: los menen te staan van alle gemeenschap en dus van taal-, denk- c.q. geloofstraditie, en het wiel weer zelf menen te moeten uitvinden. Mijn voorlopige conclusie: Onderwijs en opvoeding hebben in onze contreien dus een grote steek laten vallen. Het hield mensen blind voor de grotere Eenheid waar ze, bewust en gewild, of niet, altijd deel van uitmaken, en dus rekening mee moeten houden om geen onzin te denken en praten enz.!

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*