Home » Essay » Het pausschap van paus Franciscus: “De werkelijkheid is belangrijker dan het idee”

Het pausschap van paus Franciscus: “De werkelijkheid is belangrijker dan het idee”

Het Vlaamse Tijdschrift voor Geestelijk Leven (TGL) bracht recent een themanummer uit over paus Franciscus, die nu bijna zes jaar in functie is. Theoloog Hendro Munsterman beschouwt zijn pontificaat tot nu toe. Het beleid van de eenvoudig aandoende Franciscus blijkt  complexer te zijn dan velen dachten. Franciscus laat zich leiden door het schema ‘zien, oordelen, handelen’. Hij denkt van ‘beneden naar boven’. En: “In het ‘beneden’ ziet hij het ‘boven’ al op mysterieuze wijze aan het werk.”

Door Hendro Munsterman

Met een eenvoudig en gemoedelijk ‘Buona sera’ begon het pontificaat van Jorge Bergoglio, sindsdien ‘paus Franciscus’. Deze simpele woorden waarmee de nog wat ongemakkelijk in het wit geklede kardinaal Jorge Bergoglio de tienduizenden aanwezigen op het Sint-Pietersplein, samen met de miljoenen die voor de televisie toekeken, begroette zijn inmiddels bijna net zo beroemd als het ‘Habemus Papam’ dat enkele momenten daarvoor klonk.

De eenvoud waarmee hij zich tot de stad en de wereld (urbi et orbi) richtte, werd nog eens versterkt door de naam die hij zichzelf had aangemeten: Franciscus. Gedurende de eerste uren zetten commentatoren en Vaticaanwatchers er nog het Romeinse cijfer I achter. Maar ook dat wilde deze franciscaanse jezuïet in een dominicaans aandoend pauselijk habijt niet hebben. Nog even was er ook onduidelijkheid of zijn naam naar Franciscus Xaverius – hij was immers een jezuïet – verwees, of inderdaad naar Franciscus van Assisi.

De Braziliaanse kardinaal Hummes, die tijdens het conclaaf naast de aartsbisschop van Buenos Aires had gezeten, had hem ingefluisterd – toen eenmaal duidelijk was dat hij de volgende paus zou worden: “Jorge, vergeet de armen niet.” Het was het definitieve laatste zetje om niet Adrianus VII te worden – een vervolg op de hervormingsgezinde ‘Nederlandse paus’ Adrianus VI (1522-1523) – maar iets nog eenvoudigers. Iets wat nog meer zou lijken op een door Franciscus zo gewenste ‘arme kerk voor de armen’, zoals hij tijdens zijn eerste persconferentie zou zeggen.

De erfenis van Cardijn

‘Zien-oordelen-handelen’: het was de methode die de Belgische kardinaal Jozef Cardijn (1882-1967) voorstelde om de arbeidsomstandigheden van jonge arbeiders te verbeteren. Deze simpele en toch effectieve methode werd gemakkelijk overgenomen door alle vormen van bevrijdingstheologie, waaronder vanzelfsprekend de Latijns-Amerikaanse variant ervan. Vanuit situaties van onrecht (zien), moeten de oorzaken ervan opgespoord worden (oordelen), om tot bekering en inzet voor verandering (handelen) te komen.

Deze methode-Cardijn vormt ook het handelingsgerichte beleid van paus Franciscus, die beïnvloed is door de milde Argentijnse vorm van bevrijdingstheologie, de ‘theologie van het volk’. Verschillende belangrijke teksten uit zijn pontificaat zijn gestructureerd volgens dit principe: van de ecologische encycliek Laudato si’, tot het werkdocument van de bisschoppensynode over Jongeren en Geloof.

Het specifieke van Franciscus is echter dat hij als jezuïet, vanuit zijn eigen ignatiaanse spiritualiteit, het thema ‘oordelen’ waarschijnlijk het liefst als ‘onderscheiding’ interpreteert. Dit ignatiaanse thema van de ‘onderscheiding der geesten’ is de wijze waarop Franciscus de werkelijkheid wil benaderen. Na te hebben gekeken (‘zien’), ook met behulp van sociale wetenschappen, wil hij niet alleen van buitenaf oordelen, maar ook van binnenuit.

Dit ‘oordelen’ als zijnde wezenlijk ‘onderscheiding’ maakt deze tweede stap van het zien-oordelen-handelen-schema niet alleen dieper en innerlijker, maar tevens spiritueler. Het ignatiaans ‘oordelen’ veronderstelt dat je de te beoordelen werkelijkheid binnentreedt, er in zekere zin in incarneert, alvorens er, niet alleen theologisch, op te reflecteren, maar vooral ook geestelijk, spiritueel.

Het feit dat Franciscus met de nodige regelmaat over de duivel spreekt – en niet slechts op een symbolische, maar op een hele realistische wijze – is niet alleen een erfenis van zijn voormalige biechtvader in Buenos Aires die eveneens exorcist was. Het is zonder twijfel ook een manier om de werkelijkheid ook spiritueel te willen doorgronden: namelijk van binnenuit pogen te zien waar de Boze aan het werk is.

Denken volgens Aristoteles

Wie de Vaticaanse Musea bezoekt komt onwillekeurig het beroemde schilderij “De Atheense school” van de schilder Rafael uit 1510 tegen waarop de Griekse filosofen Aristoteles en Plato met elkaar in gesprek staan afgebeeld. Zij staan symbool voor twee wijzen van denken en omgaan met de werkelijkheid. Plato wijst naar boven, naar de wereld van de ideeën en het bovennatuurlijke als zijnde de werkelijkste werkelijkheid. Aristoteles wijst juist met zijn hand naar het materiële, naar de aarde. 

Deze twee filosofen staan ook schematisch model voor twee theologische hoofdstromen in de rooms-katholieke theologie. ‘Neo-platoonse theologen’ en kerkleiders hadden de afgelopen decennia de wind in de kerkelijke zeilen. Zij pleitten onder meer voor een ‘christologie van boven’ (waarbij Jezus’ menselijkheid vanuit zijn goddelijkheid gedacht werd), voor een ecclesiologie (kerkleer) waarin de lokale kerken vanuit de wereldkerk gedacht moesten worden, en voor een denken over huwelijk en seksualiteit vanuit gesublimeerde ideaalbeelden.

‘Aristotelische theologen’ hadden het de afgelopen decennia veel moeilijker in de rk kerk. Zij pleitten voor een ‘christologie van beneden’ (waarbij Jezus’ goddelijkheid door ons slechts vanuit zijn menselijkheid gedacht kan worden), voor een wereldkerk die slechts vanuit de lokale kerken gedacht werden, en een denken over huwelijk en moraal vanuit de geleefde, complexe werkelijkheid.

Zonder paus Franciscus onnodig tegenover zijn voorganger Benedictus XVI te willen plaatsen, zien we hier toch een andere accent. In zijn programmatische exhortatie Evangelii Gaudium (EG), dat hij aan het begin van zijn pontificaat publiceerde, schrijft Franciscus het volgende, en wel onder het veelzeggende kopje “De werkelijkheid is belangrijker dan het idee”, waarin we zeker ook de voormalig chemisch laborant, die Jorge Bergoglio ooit was, mogen herkennen en diens primaat voor de materiële werkelijkheid:

“Er bestaat een bipolaire spanning tussen het idee en de werkelijkheid. De werkelijkheid is, simpelweg; het idee laat zich ontwikkelen. Tussen beiden moet men een permanente dialoog ontvouwen, ervoor zorg dragend dat het idee zich nooit van de realiteit afscheidt.” (EG, 231). 

Maar even verder laat Franciscus, die in bovenstaand citaat nog beide zaken – idee en werkelijkheid – naast elkaar lijkt te plaatsen en op elkaar betrekt, toch zien dat “de werkelijkheid hoger staat dan het idee”. (EG 233):

Er zijn politici – waaronder ook religieuze leiders – die zich afvragen waarom het volk hen niet snapt en hen niet volgt, terwijl ze toch hele logische en heldere voorstellen hebben. Dat is waarschijnlijk omdat zij zich vastgeklemd hebben in het domein van het pure idee en de politiek of het geloof tot retoriek hebben gereduceerd” (EG 232).

Hier zien we de aartsbisschop van Buenos Aires, die zijn vroegere rigiditeit als algemeen overste van de Argentijnse jezuïeten achter zich heeft gelaten en zijn pastorale werkzaamheden vanuit de geleefde werkelijkheid van gewone gelovigen poogt te ontvouwen.

In de drieslag ‘zien-oordelen-handelen’ is de eerste stap bij Franciscus een hele fundamentele waar hij graag de tijd voor neemt. Hij wil de complexiteit van de werkelijkheid waarnemen, niet slechts het ideaal waar zij naar gevormd is of zich zou moeten vormen. Hij is – anders dan zijn voorganger Benedictus XVI – een paus die ‘van beneden naar boven’ denkt. In het ‘beneden’ ziet hij het ‘boven’ al op mysterieuze wijze aan het werk. Dat is voor Franciscus het mysterie van de incarnatie, waarin de werkelijkheid liefdevol wordt aangenomen zoals zij is – inclusief alle gebrokenheid en mitsen en maren – opdat zij verzoend, geheeld, geliefd en verheven moge worden.

Het denken van Guardini

Keren we nog even terug naar het oordelen. Naast Iganatius van Loyola, is er een andere grote denker die Franciscus geïnspireerd heeft om deze tweede stap vruchtbaar te zetten: Romano Guardini (1885-1986). 

Terwijl paus Benedictus XVI Guardini vooral bewonderde om diens liturgische geschriften en diens bijdrage aan de herbronning van de liturgie, kijkt Franciscus vooral met eerbied naar Guardini’s filosofische werk. Nadat hij zijn taak als overste van de Argentijnse jezuïeten had neergelegd, begon hij in Frankfurt zelfs aan een proefschrift over het denken van deze Duitse priester, van Italiaanse oorsprong. De Argentijn Bergoglio, eveneens van Italiaanse oorsprong, maakte het proefschrift echter nooit af, vooral vanwege heimwee naar zijn geboorteland Argentinië. 

Guardini blijkt Franciscus, dankzij zijn boek Der Gegensatz (1925), de instrumenten te hebben gegeven om het belang van dialoog, onenigheid en diversiteit te kunnen onderkennen. Wanneer mensen in dialoog raken en elkaar pogen te overtuigen “komen we wellicht niet tot een synthese in de zin van de filosoof Hegel”, zegt hij in het interviewboek Politique et société. Maar dat is maar goed ook, volgens Franciscus, want in een synthese “wordt altijd iets verwoest”.

We moeten volgens Franciscus “niet bang zijn voor spanningen”, want deze kunnen worden opgelost “op een hoger niveau”.

“Hegel zoekt de synthese, ik zeg iets anders: de synthese laat zich pas maken op een hoger niveau dan de twee partijen. En deze synthese behoudt de wortels van de twee aanvankelijke gezichtspunten”. Uiteindelijk is “de synthese niet van vitaal belang, maar de spanning (tussen twee tegengestelde meningen) wel”.

Franciscus gelooft heilig in wat hij ooit tijdens een vliegtuiginterview zei: “Slechts op het kerkhof is er nooit ruzie.” Voor Franciscus is spanning en onenigheid vruchtbaar. Hij zoekt deze spanning tijdens zijn pontificaat ook bewust op. Zo organiseert hij maar liefst twee bisschoppensynodes over het meest spannende onderwerp in de rooms-katholieke kerk van de afgelopen decennia: het gezin en seksuele ethiek.

De vruchtbaarheid van spanningen betreft volgens Franciscus niet alleen de interne debatten die een zekere ‘ontwikkeling van het dogma’ dienen, maar ook de dialoog met buitenstaanders. In het interview met de Italiaanse journalist en voormalige communistische senator, Eugenio Scalfari, zei Franciscus het als volgt:

“Proselitisme is een zinloze, pompeuze absurditeit. We moeten elkaar kennen, naar elkaar luisteren en de kennis van de wereld om ons heen laten groeien. Het gebeurt me dat ik na een ontmoeting nog een andere wil hebben omdat er nieuwe ideeën naar voren zijn gekomen en nieuwe behoeften zich aandienen. Dat is wat belangrijk is: elkaar kennen, naar elkaar luisteren, de gedachtecirkels uitbreiden”[1].

Franciscus houdt van tegengestelde meningen. De marxistische bibliotheek van zijn voormalige vrouwelijke, communistische hoofd van het chemisch laboratorium waar hij ooit werkte, verborg hij in de theologische bibliotheek van de jezuïeten om haar uit de handen van de rechtse Argentijnse dictatuur te houden. Niet omdat Bergoglio zich tot het communistische gedachtegoed voelde aangetrokken, wel omdat hij vond (en vindt) dat deze positie het waard is om gehoord, beoordeeld, onderscheiden te worden.

Het is waarschijnlijk om soortgelijke redenen dat Franciscus verder gaat dan zijn voorganger in het zoeken naar een overeenkomst met de priesterbroederschap Pius X van wijlen aartbisschop Marcel Lefèbvre. Franciscus zal zich, als kind van het Tweede Vaticaans Concilie, in weinig tot niets tot deze ultraconservatieve en schismatieke groepering aangetrokken voelen. Maar er bestaat voor hem ook geen enkele twijfel over de vraag of zij katholiek zijn en hun rechtmatige plek in de kerk moeten krijgen.  Sterker: pas als zij zich gehoord voelen, zullen zij wellicht in staat zijn om ook zelf te luisteren.

Rahner en Martini

Vier dagen na de sluiting van het Tweede Vaticaans Concilie in 1965, gaf de Duitse jezuïet Karl Rahner een beroemd geworden lezing in München. De euforie vlak na het concilie was groot, vooral onder katholieken die een vernieuwing van de rooms-katholieke leer en praktijk voorstonden.

Maar de nuchtere Rahner, die zelf als theoloog flink aan de uitkomst van het concilie had bijgedragen, waarschuwde voor naïef optimisme. Hij zei: Het zal lang duren voordat de kerk, die van God een Tweede Vaticaans Concilie ontvangen heeft, de kerk van het Tweede Vaticaans Concilie zal zijn.

Inmiddels zijn we meer dan vijftig jaar verder. Er is veel gebeurd: de liturgie is hervormd, er is een nieuw kerkelijk recht ingevoerd, de oecumenische en interreligieuze dialoog zijn op gang gekomen, de plaats van de leken in de kerk is belangrijker dan ooit.

Maar met paus Franciscus is de Katholieke Kerk in zekere zin pas écht begonnen een kerk van het Tweede Vaticaans Concilie te worden. Ondanks of misschien wel dankzij het feit dat hij de eerste paus is die niet persoonlijk aan het concilie heeft deelgenomen.

Een van de speerpunten van het concilie was de bisschoppelijke collegialiteit. In 1870 waren de dogma’s van de pauselijke onfeilbaarheid en universele zeggenschap afgekondigd, tijdens het Eerste Vaticaans Concilie. Bijna een eeuw later plaatste Vaticanum II de bisschop van Rome veel meer te midden van het wereldwijde college van bisschoppen. Als eerste onder gelijken heeft hij speciaal de taak de eenheid van de kerk te dienen en te garanderen. Maar alle bisschoppen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het welzijn van de kerk. Dat wordt het meest zichtbaar tijdens een concilie. Maar paus Paulus VI heeft vlak na Vaticanum II een nieuw orgaan gecreëerd om aan deze collegialiteit vorm en inhoud te geven: de bisschoppensynode.

Alleen was de theorie tot aan het jaar 2013 beter dan de praktijk. Op de voorgaande synodes kwam het nauwelijks tot een waarachtige uitwisseling van gedachten. Het Vaticaan publiceerde vooraf een werkdocument. Tijdens de synode mocht elke deelnemer in vijf minuten zijn zegje doen. En aan het eind kwam er uit een of andere koker een slotdocument, waarna de paus zijn eigen conclusies samenvatte in een exhortatie.

De vorige synode in 2012 ging over evangelisatie. Paus Benedictus XVI, die kort daarna aftrad, kon de exhortatie niet meer schrijven. Dat werd de taak van zijn opvolger. Paus Franciscus schreef inderdaad een indrukwekkend stuk, Evangelii Gaudium (De vreugde van het Evangelie). Het werd een beschrijving van de kerk die hem voor ogen staat: het is zijn regeringsprogramma.

In de inleiding schrijft hij: Ik geloof niet dat men van het pauselijk leergezag een definitief of volledig woord kan verwachten over alle kwesties die de kerk en de wereld betreffen. Het past niet dat de paus de lokale episcopaten vervangt in het onderscheiden van alle problemen die zich in hun gebied voordoen.

Daarom legde hij niet alleen meer bevoegdheid bij zijn collega-bisschoppen. Hij wilde ook dat alles wat aan de basis leeft, aan de top gehoord zou worden.

Alle bisdommen krijgen sindsdien voorafgaand aan een bisschoppensynode een vragenlijst toegestuurd. Ook wordt niet geschuwd om online-vragenlijsten uit te zetten zodat ‘gewone gelovigen’ direct hun stem kunnen laten horen, zonder dat dit door de lokale bisschoppenconferenties wordt weggefilterd. Werkdocumenten voor bisschoppensynodes komen zodoende niet meer vooral uit de Vaticaanse kringen, maar integreren beter de ervaringen aan de basis. Feitelijk is het een concretisering van het theologische idee van de sensus fidelium, de geloofszin van de gelovigen.

Aan het begin van de synode van 2014 riep Franciscus de bisschoppen op vrijuit te spreken. Deze openheid, over een nogal beladen onderwerp, leverde een uiterst dynamische gedachtewisseling op, zoals we sinds het Tweede Vaticaans Concilie niet meer gekend hadden. De collegialiteit waar het concilie om gevraagd had, kreeg tijdens de afgelopen synodes handen en voeten.

Op de bisschoppensynode van 1999 hield kardinaal Carlo Maria Martini een beroemd geworden I have a dream-toespraak. Hij drong aan op een ontmoeting van bisschoppen uit de hele wereld om hete hangijzers te bespreken: de plaats van vrouwen in de kerk, het priestertekort, de rol van leken in het pastoraat, de oecumene. En Martini noemde ook seksualiteit en de regels rondom huwelijk en scheiding.

Martini vond dat op deze terreinen moedige beslissingen nodig waren, die de paus niet alleen kon nemen. Dat moesten de bisschoppen gezamenlijk doen. Feitelijk was het een oproep tot een Derde Vaticaans Concilie.

Kardinaal Martini gold jarenlang als papabile (pauskandidaat). Maar hij werd door velen als te gematigd of zelfs te progressief gezien. Martini werd ziek en stierf in 2012. Zes maanden later kwam een andere jezuïet als paus uit het conclaaf. Hij noemde zichzelf Franciscus. En hij riep weliswaar geen nieuw concilie bijeen, maar de wijze waarop hij de bisschoppensynodes organiseerde, begon toch aardig conciliaire trekken te vertonen.

En net als bij het Tweede Vaticaans Concilie zijn ook tijdens het huidige pontificaat de meningen verdeeld. Moet de pastorale aanpak meer op de voorgrond treden? Of moet het dogma onversneden verkondigd worden? Moet de kerk trouw blijven aan haar eigen leer, of is ontwikkeling in die leer mogelijk? Met alle nuances die er tussen beide posities bestaan. Franciscus wil beweging, gesprek, in alle openheid. Of met het Bijbelse woord dat hij zelf graag gebruikt: met parresia, vrijmoedigheid.

De jezuïeten Rahner en Martini kregen allebei gelijk: met Franciscus en zijn zoektocht naar een meer synodale kerk is in zekere zin zowel het Tweede als het Derde Vaticaans Concilie begonnen.

Gehuwde priesters?

“Franciscus is niet conservatief en niet progressief, hij is radicaal”, zei de Duitse theoloog en kardinaal Walter Kasper eens treffend. De term radicaal verwijst hier naar de Latijnse term radix, wortel. Franciscus gaat naar de kern.

Men zal Franciscus geen theologische revolutie zien ontketenen. In vele opzichten is hij een erg klassieke denker – niet in het minst ook vanwege zijn voorliefde voor het geloof van ‘gewone gelovigen’, inclusief allerlei vormen van volksgeloof. Het ‘zielenheil’, waar de klassieke theologie zo graag over spreekt, en dat ook het gehele kerkelijk recht kenmerkt, is Franciscus bijzonder dierbaar.

Alles wat hierboven gezegd is over Franciscus’ wijze om naar de werkelijkheid te kijken en zijn manier om dat om te zetten in daden, kan geïllustreerd worden aan de hand van zijn denken over het kerkelijk ambt. 

Franciscus is niet mild over kerkelijke ambtsdragers. Hij verwijt hen regelmatig rigiditeit en te veel te lijken op de farizeeën en schriftgeleerden uit het evangelie die vergeten dat de sabbat er is voor de mens en niet omgekeerd. Hij pleit voor een “beschadigde, verwonde en vies geworden kerk omdat zij de wegen op is gegaan, veeleer dan een kerk die ziek is geworden door haar geslotenheid en die zich comfortabel vastklampt aan haar eigen zekerheden” (EG 49).

Hij pleit dan ook met enige regelmaat voor “herders die naar hun schapen luisteren”. De vraag of die herders in de toekomst ook gehuwde herders of eventueel diaconale herderinnetjes kunnen zijn, ligt in ieder geval open.

Omtrent de vraag naar de mogelijkheid voor gehuwde priesters in de Latijnse kerk wijst alles erop dat hier dit jaar een opening geboden gaat worden. De uitzonderlijke bisschoppensynode over het Amazonegebied zal zich in oktober 2019 onder meer bezighouden met het gigantische priestertekort in dit grote gebied dat negen Latijns-Amerikaanse landen omvat. 

In veel van deze katholieke geloofsgemeenschappen kan slechts enkele keren per jaar de eucharistie gevierd worden. Bisschoppen ter plaatse maken zich niet alleen zorgen over de sacramentaliteit van de kerk, maar ook over de opkomst van evangelische kerken die als paddenstoelen uit de Amazonegrond schieten. 

Het denken over een oplossing zou echter zomaar eens uit een Oostenrijkse koker kunnen komen. De Weense pastoraaltheoloog Paul Zulehner publiceerde in 2002 samen met de van oorsprong Oostenrijkse bisschop van Aliwal (Zuid-Afrika), Fritz Lobinger, een uitgebreid voorstel om tot twee types priesters in de Latijnse kerk te komen. 

Naast het reeds bestaande type ‘Paulus-priester’ (celibatair en beschikbaar), zou een nieuw type priester in het leven geroepen moeten worden: de ‘Korinthe-priester’. Deze is gehuwd en komt voort uit de lokale geloofsgemeenschap ten dienste waarvan hij gewijd wordt – eventueel naast een civiel beroep[2]. 

Dit Oostenrijkse plan, dat waarschijnlijk ongelezen in Vaticaanse bureaulades terecht is gekomen, kwam echter via een Oostenrijkse bisschop in de Amazone, Erwin Kräutler, bij de Braziliaanse kardinaal Hummes terecht. De Braziliaanse bisschoppen hebben de vraag naar gehuwde priesters concreet aan paus Franciscus gesteld. Geheel in de lijn van de hierboven geschetste pragmatische, spirituele en synodale houding, heeft Franciscus hen om een voorstel hieromtrent gevraagd. Hij gaf duidelijk aan voor een opening van het celibaat in het Amazonegebied open te staan mochten lokale bisschoppen daar om vragen. Om dit echter ook in een breder verband te zien, en alle betrokken bisschoppenconferenties erbij te betrekken, zal het voorstel dat volgens Vaticaanse wandelgangen al sinds geruime tijd op Franciscus’ bureau ligt, tijdens de komende bisschoppensynode in oktober 2019 worden besproken. 

Vrouwelijke diakens?

Het priestercelibaat geldt niet als dogma en kan feitelijk vanuit theologisch oogpunt op willekeurig elk moment als verplichting afgeschaft worden. Op het vlak van eventuele vrouwelijke diakens ligt dat een tikje gevoeliger. Tegenstanders van de opening van het diakenambt voor vrouwen, wijzen graag op de eenheid van het gewijde ambt. De toelating van vrouwen zou onmogelijk zijn omdat men dan ‘het vrouwelijke’ toe laat binnen het gewijde ambt – dat symbool staat voor de vertegenwoordiging van Christus als hoofd. 

Voorstanders wijzen echter op een wijziging in het kerkelijk recht, door nota bene paus Benedictus XVI, uit 2009, waarin deze een duidelijker scheiding aanbrengt tussen het bisschops- en priesterambt enerzijds en het diakenambt anderzijds. Beide eerste vertegenwoordigen volgens de vorige paus ‘Christus als hoofd’ (van de kerk als ‘Lichaam van Christus’), terwijl de diaken ‘Christus als dienaar’ representeert. Met deze opheldering zou volgens voorstanders van vrouwelijke diakenen het belangrijkste tegenargument vervallen zijn. 

Traditioneel worden er drie argumenten gebruikt tegen vrouwelijke priesters en bisschoppen. Allereerst is er het Bijbelse argument dat Jezus slechts mannen in de groep van twaalf leerlingen/apostelen heeft toegelaten. Dit argument gaat echter voor het diakenambt niet op, omdat juist het Nieuwe Testament melding maakt van vrouwelijk diakens. 

Het tweede argument is het symbolische argument van de Christus-representie. Dit baseert zich op de symboliek van bruid (Kerk) en bruidegom (Christus), waarbij de laatste zich als bruidegom én tegelijkertijd hoofd van de Kerk laat vertegenwoordigen door de bisschop of de priester. De aanpassing in het kerkelijk recht door Benedictus XVI laat ook dit argument in het geval van diakens vervallen.

Zo blijft dus feitelijk slechts het derde argument over, het argument van de traditie: nooit heeft de katholieke kerk vrouwen tot priesters of bisschoppen gewijd, en deze traditie is dus onveranderbaar. De vraag is echter of dit ook voor diakens geldt. We weten uit historisch onderzoek dat de vroege kerk vrouwelijke diakens kende. De vraag is hoe deze ingeschat dienen te worden: als volwaardige diakens of als buitengewone bedienaren van de doop?

Paus Franciscus riep in 2016 een commissie in het leven om op strikt historische gronden onderzoek te doen naar deze tradities. Het rapport van de commissie ligt volgens ingewijden al op het bureau van de paus. Opvallend was dat voor het eerst in de geschiedenis van het Vaticaan de helft van de leden van een officiële commissie – nota bene werkend onder leiding van de Congregatie voor de Geloofsleer – van het vrouwelijk geslacht was. Bovendien benoemde Franciscus zowel uitgesproken voor- als tegenstanders van de wijding van vrouwen tot het diakenambt. Het zou zomaar kunnen dat de Amazone-synode van oktober 2019 ook deze vraag op tafel gaat leggen. 

Zowel in het geval van gehuwde priesters, als van vrouwelijke diakens, laat Franciscus zich leiden door de Cardijnse drieslag ‘zien-oordelen-handelen’. Hij wil van binnenuit doorgronden en begrijpen. De vraag blijft echter of, hoe en wanneer Franciscus in deze twee gevallen ook tot handelen over durft te gaan. In het geval van de voorzichtige opening naar toelating van hertrouwde gescheidenen tot de communie na beide gezinssynodes, handelde hij middels een kleine voetnoot, weggestopt in het achtste hoofdstuk van de apostolische exhortatie Amoris Laetitia. Het leverde Franciscus flinke tegenstand op aan de uiterst rechtse flank van de kerk. De komende maanden zullen uitwijzen of hij door die tegenstand is lamgeslagen of dat Franciscus in staat is de door hem uitgezette lijn en beproefde methode ook op deze twee punten van de ambtstheologie kan toepassen.

———————

Hendro Munsterman is rooms-katholiek theoloog, sinds meerdere jaren werkzaam in Frankrijk en bovendien religiejournalist en Vaticaancommentator van het Nederlands Dagblad.

 

Bron: Tijdschrift voor Geestelijk Levennr. 2018/6, themanummer:  Naar een barmhartige kerk. Paus Franciscus en zijn missie.

Voor verdere informatie over TGL zie www.tgl.be. Besteladres Nederland: ahmmetz1941@kpnmail.nl. Besteladres België: abonnementenTGL@kerknet.be of info@tgl.be. Kosten per los nummer: 7,95 plus verzendkosten.

 

 

 

[1] Zie: http://www.repubblica.it/cultura/2013/10/01/news/le_pape_a_scalfari_ainsi_je_changerai_l_glise-67693549/

[2] Zulehner, Paul M./Lobinger, Fritz: Pauluspriester – Korinthpriester, in: Christ in der Gegenwart 42 (2002) 349-350; Zulehner, Paul M./Lobinger, Fritz/Neuner, Peter: Leutepriester in lebendigen Gemeinden. Ein Plädoyer für gemeindliche Presbyterien, Ostfildern 2003; Zulehner, Paul M./Lobinger, Fritz: Um der Menschen und der Gemeinden willen. Plädoyer für die Entlastung der Priester, Ostfildern 2002.

 

Print Friendly, PDF & Email

1 reactie

  1. Hoewel je het de oude man en priester natuurlijk niet kwalijk kunt nemen stoort me toch enigszins dat hij niet inziet dat zijn gedrag soms het afstotende potsierlijke nadert: enerzijds realistisch en invoelend naar mensen en hun realiteit, maar toch ook ‘hocus pocus’ of sacramentaliteit blijven benadrukken (de Mis lezen in vol ornaat op een vuilnisbelt bijv.) zonder ook maar één keer en publique in psychologische/spirituele bewoordingen door te dringen tot de kern van devotie, liturgie en ritueel, terwijl hij dat best kan. Zie zijn catecheses! Maar wie krijgt zijn catecheses onder ogen; buiten KN zullen er dat niet velen zijn omdat de media en hun scribenten over het algemeen zichzelf en de eigen theologie belangrijker achten dan Jezus Christus en Zijn Boodschap! Het zijn-in-Christus, de eenheid met, liefde voor en vertrouwen in Hem als van onopgeefbaar belang en voorwaarde voor wat de christen doet, benoemt p. Franciscus herhaaldelijk tegenover de geestelijkheid, maar daarbuiten krijgt het m.i. veel te weinig gehoor en uitwerking, terwijl de nadruk ten onrechte komt te liggen op de eventuele veranderingen die deze paus in de kerk, haar regels en structuren mogelijk weet te bewerkstelligen. Alle aandacht en nadruk zou moeten liggen op Jezus Christus en zijn Boodschap (en niet op die de kerk en haar ambtsdragers ervan maken en gemaakt hebben). We moeten terug naar de ontdekkingen der Woestijnvaders, pas dan komen we als gelovigen dicht bij de Heer!

Geef uw reactie

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *

 tekens beschikbaar

*